Aanpassing pensioenrichtleeftijd

De belangrijkste wijziging op pensioengebied in 2018 was de verhoging van de pensioenrichtleeftijd van 67 naar 68 jaar. Vrijwel alle bestaande pensioenregelingen moesten daarom worden aangepast aan de nieuwe fiscale grondslagen, zoals die vanaf 1 januari 2018 gelden. Het belangrijkste aandachtspunt op pensioengebied in 2019 was het bereiken van het principeakkoord tussen sociale partners en de regering over de invoering van een nieuw pensioenstelsel, dat in de komende tijd verder zijn beslag moet krijgen. Maar ook nu al worden we geconfronteerd met afspraken in het principeakkoord.

Verhoging pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar in 2018

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd is gebaseerd op ramingen van de macro gemiddelde levensverwachting door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De pensioenrichtleeftijd is een rekenleeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de jaarlijkse maximaal toegestane fiscale pensioenopbouw. De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft echter geen gevolgen voor het ambitieniveau van het te bereiken pensioen.

In 2015 werd het ambitieniveau voor aanvullende pensioenen in de tweede pijler vastgesteld op een te behalen ouderdomspensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 jaar of van 66,28% van het laatstverdiende loon. Dit ambitieniveau correspondeert met een opbouwpercentage van 1,875% per dienstjaar voor een middelloonregeling respectievelijk 1,657% per dienstjaar voor een eindloonregeling. Ook de staffelpercentages voor premieovereenkomsten zijn gericht op een ouderdomspensioen volgens het middelloonsysteem met een opbouwpercentage van 1,875% per dienstjaar.

Hierin is met ingang van 1 januari 2018 geen verandering gekomen. Let wel, het betreft nu een ouderdomspensioen vanaf 68 jaar.

Voor de opbouwpercentages in een eindloon- en middelloonregeling heeft de verhoging van de pensioenrichtleeftijd dus geen gevolgen. Daarentegen zijn de premiepercentages voor beschikbare premieregelingen wel zijn gewijzigd. Immers, uitgaande van dezelfde actuariële grondslagen, is een premie gebaseerd op een jaarlijkse pensioenopbouw van 1,875% ingaande op 68 jaar is lager dan een jaarlijkse pensioenopbouw van 1,875% van een pensioen ingaande op 67 jaar.

Aanpassing van de pensioenregeling aan de nieuwe pensioenrichtleeftijd van 68 jaar

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar impliceert dat met ingang van 1 januari 2018 alle bestaande pensioenregelingen volledig moeten voldoen aan de gewijzigde fiscale pensioenkaders, anders is sprake van een onzuivere regeling en wordt de opgebouwde aanspraak ineens belast en is revisierente verschuldigd. Dit betekent echter niet dat aanpassing na 1 januari 2018 niet mogelijk was.

De pensioenregeling kan na 1 januari 2018 zonder belastingheffing en revisierente worden aangepast als hiervoor:

  • Uiterlijk 31 december 2017 een verzoek aan de inspecteur is gedaan om de regeling te beoordelen als bedoeld in artikel 19c Wet LB
  • Uiterlijk 31 december 2017 een verzoek aan de inspecteur is gedaan tot splitsing van de aanspraken als bedoeld in artikel 18, derde lid, Wet LB
  • De pensioenregeling wordt opgeschort

Een aantal pensioenfondsen heeft de pensioenleeftijd in hun regelingen niet verhoogd naar 68 jaar, omdat een pensioenleeftijd van 67 jaar beter aansloot bij de AOW-leeftijd.

Het niet verhogen van de pensioenleeftijd impliceert dat de jaarlijkse pensioenopbouw moet worden verlaagd. Dat kan op verschillende manieren.

Als de pensioenrichtleeftijd niet wordt verhoogd, maar gehandhaafd blijft op bijvoorbeeld 67 jaar, is strikt genomen sprake van vervroegde pensionering. Om binnen de fiscale kaders te blijven, kan in dat geval het op te bouwen pensioen actuarieel worden herrekend door gebruik te maken van een verlaagd opbouwpercentage.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft opbouwpercentages die behoren bij een lagere pensioenleeftijd dan 68 jaar gepubliceerd. Deze percentages hebben als uitgangspunt 1,875% per dienstjaar voor een middelloonregeling met pensioenleeftijd 68 jaar of 1,657% voor een eindloonregeling met pensioenleeftijd 68 jaar. Deze percentages zijn vervolgens actuarieel herrekend naar lagere opbouwpercentages.

Een andere manier, die zowel de ‘oude’ pensioenrichtleeftijd van 67 jaar als ook het opbouwpercentage ongewijzigd laat, is te werken met een verhoogde franchise of een verlaagde pensioengrondslag. In het Verzamelbesluit pensioenen van 11 december 2018, de opvolger van het besluit van 24 november 2017, zijn hiervan in onderdeel 8.9 twee voorbeelden opgenomen.

In zijn algemeenheid geldt dat de verhoogde franchise gelijk is aan:

Voorbeeld
Opbouw% middelloon 68 jaar1,875 %
Verlaagd opbouw% middelloon 67 jaar1,738 %
Salaris€ 30.000
Franchise middelloon 2020€ 13.785


De verhoogde franchise bedraagt:

De jaarlijkse opbouw op basis van de verhoogde franchise, zonder aanpassing van de pensioenleeftijd, die blijft dus 67 jaar, en zonder aanpassing van het opbouw% bedraagt dan in 2020:

1,875% x (€ 30.000 - € 15.324) = € 275,18

De jaarlijkse opbouw op basis van pensioenleeftijd 67 jaar met een verlaagd opbouwpercentage bedraagt dan in 2020: 1,738% x (€ 30.000 - € 14.167) = € 275,18

Let op: voor verschillende salarissen gelden verschillende verhoogde franchises. Er is dus niet één enkele verhoogde franchise, maar per salarisniveau geldt een aparte verhoogde franchise.

Principeakkoord pensioenen (juni 2019)

Op 5 juni 2019 bereikten kabinet en sociale partners een principeakkoord om te komen tot een vernieuwing van het bestaande pensioenstelsel.

De belangrijkste punten van het principeakkoord zijn:

  1. Vertraging van de stijging van de AOW-leeftijd
  2. Faciliteiten om eerder te kunnen stoppen met werken
  3. Minder kans op korting en meer kans op indexering door verlaging van de minimale dekkingsgraad van 104,3% nu naar 100%
  4. Afschaffen de doorsneepremiesystematiek en introductie van een leeftijdsonafhankelijke premie
  5. Eenmalige opname van maximaal 10% van de waarde van het opgebouwde pensioen bij pensionering
  6. Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers

AOW- en pensioenrichtleeftijd

Als eerste wapenfeit van het principeakkoord werd de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd ingevoerd. Op grond van deze wet blijft de AOW-leeftijd voor 2020 (en 2021) gelijk aan die van 2019 op 66 jaar en 4 maanden staan. Daarna stijgt de AOW-leeftijd stapsgewijs:

2022:66 jaar en 7 maanden
2023:66 jaar en 10 maanden
2024:67 jaar


Vanaf 2025 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Wordt geen rekening gehouden met het principeakkoord, waarin is afgesproken dat een verhoging van de levensverwachting met 1 jaar wordt vertaald in 2/3 jaar langer doorwerken en 1/3 jaar langer AOW, dan zou de AOW-leeftijd 67 jaar en 3 maanden bedragen.

Minister Koolmees van SZW heeft echter al aangegeven dat, anticiperend op de wet- en regelgeving van het principeakkoord de AOW-leeftijd ook voor 2025 op 67 jaar wordt vastgesteld.

Voor 2020 is, gezien de ontwikkeling van de levensverwachting, geen verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd voorzien. Uit de formule: V = (L-18,26) – (P-65) van artikel 18a Wet LB blijkt dat de uitkomst, bij een geprognotiseerde macro gemiddelde resterende levensverwachting (L) van 20,75 jaar voor 2025, kleiner is dan 1. De pensioenrichtleeftijd blijft voor 2020 gehandhaafd op 68 jaar. Ook in 2021 blijft de pensioenrichtleeftijd bij geprognotiseerde macro gemiddelde resterende levensverwachting (L) van 21,43 jaar in 2021 op 68 jaar gehandhaafd.

Doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd

Als gevolg van de invoering van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd is de kloof tussen de AOW- en de pensioen(richt)leeftijd groter geworden. Aangezien in de meeste arbeidscontracten een pensioenontslagbeding is opgenomen, eindigt het dienstverband in de regel bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Ook als een dergelijk beding niet is opgenomen in de arbeidsovereenkomst kan de werkgever relatief eenvoudig afscheid nemen van de desbetreffende werknemer. Heeft de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die bij het ontbreken van een pensioenontslagbeding zou doorlopen na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, dan kan de werkgever de arbeidsovereenkomst op zeggen. Dit kan zonder tussenkomst van het UWV of van de rechter. Bovendien hoeft de werkgever de wettelijke opzegtermijn niet in aanmerking te nemen om de werknemer te ontslaan. Die wettelijke opzegtermijn voor de werkgever varieert, afhankelijk van de duur van het dienstverband, van 1 tot 4 maanden. Voor werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, geldt een opzegtermijn van één maand (artikel 7:672 BW), ongeacht de duur van de wettelijke opzegtermijn.

Als het dienstverband al dan niet door middel van opzegging wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, impliceert dit vaak een flinke inkomensterugval. Het salaris maakt plaats voor de AOW-uitkering, terwijl het werkgeverspensioen pas bij het bereiken van de hogere pensioenleeftijd volgens de geldende pensioenregeling wordt uitgekeerd. Doorwerken na de AOW-leeftijd kan voor de werknemer aantrekkelijk zijn.

Aandachtspunten bij doorwerken na de AOW-leeftijd

Loondoorbetaling bij ziekte

De hoofdregel is dat de werkgever gedurende 104 weken het loon voor ten minste 70% (tot het maximumdagloon) moet doorbetalen. In veel cao’s en arbeidsvoorwaarden is bepaald dat gedurende het eerste jaar 100% wordt doorbetaald, De ondergrens is in de eerste 52 weken gelijk aan het wettelijk minimumloon.

Voor AOW-gerechtigde werknemers geldt een afwijkende loondoornbetalingsverplichting. Als een werknemer doorwerkt na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en de ziekte zich al vóór het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd heeft gemanifesteerd, geldt een maximale loondoorbetalingsperiode van 6 weken, gemeten vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd, waarbij de totale loondoorbetalingsperiode niet meer dan 104 weken kan bedragen (artikel 7:629 BW).

Voor AOW-gerechtigde werknemers die doorwerken en na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd ziek worden, geldt een loondoorbetalingsperiode van maximaal 13 weken (Artikel VIIIa Overgangsrecht Burgerlijk Wetboek in de Wet werken na AOW-gerechtigde leeftijd).

Loon bij doorwerken na AOW-gerechtigde leeftijd

Naast de maatregelen betreffende de opzegtermijn en de loondoorbetaling bij ziekte, geldt dat alle werknemers recht hebben op het minimumloon. Dat geldt dus ook voor AOW-gerechtigde werknemers Verder moet het loon blijven voldoen aan de cao-regels. Het mag dus niet zo zijn dat een oude werknemer minder verdient dan een jonge werknemer met dezelfde functie.

Pensioen en doorwerken en doorwerken na AOW-gerechtigde leeftijd

Als het dienstverband bij het bereiken van de AOW-leeftijd eindigt, wordt in de regel niet alleen het inkomen lager, maar ook het pensioen. Men mist immers een aantal dienstjaren als de pensioenopbouw stopt bij het bereiken van de AOW-leeftijd, terwijl de pensioenleeftijd volgens de pensioenregeling hoger is dan de AOW-leeftijd.

Dat zal nog zwaarder voelen als het pensioen noodgedwongen moet worden vervroegd als de AOW-uitkering ontoereikend blijkt te zijn om van te leven. Het pensioenresultaat gaat dan nog verder omlaag, omdat bij vervroeging het pensioen over een langere periode uitgekeerd moet worden. Doorwerken kan dan extra aantrekkelijk zijn.

Er wordt weer loon ontvangen, de opbouw van het ouderdomspensioen gaat door en de dekking voor het nabestaandenpensioen blijft in stand, zeker als sprake is van een premieovereenkomst, waarbij het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioenleeftijd op risicobasis is verzekerd. Immers, bij beëindiging van het dienstverband vervalt de risicodekking.

Reparatie VUT, prepensioen, (nabestaanden)overbruggingspensioen en overbruggingslijfrenten

In het kader van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd stijgt de AOW-leeftijd met ingang van 1 januari 2020 minder sterk dan aanvankelijk was voorzien. Voor sommigen is de AOW-leeftijd zelfs verlaagd. Dit kan gevolgen hebben voor ingegane uitkeringen uit VUT-regelingen, (nabestaanden)overbruggings- en prepensioenen en overbruggingslijfrenten. Hoofdregel is immers dat deze uitkeringen moeten eindigen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

In het besluit van 13 december 2019 is goedgekeurd dat als de AOW-leeftijd na ingang van de uitkeringen wordt verlaagd, ook uitgegaan mag worden van de AOW-leeftijd die van toepassing was vóór deze verlaging. Er zijn dan 2 opties:

  • Uitkeren tot de oorspronkelijk geldende AOW-leeftijd vóór de temporisering van de verhoging of
  • Uitkeren tot de nieuwe verlaagde AOW-leeftijd

Externe links

Informatie

  • Pensioen
  • Donderdag 19 maart 2020

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie