De fiscale waardering van pensioenen in ‘intern’ en ‘extern’ eigen beheer

De ontwikkeling van de waardering van de pensioenverplichting in eigen beheer heeft een rijk verleden achter de rug, zowel voor wat betreft de waardering in ‘intern’ als in ‘extern’ eigen beheer.

In deze beschouwing wordt bij dat verleden stilgestaan met als doel een beeld te schetsen van de huidige fiscale waardering van pensioenen in ‘intern’ en ‘extern’ eigen beheer (buiten fiscale eenheid) na de invoering van de Wet uitfasering van pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (Wet uitfasering PEB).

Onderscheid ‘intern’ en ‘extern’ eigen beheer

Aangezien de fiscale waardering niet in alle gevallen hetzelfde is, wordt onderscheid gemaakt tussen ‘intern’ en ‘extern’ eigen beheer’.

Van ‘intern’ ook wel ‘zuiver’ eigen beheer genoemd, is sprake als het pensioen is verzekerd bij het eigenbeheerlichaam dat ook de pensioentoezegging heeft gedaan (werk-bv).

Bij ‘extern’ eigen beheer is het eigenbeheerlichaam dat de pensioenregeling uitvoert (pensioen-bv of holding bv) een ander dan het eigenbeheerlichaam dat die pensioentoezegging heeft gedaan.

Historie intern eigen beheer

Globaal kan de ontwikkeling van de waardering van pensioenen in intern eigen beheer worden ingedeeld in de periode tot en de periode vanaf 1995. Vanaf 1 januari 1995 is de actuariële waardering van pensioenen verplicht gesteld door de invoering van artikel 9b Wet IB 1964, het huidige artikel 3.29 Wet IB 2001.  

Periode vóór 1 januari 1995

Uitgangspunt voor de waardering van pensioen in eigen beheer is het beginsel van goed koopmansgebruik, gekenmerkt door het realiteits-, het eenvouds- en het voorzichtigheidsbeginsel. Op basis van deze beginselen zijn in de loop der jaren een drietal waarderingsstelsels voor pensioenverplichtingen ontstaan:

  1. Het omslagstelsel 
  2. Het rentedekkingsstelsel
  3. Het kapitaaldekkingsstelsel

In tegenstelling tot het omslagstelsel, waarbij geen voorziening voor toekomstige uitkeringen wordt gevormd, en tot het rentedekkingsstelsel, waarbij de pensioenverplichting ter hoogte van het doelvermogen, pas op de pensioendatum wordt opgevoerd; heeft het kapitaaldekkingsstelsel als voordeel dat gedurende de actieve jaren al pensioenlasten ten laste van de winst gebracht konden worden.

Hiervoor stonden drie methoden ter beschikking:

  1. De lineaire methode
  2. De intrestmethode
  3. De actuariële methode

Al deze methoden hebben hetzelfde uitgangspunt. Het vormen van het doelvermogen, zijnde de actuariële contante waarde van de pensioenuitkeringen op de pensioendatum. Het verschil tussen de drie methoden is de wijze waarop naar dat doelvermogen wordt ‘toegespaard’.

Bij de lineaire methode, de naam zegt het al, wordt het doelvermogen in de opbouwfase jaarlijks lineair in gelijke delen verdeeld. De pensioenverplichting is dan gelijk aan:

De lineaire methode was uitsluitend weggelegd voor die situaties waarin de pensioenverplichting in het eigenbeheerlichaam dat de pensioentoezegging had gedaan was ondergebracht, dus in ‘zuiver’ of ‘intern’ eigen beheer. Was het pensioen ondergebracht in een ander eigenbeheerslichaam dan kon de lineaire methode niet worden toegepast.

Bij de intrestmethode wordt in de opbouwfase wel rekening gehouden met intrest, maar niet met overlevings- en sterftekansen. De gehanteerde rekenrente daarbij bedraagt ten minste 4%. Dat kan op 2 manieren:

  • Via de koopsommethode
  • Via de premiemethode

Bij de actuariële methode wordt in de opbouwfase naast een rekenrente van 4% ook nog rekening gehouden met overlevings- en sterftekansen. Ook hier kan onderscheid worden gemaakt tussen de koopsom- en de premiemethode (zie hierna).

Merk op dat in deze periode voor wat betreft de bepaling van het doelvermogen wel gebruik wordt gemaakt van de verzekeringswiskunde (actuariële contante waarde), maar in de opbouwfase, met uitzondering van de actuariële methode, niet. 

Periode vanaf 1 januari 1995

Per 1 januari 1995 werd artikel 9b Wet IB 1964 ingevoerd.

Artikel 9b Wet IB 1964
De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4 percent.

Volgens de Memorie van Toelichting is door de ontwikkeling van de computertechniek de vaststelling van de pensioenvoorziening op actuariële grondslagen veel eenvoudiger geworden. Daarom werd voor de toepassing van de lineaire methode, die tot dan toe op grote schaal werd toegepast, geen rechtvaardiging meer aanwezig werd geacht. Hiermee kwam een einde aan alle niet-actuariële waarderingsmethoden. Anderzijds kwamen nieuwe actuariële waarderingsmethoden bovendrijven.

Ontwikkeling nieuwe actuariële waarderingsmethoden

In eerste instantie bestond de actuariële methode uit de koopsom- en de premiemethode. Dit waren echter niet de enig twee waarderingsmethoden. Als gevolg van wijzigingen in de wet- en regelgeving en omdat nergens concreet was aangegeven wat onder "algemeen aanvaarde actuariële grondslagen" moest worden verstaan, werd naar alternatieve stelsels van lastenberekening en waarderingsgrondslagen gezocht, die tot een zo optimaal (lees: zo hoog mogelijke) reservering leidden. Deze werden gevonden in de premie-bij-indiensttredingsmethode en in de premie-koopsommethode.

In beginsel waren er een viertal waarderingsmethoden:

  1. De koopsommethode
  2. De premiemethode
  3. De premie-bij-indiensttredingsmethode
  4. De premie-koopsommethode

Koopsommethode
Bij de koopsommethode wordt per balansdatum een actuariële koopsom bepaald voor de op dat moment tijdsevenredig opgebouwde pensioenaanspraken. Bij eindloonregelingen traden geen problemen op met betrekking tot de backservice-rechten. De pensioenverhogingen die betrekking hadden op de verstreken diensttijd (backservice verhogingen) waren steeds ‘afgefinancierd’. Wel dient rekening te worden gehouden met eventueel herverzekerde aanspraken. Bijzondere aandacht verdient het nabestaanden- (partner)pensioen. Zie hiervoor de beschouwing over het vooroverlijdensrisico.

Premiemethode
De premiemethode gaat uit van het gelijkelijk spreiden van de pensioenlasten over de looptijd, rekening houdend met sterfte en intrest. De gelijkblijvende premie wordt actuarieel bepaald en blijft gelijk tot dat zich een verhoging van de aanspraken voordoet, voortvloeiend uit een verhoging van de pensioengrondslag.

Bij een eindloonregeling leidt een verhoging van de pensioengrondslag tot een verhoging van de reeds opgebouwde pensioenaanspraken (backservice). Deze backservicelast werd tot 1 januari 2000 met behulp van inhaalpremies, ‘afgefinancierd’. Vanaf 1 januari 2000 was deze uitstelfinanciering niet meer toegestaan en moest de backservicelast steeds volledig afgefinancierd zijn (zie premie-koopsommethode).

Ten aanzien van het vooroverlijdensrisico geldt hetzelfde als opgemerkt bij de koopsommethode.

Premie-bij-indiensttredingsmethode
Uitgaande van een eindloonregeling rekent de premie-bij-indiensttredingsmethode bij elke salarisverhoging een nieuw doelvermogen uit. Op basis van dat nieuwe doelvermogen wordt vervolgens een actuariële premie berekend onder de veronderstelling dat deze premie vanaf de datum indiensttreding steeds was voldaan. Dit resulteerde in een pensioenverplichting die gelijk was aan de tot de berekeningsdatum actuarieel opgerente (actuariële) premies. Aangezien de premie-bij-indiensttredingsmethode in de meeste gevallen tot de hoogste tussentijdse pensioenverplichting leidde, werd deze methode sinds 9 augustus 2002 na goedkeuring door de Hoge Raad, veelvuldig toegepast.

Per 1 januari 2004 kwam hieraan een eind als gevolg van de invoering van artikel 8, lid 6 Wet Vpb. Dit artikel bepaalde dat, in aanvulling op artikel 3.29 Wet IB 2001, de pensioenverplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars wordt toegepast. De premie-bij-indiensttredingsmethode voldeed niet aan deze eis, omdat deze bij verzekeraars niet werd toegepast.

Ten aanzien van het vooroverlijdensrisico geldt hetzelfde als opgemerkt bij de koopsommethode.

Premie-koopsommethode
Met de invoering van een verbod op uitstelfinanciering diende vanaf 1 januari 2000 de backservice in één keer afgefinancierd te worden. Met andere woorden, voor zover de stijging van het doelvermogen betrekking had op de verstreken diensttijd, moest de contante waarde van die stijging ineens afgefinancierd worden. Hiermee kwam een einde aan de gelijkblijvende premiemethode. Deze veranderde als het ware in de premie-koopsommethode. Zodra een backservicelast optrad, moest deze worden ‘afgefinancierd’ met een koopsom en voor de toekomstige opbouw (coming service) moest weer een nieuwe actuariële premie worden berekend.

Op 28 september 2001 heeft de Hoge Raad de premie-koopsommethode officieel als algemeen aanvaarde actuariële berekeningsmethode goedgekeurd.

Op het moment van invoering van de Wet uitfasering PEB waren er dus nog maar twee waarderingsmethoden van toepassing:

  • De koopsommethode
  • De premie-koopsommethode

Vooroverlijdensrisico

Uit jurisprudentie is gebleken dat het in strijd is met goed koopmansgebruik om voor het risico van overlijden van de pensioengerechtigde vóór pensioeningangsdatum een voorziening te vormen, naast het (tijdsevenredige) doelvermogen. In een uitspraak van 14 juni 2000 bepaalde de Hoge Raad dat het vooroverlijdensrisico als een separate, naast het doelvermogen staande verplichting, beschouwd moet worden, zodat daarvoor geen voorziening mag worden gevormd. In het zogenaamde Baksteen-arrest (26-08-1998) bepaalde de Hoge Raad dat met betrekking tot toekomstige uitgaven alleen een voorziening mag worden gevormd als:

  • Die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan
  • Aan die periode kunnen worden toegerekend
  • Waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat die uitgaven zich zullen voordoen

Het opvoeren van een verplichting voor het partnerpensioen bij vooroverlijden werd in strijd met goed koopmansgebruik geacht, aangezien aan bovenstaande voorwaarden niet was voldaan. Er werd geen behoorlijke kans aanwezig geacht dat die uitgaven ten behoeve van het partnerpensioen zouden optreden. Bovendien werden die uitgaven niet opgeroepen door de bedrijfsvoering over verstreken jaren.

Overlevingstafels en leeftijdsterugstellingen

Op 13 maart 1996 bepaalde de Hoge Raad dat het niet in strijd was met goed koopmansgebruik om een leeftijdsterugstelling op de meest recente overlevingstafel toe te passen van 5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. Die leeftijdsterugstelling vloeide voort uit:

  • Een technische correctie
  • Een correctie vanwege autoselectie

De technische correctie ziet op een correctie van de overlevingstafels wegens verbeterde levensverwachtingen in het algemeen. De correctie vanwege de zogenoemde autoselectie ziet op de ervaring van levensverzekeringsmaatschappijen dat diegenen die een lijfrente bedingen doorgaans langer plegen te leven en dus een hogere levensverwachting hebben dan andere leeftijdsgenoten. Tot en met 31 december 2003 was het voor de fiscale waardering dan ook zeer gebruikelijk om een man vijf jaar en een vrouw zes jaar jonger te maken op de meest recente overlevingstafel.

Met de invoering van artikel 8, lid 6 Wet Vpb op 1 januari 2004 kwam, zoals gezegd, een einde aan de premie-bij-indiensttredingsmethode. Maar dat was nog niet alles. Het artikel bepaalde ook dat bij de fiscale waardering van de pensioenverplichting geen overlevingstafel kan worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen over de toekomstige levensverwachtingen. Bovendien kon een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

Vanaf 1 januari 2004 geldt dat voor de fiscale waardering van de pensioenverplichting, welke is gebaseerd op de meest recente overlevingstafel, geen leeftijdsterugstellingen toegepast mogen worden.

In de regel worden de overlevingstafels van het Actuarieel Genootschap (AG-tafels) gebruikt. Deze tafels worden jaarlijks gepubliceerd. De meest recente (mei 2021) periodetafels zijn GBM-GBV 2014-2019. Dat betekent echter niet dat er geen andere overlevingstafels mogelijk zijn. Op 2 februari 2012 bepaalde Hof Amsterdam dat CBS-tafel 2007 voor de waardering van de pensioenverplichting in overeenstemming is met algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

Rekenrente

Volgens goed koopmansgebruik moeten pensioen- en andere soortgelijke verplichtingen worden gewaardeerd met gebruikmaking van de geldende marktrente voor langlopende leningen en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Bij een stijging van de verplichting als gevolg van een verzwaring – per saldo – van de grondslagen mogen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting – per saldo – van die grondslagen dienen de verplichtingen dienovereenkomstig lager te worden gewaardeerd, doch niet lager dan zij worden gewaardeerd met gebruikmaking van de oorspronkelijk gehanteerde grondslagen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het marktrentebesluit. Dit vloeit voort uit jurisprudentie en het besluit betreffende de waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten van 3 juli 2008. Dit besluit is in het kader van de Wet uitfasering PEB geactualiseerd en vervangen door het besluit van 19 maart 2019. Is de marktrente lager dan 4%, dan moet de pensioenverplichting gewaardeerd worden tegen een rekenrente van 4% overeenkomstig artikel 3.29 Wet IB 2001. 

Indexatie

In het befaamde coming-backservice-arrest van 8 december 1971 stelde de Hoge Raad dat het niet in strijd was met goed koopmansgebruik om bij de jaarlijkse winstbepaling rekening te houden met pensioenaanspraken die voortvloeien uit na de balansdatum optredende salarisverhogingen als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling, in casus welvaartstoename en/of inflatie. Zonder nadere regelgeving zou deze uitspraak enorme budgettaire gevolgen hebben, zodat de wetgever zich genoodzaakt voelde om in te grijpen. Bij de Wet van 10 december 1975 (Stb. 680) werden toen de artikelen 9a en 13, tweede lid Wet IB 1964 ingevoerd. In eerste instantie met een voorlopige geldigheidsduur, maar uiteindelijk permanent.

Hoofdregel van artikel 9a Wet IB 1964 was dat bij de jaarwinstbepaling geen rekening gehouden mag worden met toekomstige kosten en lasten in verband met wijzigingen van lonen en prijzen na afloop van het jaar, ook al zouden die kosten en lasten reeds vaststaan. Voor pensioenregelingen waren nog extra voorwaarden opgenomen. Indexatielasten mochten alleen ten laste van de winst worden gebracht als daarvoor in de premies of koopsommen werd betaald aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij en die indexatie niet hoger was dan 4% per jaar. Bij koopsommen of premies gebaseerd op een rekenrente van ten minste 4% werd geen verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar aanwezig geacht.

In de artikelen 3.26 t/m 3.28 Wet IB 2001 is de inhoud van artikel 9a Wet IB 1964 nagenoeg in dezelfde bewoordingen terug te vinden.

Ten aanzien van de indexatie kan onderscheid worden gemaakt tussen een “vaste” en een “open” indexatie. Van een open indexatie is sprake als in de pensioenregeling is bepaald dat ingegane pensioenen en de opgebouwde rechten vóór de pensioendatum zoveel mogelijk worden aangepast aan de loon- of prijsontwikkeling. In navolging van het arrest van 14 april 2006, waarin de Hoge Raad bepaalde dat de waarde van een open geïndexeerd pensioenrecht kan worden bepaald door uit te gaan van de waarde van een pensioen met vaste indexatie, is in het besluit van 3 juli 2008, later vervangen door het besluit van 19 maart 2019, goedgekeurd dat de waarde van een open geïndexeerd pensioenrecht in de uitstelfase kan worden bepaald door uit te gaan van een pensioen met een (fictieve) vaste indexatie van 2% per jaar.

Tot slot zij opgemerkt dat in navolging van het arrest van de Hoge Raad (28 juni 2000) de pensioenverplichting gewaardeerd moet worden op basis van de marktrente rekening houdend met de indexatieverplichting, met dien verstande dat de gesaldeerde rekenrente ten minste 4% moet zijn. In V&A 09-004 wordt dit met een drietal voorbeelden toegelicht.

Is de marktrente 7% en de indexatie 2% dan is de gesaldeerde rekenrente ongeveer 5% en dient de pensioenverplichting op basis van 7% rekening houdend met de indexatie van 2% gewaardeerd te worden.

Is de marktrente 5% en de indexatie 2% dan is de gesaldeerde rekenrente ongeveer 3%, zodat de pensioenverplichting gewaardeerd moet worden op basis van een rekenrente van 4% (exclusief indexatie).

Is de marktrente lager dan 4%, zoals de afgelopen 15 jaar het geval is geweest, moet de pensioenverplichting, ongeacht een toegezegde indexatie, worden gewaardeerd op een rekenrente van 4%.

Kortom, als rekening wordt gehouden met een indexatieverplichting op een zodanige wijze dat het saldo van rekenrente en indexatie tenminste 4% bedraagt, dan wordt voor de toepassing van artikel 3.26 Wet IB2001 geen rekening gehouden met indexatie-elementen, zo blijkt uit artikel 3.28 Wet IB 2001. 

Op grond van het bovenstaande en de huidige markrente kan worden geconcludeerd dat voor pensioenen in intern eigen beheer geen rekening gehouden kan worden met indexaties.

Historie ‘extern’ eigen beheer

Een groot deel van de wet- en regelgeving die van toepassing is op de waardering van pensioenen in ‘intern’ eigen beheer is ook van toepassing op de waardering in ‘extern’ eigen beheer, maar er zijn ook belangrijke verschillen.

Actuariële methode

In tegenstelling tot de waardering van pensioenen in ‘intern’ eigen beheer moest de pensioenverplichting in extern eigen beheer al ruim voor de invoering van artikel 9b Wet IB 1964 op basis van actuariële grondslagen volgens de koopsom- of de premiemethode (lasten minus baten methode) worden gewaardeerd, waarbij een rekenrente van ten minste 4% moest worden gehanteerd. Dit blijkt onder andere uit de Besluit van 11 oktober 1984. Analoog aan de ontwikkelingen voor ‘intern’ eigen beheer kwamen ook hier de premie-bij-indiensttredingsmethode en de premie-koopsommethode tot bloei, om vervolgens op dezelfde wijze weer te verdwijnen. 

Beperking fiscale faciliteiten pensioen-bv

De ontwikkeling van de fiscale wet- en regelgeving ten aanzien van de pensioen-bv kenmerkt zich door een steeds verdergaande beperking van de fiscale faciliteiten. De huidige fiscale behandeling van de pensioen-bv is in belangrijke mate de resultante van een opeenvolging van fiscale maatregelen gericht op het meer en meer in overeenstemming brengen van het karakter en de opzet van de pensioen-bv met dat van professionele pensioenuitvoerders.

Zonder hier nader op in te gaan noemen we enkele ingrijpende wijzigingen ten aanzien van het fiscale regime voor directiepensioenlichamen.

Brede Herwaardering I (01-01-1992)

Pensioen-bv’s waren vóór 1 januari 1992 subjectief vrijgesteld van de heffing van Vpb als aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Dit vloeide voort uit artikel 5, letter b Wet Vpb 1969 en artikel 3 Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. De werkzaamheden van de pensioen bv moesten in overeenstemming zijn met het doel (de verzorging van (gewezen) werknemers bij invaliditeit en ouderdom en partners en kinderen door middel van een pensioenregeling overeenkomstig de loonbelasting).

Met ingang van 1 januari 1992 kwam deze subjectieve vrijstelling te vervallen door een wijziging van artikel 5, letter b Wet Vpb 1969. Daarin werd bepaald dat pensioen-bv’s:

  • Waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit de uitvoering van pensioenregelingen
  • Ten behoeve van (gewezen) werknemers van nv’s of bv’s of andere vennootschappen
  • Waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld
  • Waarin deze (gewezen) werknemers, hun echtgenoten of partners, hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste 10% van het nominaal gestorte kapitaal, middellijk of onmiddellijk, aandeelhouder zijn of op enig moment zijn geweest

Niet zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting. Dit is thans opgenomen in artikel 5, lid 2 Wet Vpb 1969.

Met andere woorden, subjectieve vrijstelling is alleen mogelijk als de directeur-grootaandeelhouder samen met andere directeuren-grootaandeelhouders zijn pensioenvoorziening onderbrengt in een daartoe op te richten lichaam. Daarbij geldt als voorwaarde dat de directeur-grootaandeelhouder (samen met echtgenoot en naaste familieleden) in dit lichaam een direct of indirect belang heeft van minder dan 10% (overeenkomstig het criterium voor de subjectieve vrijstelling van het lichaam voor de vennootschapsbelasting). Dit impliceert dat het moet gaan om een samenwerking tussen ten minste elf directeuren-grootaandeelhouders.

Bovendien moet aan de overige voorwaarden zijn voldaan:

  • Doelstellingseis: verzorging via pensioenregeling (artikel 5, lid 1 sub b Wet VpB)
  • Werkzaamhedeneis: statutaire en feitelijke werkzaamheden overeenkomstig het doel
  • Winstbestemmingseis: alle winsten (incl. liquidatiesaldo) van het lichaam, met uitzondering van een uitkering tot ten hoogste 5% per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, zowel statutair als feitelijk moet worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb vrijgesteld pensioenlichaam of een algemeen maatschappelijk belang (artikel 3 UB Vpb)

Brede Herwaardering II (01-01-1995)

Voor de pensioenopbouw in eigen beheer betekende de Brede Herwaardering II een beperking van de kring van verzekeraars. Met de invoering van artikel 11b Wet LB 1964 werd uitputtend bepaald bij welke fiscaal toegelaten pensioenuitvoerders de pensioenen konden worden verzekerd.

Voor eigen beheer werd een koppeling gemaakt met de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Dit betekende dat de pensioen-bv vanaf 1 januari 1995 alleen pensioenen mocht verzekeren, die op grond van de PSW (en later de PW) niet verplicht bij een verzekeraar of een pensioenfonds moesten worden veiliggesteld.

Waardering in ‘extern’ eigen beheer

Net als voor ‘intern’ eigen beheer, geldt dat de artikelen 3.25 tot en met 3.29 van de Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6 Wet Vpb 1969 ook van toepassing zijn als de pensioenen in ‘extern’ eigen beheer zijn verzekerd.

Het grote verschil tussen ‘intern’ en ‘extern’ eigen beheer is dat dat bij ‘intern’ eigen beheer min of meer sprake is van een boekhoudkundige handeling, zonder dat hiervoor feitelijk bedragen worden gereserveerd. Bij ‘extern’ eigen beheer worden in feite commerciële premies en/of koopsommen aan het externe eigenbeheerslichaam betaald. Dit zijn premies en/of koopsommen op basis van de geldende marktrente, waarin ook leeftijdsterugstellingen, indexaties en kostenopslagen zijn begrepen. De pensioenverplichting in het ‘externe’ eigenbeheerlichaam moet echter fiscaal gewaardeerd moeten worden. Daarin zitten ook de verschillen.

Voor de waardering van de pensioenverplichting in ‘extern’ eigen beheer is het Besluit waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten van 3 juli 2008 van belang. Dit besluit is in het kader van de Wet uitfasering PEB geactualiseerd bij het besluit van 19 maart 2019.

Besluit waarderingsaspecten pensioenen en lijfrenten (3 juli 2008 en 13 maart 2019)

Volgens goed koopmansgebruik moeten pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen worden gewaardeerd met gebruikmaking van de geldende marktrente voor langlopende leningen en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Bij extern eigen beheer gaat het daarbij om de verplichtingen die voortvloeien uit de pensioentoezegging en de door het extern eigenbeheerlichaam op zakelijke basis ontvangen premies of koopsommen.

Dit betekent dat zowel ingegane als niet ingegane pensioenen op de winstbepalende balans gewaardeerd moeten worden tegen de grondslagen van het tarief, zoals dat heeft gegolden bij de vaststelling van de ontvangen premies of koopsommen. Bij een stijging van de waarde van de verplichting als gevolg van een verzwaring – per saldo – van de grondslagen, mag de verplichting dienovereenkomstig hoger worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting – per saldo – van de grondslagen moet de verplichting dienovereenkomstig lager worden gewaardeerd, maar niet lager dan op basis van de oorspronkelijk gehanteerde grondslagen.

In het besluit is aangegeven dat bij de waardering van de pensioenverplichtingen pensioenlichamen kunnen aansluiten bij het marktrenterentebesluit. Echter, als deze marktrente lager is dan 4%, moeten de pensioenverplichtingen op grond van artikel 3.29 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969 worden gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 4%.

Hetgeen voor de waardering van de pensioenverplichting in ‘intern’ eigen beheer is opgemerkt ten aanzien van overlevingstafels en leeftijdsterugstellingen geldt ook voor de waardering van de pensioenverplichting in extern eigen beheer. Ten aanzien van de indexaties en het vooroverlijdensrisico zijn er echter belangrijke verschillen.

Indexatie

In tegenstelling tot ‘intern’ eigen beheer geldt voor de waardering van de pensioenverplichting in ‘extern’ eigen beheer dat wel rekening gehouden mag worden met de indexatie.

Als het ‘externe’ pensioenlichaam (commerciële) premies of koopsommen heeft ontvangen, waarin een vergoeding voor toekomstige inflatie is begrepen, mag deze indexatieverplichting gepassiveerd worden, waarbij een rekenrente van tenminste 4% moet worden gehanteerd.

Dit vloeit voort uit het arrest van 14 april 2006, waarin de Hoge Raad bepaalde dat de waarde van een open geïndexeerd pensioenrecht kan worden vastgesteld door uit te gaan van de waarde van een pensioen met vaste indexatie (zie hierna). Tot die uitsprak van de Hoge Raad werd het standpunt gehuldigd dat voor open index pensioenen geen vergelijkbare verzekeringstarieven voor handen waren en derhalve de waardering moest plaatsvinden op netto-actuariële basis met een rekenrente van tenminste 4%.

Voor pensioenen met een vaste indexatie, waarvoor in het verleden zakelijke premies of koopsommen zijn ontvangen, mag bij de waardering van de pensioenverplichting rekening worden gehouden met die vaste indexatie. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin bij het pensioenlichaam een pensioen met open indexatie is verzekerd en waarbij in navolging van voornoemde uitspraak, voor de premie- of koopsomberekening is uitgegaan van een fictieve vaste indexatie van 2%.

Vooroverlijdensrisico

Als het extern eigenbeheerlichaam premies of koopsommen heeft ontvangen ter dekking van het vooroverlijdensrisico mag hiermee bij de waardering van de pensioenverplichting in extern eigen beheer wel rekening worden gehouden.

Resumé waardering pensioen in ‘intern’ en ‘extern eigen beheer na uitfasering PEB

In bovenstaande beschouwing is een beeld geschetst van de ontwikkeling van de fiscale waardering van pensioenen in ‘intern’ én ‘extern’ eigen beheer.

Als gevolg van de invoering van de Wet uitfasering PEB is de pensioenopbouw in eigen beheer uiterlijk per 1 juli 2017 gestopt. De vraag is dan of dit nog consequenties heeft voor de waardering van pensioenen in eigen beheer. Het CAP beantwoordt deze vraag bevestigend. In V&A 20-001 wordt aangeven dat voor de waardering van pensioenen in eigen beheer na beëindiging van de pensioenopbouw in het kader van de Wet uitfasering PEB nog slechts de koopsommethode is toegestaan.

Inherent aan deze invoering van de verplichte wijziging van het waarderingsstelsel van de premie-/koopsommethode naar de koopsommethode treedt een gedeeltelijk vrijval op. Immers, in de premie-/koopsommethode is een zekere mate van voorfinanciering begrepen. Aangezien hiervoor geen overgangsrecht is vastgesteld die een dergelijke vrijval voorkomt, zal deze voorfinanciering vrijvallen in de winst van het eigenbeheerlichaam. 

Grondslagen waardering ‘intern’ eigen beheer

De fiscale waardering van de pensioenverplichting in ‘zuiver’ of ‘intern’ eigen beheer wordt geregeerd door de beginselen van goed koopmansgebruik op grond van artikel 3.25 Wet IB 2001 en in het bijzonder door hetgeen is opgenomen in de artikelen 3.26 t/m 3.29 Wet IB 2001 en art. 8, zesde lid, Wet Vpb 1969. Dit leidt tot de volgende actuariële grondslagen:

  • Koopsommethode
  • (Gesaldeerde) marktrente, maar ten minste 4%
  • Geen voorziening vooroverlijdensrisico
  • Geen indexatie
  • Geen leeftijdsterugstellingen op de meest recente overlevingstafel

Met al deze factoren moet jaar in jaar uit rekening worden gehouden bij de bepaling van de fiscale balanswaardering van pensioenen in ‘intern’ eigen beheer.

Grondslagen waardering ‘extern’ eigen beheer

In tegenstelling tot de waardering van pensioenen in ‘intern’ eigen beheer, gelden voor de waardering in ‘extern’ eigen beheer enkele nuanceringen. Dit leidt tot de volgende actuariële grondslagen voor ‘extern’ eigen beheer:

  • Koopsommethode
  • Marktrente, maar ten minste 4%
  • Voorziening vooroverlijdensrisico toegestaan mits premies/koopsommen ontvangen
  • Indexatie toegestaan mits premies/koopsommen ontvangen
  • Open indexatie via fictieve vaste indexatie van 2%
  • Geen leeftijdsterugstellingen op de meest recente overlevingstafel

Met al deze factoren moet jaar in jaar uit rekening worden gehouden bij de bepaling van de fiscale balanswaardering van pensioenen in intern eigen beheer.

Informatie

  • DGA Pensioen & ODV, Directeur-grootaandeelhouder, Fiscale winstbepaling
  • EQF 7
  • 1 PE punt(en)
  • Dinsdag 28 september 2021

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie