De ODV en lijfrenten

De afgelopen jaren zijn DGA’s druk geweest hun pensioen uit te faseren. In 45.000 van de gevallen is het pensioen afgekocht en in 53.000 van deze gevallen is het pensioen omgezet in een ODV. Maar wat kan ik eigenlijk met die ODV? In dit artikel bespreek in de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ODV en de omzettingsmogelijkheden in een lijfrente.

De praktijk

Nu de pensioenen van DGA’s zijn uitgefaseerd kan de balans worden opgemaakt. 45.000 pensioenverplichtingen zijn afgekocht en 53.000 omgezet in een ODV. De overige 40.000 pensioenverplichtingen zijn gewoon in stand gebleven.

Als het pensioen in omgezet in een ODV, kan deze ODV in de BV blijven staan en aldaar regulier worden afgewikkeld. Dat betekent dan vanaf de AOW leeftijd in 20 jaar uitkeren, dan wel langer als de uitkeringen eerder dan de AOW leeftijd in moeten gaan. Bij overlijden in de uitkeringsfase gaan de uitkeringen over op de erfgename(n) en bij vooroverlijden dient binnen 12 maanden een uitkering in te gaan die 20 jaar duurt. So far, so good. Maar wat nu als ik de ODV wil afstorten bij een bank (of verzekeraar) als lijfrente?

Afstorten als lijfrente

Tot aan de uiterste ingangsdatum (AOW leeftijd) kan de ODV vrijelijk worden afgestort als lijfrente. Dit kan zelfs ook in gedeelten waardoor nog enige flexibiliteit in de hoogte van de uitkeringen kan worden bewerkstelligd. Bij een ODV van € 200.000 kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om de helft af te storten en daar een tijdelijke lijfrente van circa € 20.000 per jaar van aan te kopen. De overige € 100.000 kan in de BV blijven staan en een uitkering van € 5.000 per jaar opleveren. Zo ontstaat feitelijk een soort hoog/laag constructie. Ook kunnen (een deel van) de uitkeringen door afstorten indien gewenst, later ingaan dan de AOW leeftijd. Immers, in het lijfrenteregime is de uiterste ingangsdatum 5 jaar na de AOW leeftijd.

Nieuw pensioenstelsel

Recentelijk is over bovenstaande mogelijkheid enige twijfel ontstaan. In het Wetsvoorstel Toekomst Pensioenen wordt gesproken over het harmoniseren van de fiscale behandeling van de tweede pijler (werknemerspensioen) en derde pijler (lijfrentevoorzieningen) om te komen tot een meer ‘arbeidsvormneutraal pensioenkader’. Alle werkenden die pensioen opbouwen moeten dit dus doen volgens dezelfde fiscale spelregels. Zowel pensioen als lijfrente dienen levenslang (tenminste 20 jaar voor de bancaire variant) uit te keren. Het gevolg hiervan is volgens demissionair minister Koolmees van SZW dat de tijdelijke lijfrente zoals die nu nog bestaat, afgeschaft zou moeten worden. Naar de laatste stand van zaken lijkt dit plan echter niet door te gaan, althans dat meldt consumentenprogramma Radar.

Het Ministerie geeft aan dat het wetsvoorstel voor het pensioenstelsel nog voor advies bij de Raad van State en toezichthouders ligt. Zij kan het nieuwsbericht van Radar bevestigen noch ontkennen.

We moeten het dus in de gaten blijven houden, maar vooralsnog is de flexibiliteit met tijdelijke en levenslange uitkeringen dus nog steeds mogelijk.

Overgangsregime

Mocht het plan onverhoopt toch doorgaan dan komt er voor opgebouwd lijfrentekapitaal  een overgangsregime, dat er voor zal zorgen dat deze gelden nog wél kunnen worden gebruikt voor een tijdelijke oudedagslijfrente. De tijdelijke oudedagslijfrente moet minimaal 5 jaar duren en maximaal € 22.433 bedragen, langer mag ook uiteraard.

In dat geval moet echter de Oudedagsverplichting (ODV) nog voor 2023 afgestort zijn in een (bancaire) lijfrente om zodoende onder het overgangsregime te vallen. Even in de gaten blijven houden dus!

Uiteraard kan ook een déél van de ODV afgestort, bijvoorbeeld om precies 5 jaar de maximale uitkering te kunnen krijgen. En de keuze voor een tijdelijke of ‘levenslange’ oudedagslijfrente hoeft tot slot niet nu al gemaakt te worden. Dat kan nog tot aan de ingangsdatum, die maximaal 5 jaar na de AOW-datum mag liggen.

Praktijkvoorbeelden

Zolang de tijdelijke lijfrentevariant blijft bestaan, zijn er in de praktijk voldoende mogelijkheden om de ODV aan te wenden voor een flexibele oudedagsvoorziening.

Voorbeeld 1

Peter is DGA van zijn onderneming en bereikt dit jaar de AOW leeftijd. Hij is nog niet van plan te stoppen met werken, maar loopt aan tegen het feit dat de ODV vanaf de AOW leeftijd moet gaan uitkeren. In dat geval zou hij zowel salaris als ODV termijnen ontvangen, hetgeen hem (fiscaal) niet zo goed uitkomt. Is hier een oplossing voor?

Jawel, als Peter zijn ODV afstort in een (bancaire) lijfrente kan hij de eerste uitkering nog 5 jaar uitstellen.

Voorbeeld 2

Jaap is DGA en bereikt dit jaar de AOW leeftijd. Hij heeft een ODV van € 80.000. Als Jaap de ODV laat ingaan, betekent dit 20 jaar lang een uitkering van circa € 4.000. Daar zit hij niet zo op te wachten. Bovendien wil hij zijn BV eigenlijk liquideren. Is hier een oplossing voor?

Jazeker, Jaap kan ervoor kiezen zijn ODV af te storten in een (bancaire) lijfrente. Alsdan kan hij voor 5 jaar een uitkering van circa € 16.000 per jaar aankopen en de BV vervolgens liquideren.  

Voorbeeld 3

DGA Flipsen bereikt dit jaar de AOW leeftijd en heeft een ODV van € 400.000. Hij wil eigenlijk de eerste paar (5 of zo) jaar een wat hogere uitkering ontvangen omdat hij nog hypotheekrenteaftrek heeft. Dit kan helaas niet binnen de ODV. Deze keert immers gedurende 20 jaar circa € 20.000 per jaar uit zonder verdere flexibiliseringsmogelijkheden. Is hier een oplossing voor?

Ook hier kan de oplossing gevonden worden in het lijfrenteregime. De heer Flipsen zou bijvoorbeeld  € 100.000 kunnen afstorten in een (bancaire) lijfrente. Hier kan dan gedurende 5 jaar een uitkering van € 20.000 van worden aangekocht. De overige

€ 300.000 kan als ODV in de BV blijven en keert alsdan € 15.000 per jaar uit. Hierdoor heeft de heer Flipsen dus de eerste 5 jaar een uitkering van € 35.000 en daarna 15 jaar € 15.000. Uiteraard is het ook mogelijk om de resterende € 300.000 eveneens af te storten in een lijfrente.

Reeds ingegane uitkeringen

Ook als de ODV inmiddels is ingegaan (in de BV) kan deze nog steeds worden afgestort in een (bancaire) lijfrente. Er gelden echter ietwat andere regels. Deze zijn neergelegd in V&A 17-008. Ook als de ODV uitkeringen reeds zijn ingegaan kan de ODV worden afgestort als lijfrente maar dan alleen nog maar in zijn geheel en met goedkeuring van de inspecteur der belastingen. Ook dient aan de voorwaarden van het lijfrenteregime te worden voldaan, hetgeen er voor zorgt dat afstorting slechts mogelijk is tot 5 jaar na de AOW leeftijd. Ben ik 76 jaar oud en wil van mijn BV af, dan kan dat dus niet meer.

In het V&A is vervolgens de volgende passage opgenomen:

“Hierbij moet dan wel tevens worden voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.125 en 3.126a van de Wet IB 2001. De ODV kan hierdoor uiterlijk in het jaar waarin de dga de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de voor die dga geldende AOW-leeftijd worden aangewend voor de aanschaf van een lijfrenteproduct waarvan de termijnen toekomen aan de dga. Na het jaar waarin de AOW-leeftijd plus vijf jaar is bereikt, kan de ODV alleen nog worden aangewend voor de aanschaf van een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.”

Het enige dat ik dus nog zou kunnen doen als ik 76 ben, is mijn ODV afstorten voor mijn nabestaanden als nabestaandenlijfrente. De uitkeringen gaan dan dus pas in als ik kom te overlijden.

Nabestaandenlijfrente

Stel nu dat ik inderdaad 76 jaar oud ben, mijn ODV niet heb afgestort en kom te overlijden. De ODV vererft aan mijn 74 jarige weduwe en de uitkeringen gaan over op haar. Zij heeft echter niets met een BV en wil graag de ODV onderbrengen bij een bank.

Op grond van V&A 17-008 is mijn weduwe te oud om de ODV af te storten voor een eigen lijfrente. Zij blijft dus zitten met de BV. Kan het dan wellicht in de vorm van een nabestaandenlijfrente?

Het nieuwe V&A 20-008 geeft aan dat ook dat helaas niet tot de mogelijkheden behoort:

“De ODV kan volgens artikel 38p, eerste lid, Wet LB alleen worden aangewend voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct in de zin van artikel 3.125 of 3.126a van de Wet IB 2001. Een tijdelijke nabestaandenlijfrente die aan de erfgenaam zelf uitkeert, voldoet niet aan deze wettelijke bepalingen. Een nabestaandenlijfrente gaat immers in na het overlijden van de belastingplichtige of de (gewezen) partner van de belastingplichtige die de lijfrente heeft afgesloten. En daar is in de omschreven situatie geen sprake van.”

Als de uitkeringen over zouden gaan op de kinderen zou het wel goed moeten gaan. Alsdan zouden de kinderen kunnen besluiten de ODV af te storten, maar dan wel als eigen (oudedags)lijfrente. Dit zou een uitkomst kunnen bieden wanneer zij van de BV af willen, dan wel het inkomen van de lopende ODV termijnen in box I niet zo goed uitkomt.

Vooroverlijden

Tot slot nog aandacht voor het geval dat de DGA komt te overlijden voordat de ODV is ingegaan. De ODV kan dan in de BV worden afgewikkeld. Alsdan dienen binnen 12 maanden uitkeringen in te gaan die 20 jaar duren. Is dit ongewenst dan kan uiteraard ook worden besloten de ODV af te storten als lijfrente. Echter, dan wederom niet als nabestaandenlijfrente (V&A 20-008) maar als eigen (oudedags)lijfrente. Zo kan van de ODV van vader (of moeder natuurlijk) dus een soort eigen aanvullend pensioen worden gemaakt.

Conclusie

Afhankelijk van de fase waarin de (afwikkeling van) de ODV zich bevindt, kan in meer of mindere mate vrijelijk worden gekozen de ODV af te storten als lijfrente. Zeker zolang de combinatie van een tijdelijke en een ‘levenslange’ lijfrente mogelijk blijft en de benodigde liquiditeiten ook daadwerkelijk aanwezig zijn, kan de ODV prima worden gebruikt als inkomensplanningsinstrument. Een en ander eventueel nog aangevuld met oudere lijfrenten en/of pensioenen, die ook elk weer hun eigen specifieke mogelijkheden kennen.

Hierbij dient echter goed in de gaten te worden gehouden dat de keuzemogelijkheden na ingangsdatum van de ODV in eerste instantie een stuk minder flexibel zijn dan voor de ingangsdatum. Ook bij overlijden van de DGA bestaan verschillende keuzemogelijkheden voor de nabestaanden. Deze keuzes kunnen voor kinderen ruimer zijn dan voor de achterblijvende partner. Het is dan ook aan te raden om vooraf de verschillende mogelijkheden op een rijtje te zetten. Er valt immers nog steeds wat te kiezen.

Meer weten?
Wil je meer weten over de pensioenproblematiek van de DGA, schrijf je dan in voor schrijf je dan in voor onze Masterclass - Pensioenactualiteiten: de laatste stand van zaken en/of onze Masterclass - Uitfasering eigen beheer en wat nu?. Tijdens beide Masterclasses gaan we uitgebreid in op de actuele ontwikkelingen rondom het pensioen van de DGA. 

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Lijfrente
  • EQF 6
  • 0,5 PE punt(en)
  • Dinsdag 14 september 2021

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie