Geen bezwaarrecht verhoging pensioenleeftijd

De laatste jaren is de pensioenrichtleeftijd meermaals verhoogd. Bij de invoering van de Wet VPL in 2005 werd de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 65 jaar. Voor reeds bestaande regelingen moest de pensioenleeftijd uiterlijk in 2006 zijn aangepast. In 2014 werd de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 67 jaar (Wet VAP) en per 1 januari naar 68 jaar.

In het kader van de verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2014 naar 67 jaar hebben pensioenuitvoerders gevraagd of zij in hun pensioenregeling voor zowel bestaande als nieuwe pensioenaanspraken één pensioenleeftijd kunnen hanteren. Met andere woorden, kunnen de opgebouwde pensioenaanspraken met een lagere pensioenleeftijd automatisch worden aangepast aan een nieuwe fiscale pensioenrichtleeftijd?

Pensioenuitvoerders willen dat kunnen doen, zonder tussenkomst van de individuele pensioendeelnemers als sociale partners hen daarom verzoeken. Met één pensioenleeftijd voor alle opgebouwde aanspraken, kunnen de uitvoeringskosten worden beperkt. Daarnaast kunnen pensioenuitvoerders met één pensioenleeftijd de communicatie aan (gewezen) deelnemers eenvoudiger en helderder maken, waardoor (gewezen) deelnemers beter in staat zijn om de eigen pensioensituatie zo goed mogelijk te beoordelen.

De kwestie van de automatische verhoging werd extra actueel in verband met de verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar per 1 januari 2018 (zie aanpassing pensioenrichtleeftijd).

Pensioenrichtleeftijd

De fiscale pensioenrichtleeftijd is eigenlijk een rekenleeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fiscale opbouwruimte. De pensioenrichtleeftijd staat los van de feitelijke ingangsdatum van het pensioen. Pensioenuitvoerders mogen een lagere pensioenrekenleeftijd gebruiken, mits voor de fiscale facilitering van de pensioenregeling de opbouw- en/of premiepercentages daarop zijn aangepast, dan wel een hogere franchise of een lagere pensioengrondslag wordt gehanteerd. Ook een combinatie van beide is mogelijk.

Een verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd heeft geen invloed op de reeds opgebouwde pensioenaanspraken. De opgebouwde pensioenaanspraken op basis van een lagere pensioenleeftijd blijven gewoon staan tot de desbetreffende pensioenleeftijd wordt bereikt en worden dan uitgekeerd.

Een nieuwe fiscale pensioenrichtleeftijd impliceert dat pensioenuitvoerders te maken krijgt met een toenemend aantal verschillende pensioenleeftijden binnen ‘dezelfde’ pensioenregeling.

Als een deelnemer op een hogere pensioenleeftijd met pensioen wil gaan, dan moeten alle pensioenaanspraken met een lagere pensioenrichtleeftijd naar die hogere pensioenleeftijd worden herrekend. Er zou een aanzienlijke besparing op de uitvoeringskosten gerealiseerd kunnen worden als slechts één pensioenleeftijd geadministreerd hoeft te worden.

Bezwaarrecht

De automatische verhoging van de pensioenrichtleeftijd is een vorm van interne collectieve waardeoverdracht. Echter, in artikel 83 PW en artikel 91 van de Wvb (tekst 2017) was een regeling opgenomen voor collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever of de beroepspensioenvereniging. Daarbij was bepaald dat (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden een individueel bezwaarrecht hebben na een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten dan wel wijziging van de beroepspensioenregeling. Bovendien kan De Nederlandsche Bank een verbod tot waardeoverdracht opleggen.

Met andere woorden, zonder een wetswijziging was automatische verhoging van de pensioenrichtleeftijd niet mogelijk.

Wijziging Pensioenwet en vervallen individueel bezwaarrecht

Teneinde het individueel bezwaarrecht bij automatische verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd buiten werking te stellen, is artikel 83 PW en artikel 91 Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) met ingang van 1 januari 2018 gewijzigd.

In eerste instantie is artikel 83, lid 1 PW uitgebreid voor bedrijfstakpensioenfondsen. Het verzoek tot collectieve waardeoverdracht, dat was voorbehouden aan de werkgever, is uitgebreid met de partijen die de pensioenregeling zijn overeengekomen. Met andere woorden, bij (verplichtgestelde) bedrijfstakpensioenfondsen kunnen de sociale partners die de verplichtstelling hebben aangevraagd of anderszins de pensioenregeling zijn overeengekomen, een verzoek tot collectieve waardeoverdracht (verhoging pensioenrichtleeftijd) indienen.

Door toevoeging van een nieuw derde lid van artikel 83 PW vervalt het individuele bezwaarrecht voor zover dit ziet op een collectieve omzetting van de opgebouwde pensioenaanspraken in pensioenaanspraken met een hogere fiscale pensioenrichtleeftijd.

Voorwaarden

Voorwaarde is wel dat sprake moet zijn van een pensioenleeftijd die op enig moment in artikel 18a Wet LB is of was opgenomen als fiscale pensioenrichtleeftijd. Dit betekent dat geen bezwaarrecht geldt als de pensioenrichtleeftijd (collectief) wordt verhoogd van bijvoorbeeld 65 jaar naar 67 jaar of, zoals voor 2018 het geval is, van 67 jaar naar 68 jaar. Echter, een verhoging naar een andere pensioenleeftijd, bijvoorbeeld van 65 jaar naar 66 jaar, valt wel onder het individueel bezwaarrecht.

Bovendien moet de omrekening naar een hogere pensioenleeftijd collectief actuarieel neutraal plaatsvinden (artikel 83, tweede lid, onderdeel b, PW).

Verder gelden als voorwaarden dat de deelnemer ervoor moet kunnen kiezen de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen naar de oorspronkelijke ingangsdatum vóór de wijziging en dat de bij deze omrekening gehanteerde flexibiliseringfactoren geen selectiefactoren mogen bevatten. Hierbij zij opgemerkt dat als een tijdelijk ouderdomspensioen wordt omgezet in een levenslang ouderdomspensioen het individuele bezwaarrecht van toepassing blijft. De reden daarvoor is dat het pensioen van karakter verandert. Bovendien is individuele vervroeging van een levenslang ouderdomspensioen naar een tijdelijke uitkering niet is toegestaan, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 18d, lid 3 Wet LB.

De Nederlandsche Bank kan voor de collectieve verhoging van de pensioenrichtleeftijd geen verbod opleggen.

Individuele of collectieve gelijkwaardigheid?

De overdrachtswaarde wordt door de ‘overdragende’ pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan. Hierdoor wordt de waarde van de pensioenaanspraken van de gemiddelde deelnemer in beginsel niet aangetast.

Hetzelfde geldt overigens bij een herrekening van de pensioenaanspraken naar een lagere pensioendatum (individuele vervroeging). Ook dan geldt de voorwaarde van collectieve actuariële gelijkwaardigheid (artikel 62 PW).

Pensioenuitvoerders passen de collectieve actuariële factoren periodiek aan. Hierdoor kunnen in individuele situaties verschillen ontstaan. Immers, bij een collectieve omzetting worden collectieve grondslagen gehanteerd en bij een individuele omzetting moet worden uitgegaan van vervroegings-factoren die op het moment van daadwerkelijke vervroeging gelden. Indien bij individuele vervroeging niet zou worden uitgegaan van de op dat moment actuele factoren, zou het collectief garanties verstrekken aan dat individu (of het tegenovergestelde treedt op: dat individu draagt meer dan evenredig bij aan het collectief).

Bepalend voor het antwoord op de vraag of bij een combinatie van collectief uitstel gevolgd door een latere individuele vervroeging sprake is van aantasting van aanspraken is niet of achteraf (dus op het moment van de individuele vervroeging) verschillen blijken, maar of die verschillen vooraf (dus op het moment van collectief uitstel) bekend waren. Dit impliceert dat veranderingen in deze collectieve factoren tussen het moment van collectief uitstel en het moment van individuele vervroeging niet leiden tot aantasting van pensioenaanspraken. De grondslagen die bij de vervroeging worden gehanteerd (prognosetafel, ervaringsfactoren, kosten- en rentegrondslagen) moeten wel adequaat worden verantwoord.

Bezwaarrecht en verhoging pensioenrichtleeftijd

Men moet het bezwaarrecht niet verwarren met de (eenzijdige) wijziging van de pensioenrichtleeftijd in verband met de wijziging van de fiscale wet- en regelgeving. Het bezwaarrecht ziet op de aanpassing (actuariële herrekening) van de opgebouwde aanspraken, maar niet op de wijziging van de pensioenregeling zelf.

Zoals is aangegeven, kan een bestaande pensioenregeling voor de toekomstige opbouw, op verschillende manieren worden aangepast aan de nieuwe fiscale kaders, zoals die vanaf 1 januari 2018 gelden.

De vraag is echter of de werkgever de pensioenregeling zomaar eenzijdig kan aanpassen, zodat deze in lijn is met de fiscale eisen.

In beginsel kan de werkgever een pensioenregeling eenzijdig wijzigen, zonder instemming van de ondernemingsraad en/of de deelnemers. Dit vloeit voort uit artikel 19 PW. Voorwaarde is echter wel dat het voorbehoud tot eenzijdige wijziging schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door deze wijziging zou worden geschaad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, daarvoor moet wijken.

Is aan deze voorwaarden niet voldaan, dan heeft de werkgever voor een wijziging van de pensioenovereenkomst instemming (OR, werknemers) nodig. In de meeste pensioenregelingen is het eenzijdige wijzigingsvoorbehoud opgenomen.

Wat zijn zwaarwichtige belangen?

Bij zwaarwichtige belangen moet men denken aan zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. Meer specifiek gaat het dan om de slechte financiële positie van de werkgever, die een versobering van de pensioenregeling rechtvaardigt en de continuïteit van de onderneming zeker stelt. Ook dwingend rechtelijke bepalingen in wetgeving, zoals allerlei gelijke behandelingsmaatregelen of wijzigingen in de pensioenwetgeving, kunnen de werkgever dwingen de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen.

Als een dergelijke situatie zich voordoet, kan de werkgever de pensioenregeling eenzijdig, zonder goedkeuring, aanpassen. De werkgever zal echter wel moeten aantonen dat ook daadwerkelijk sprake is van een zwaarwichtig belang.

Eenzijdige wijziging als gevolg van een wijziging van de fiscale wetgeving

De afgelopen jaren is de fiscale wetgeving ten aanzien van pensioen verschillende malen gewijzigd. Zo werd de pensioenleeftijd eerst verhoogd naar 65 jaar (2006), vervolgens naar 67 jaar (2014) en naar 68 jaar (2018) en werden de opbouwpercentages en staffelpercentages voor beschikbare premieregelingen aangepast (2014, 2015 en 2018).

Wil de werkgever de pensioenregeling eenzijdig aanpassen aan de nieuwe fiscaal wettelijke bepalingen, dan kan hij dat alleen als dit voorbehoud schriftelijk is vastgelegd en sprake is van een zwaarwichtig belang voor de werkgever. Bovendien zal hij dat moeten aantonen.

Als de werkgever de pensioenregeling niet aanpast, kan dit aanleiding geven tot fiscale sancties. In dat opzicht is aanpassing wel gerechtvaardigd.

Dat betekent echter nog niet dat de wijziging zomaar doorgevoerd kan worden. Gaat de wijziging gepaard met een versobering van de pensioenregeling, waardoor de werkgever een besparing op de pensioenlasten kan behalen, dan is compensatie op zijn plaats. Het is niet de bedoeling dat de werkgever een voordeel behaalt door de versobering van de pensioenregeling.

Zelfs als de ondernemingsraad heeft ingestemd met de wijziging, kunnen individuele deelnemers de wijziging tegenhouden. Als de werkgever namelijk niet kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft, kan de wijziging alsnog niet door gaan.

Achtergrondinformatie

Op grond van artikel 19 Pensioenwet jo artikel 7:613 BW moet de werkgever aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om de pensioenpremieverplichting eenzijdig te wijzigen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2018:62.

Door de middelen voor de basispensioenregeling voldoende te scheiden van de middelen voor de nettopensioenregeling (fiscale hygiëne) voorkomt het fonds dat de deelnemers aan de basispensioenregeling eventuele tekorten aan de nettopensioenregeling voor hun rekening moeten nemen. Daarom zijn in artikel 41 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling voorwaarden gesteld aan de uitvoering van een nettopensioenregeling.

Aanvankelijk was één van deze voorwaarden dat het pensioenfonds bij de omzetting van het opgebouwde pensioenkapitaal in een periodieke uitkering een zogenoemd kostendekkend tarief moesthanteren.

Dit impliceerde dat bij deze omzetting een opslag moest worden betaald om bij te dragen aan de financiering van de collectieve zekerheidsbuffer van het pensioenfonds ter hoogte van het vereist eigen vermogen, ongeacht de feitelijke vermogenspositie van het fonds. Zo kon het voorkomen dat de deelnemer aan een nettopensioenregeling hiermee betaalde voor een bepaalde mate van zekerheid die, gegeven de actuele stand van de dekkingsgraden bij veel pensioenfondsen, feitelijk niet werd verkregen. De situatie waarin de voorwaarden voor deelnemers aan een nettopensioen tot een onevenwichtig resultaat zou kunnen leiden, werd onwenselijk geacht.

Wijziging inkooptarieven

Daarom is in het besluit van 9 januari 2018 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet het inkooptarief zodanig aangepast dat deelnemers vaak tegen een gunstiger tarief nettopensioen in kunnen kopen bij hun eigen pensioenfonds, waarbij het voldoende scheiden van de middelen voor de verplichte basispensioenregeling en de nettopensioenregeling het uitgangspunt blijft.

Gegeven dit uitgangspunt is bepaald dat pensioenfondsen bij de omzetting van het opgebouwde nettopensioenkapitaal in een pensioenaanspraak of pensioenrecht een dekkingsgraadneutraal inkooptarief op basis van de risicovrije rente moeten hanteren.

Dat betekent dat de omzetting moet plaatsvinden op basis van een procentueel inkooptarief dat gelijk is aan de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds, onder de volgende aanvullende voorwaarden:

  1. Bij dekkingsgraadneutrale inkoop van nettopensioen wordt een ondergrens gehanteerd op basis van het minimaal vereist eigen vermogen conform artikel 131 van de Pensioenwet
  2. Bij dekkingsgraadneutrale inkoop van nettopensioen wordt geen bovengrens gehanteerd
  3. Indien de feitelijke premie voor de basispensioenregeling van het fonds, gedeeld door de daarmee ingekochte jaarlijkse pensioenaanspraken, leidt tot een hoger tarief dan het dekkingsgraadneutrale inkooptarief moet dit hogere tarief gebruikt worden

De eerste voorwaarde waarborgt dat deelnemers aan een nettopensioenregeling bijdragen aan de dekkingsgraad van een fonds tot in ieder geval het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen. Ook kunnen hiermee de beheerskosten voor uitvoering van de nettopensioenregeling worden gedekt. De tweede voorwaarde voorkomt dat de inkoop van een nettopensioen bij fondsen met hoge dekkingsgraden zou leiden tot subsidiëring vanuit het vermogen dat is gevormd ter financiering van de basispensioenregeling. Een begrenzing van het inkooptarief zou immers tot gevolg hebben dat het nettopensioen tegen een lager inkooptarief kan worden verkregen dan de actuele dekkingsgraad van het fonds.

De derde voorwaarde borgt dat vanuit de basispensioenregeling niet in hogere mate wordt bijgedragen aan het herstel van de dekkingsgraad van een pensioenfonds dan vanuit de nettopensioenregeling op het moment van omzetting in een netto pensioenaanspraak of -uitkering.

Externe link

Besluit van 9 januari 2018 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege wijziging van het inkooptarief voor nettopensioen https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2018-4.html

Informatie

  • Pensioen
  • Donderdag 19 maart 2020

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie