In het kader van de premieheffing werkhervattingskas is X aan te merken als startende ‘grote werkgever’

X (BV) is op 4 oktober 2013 opgericht. Zij is voor de werknemersverzekeringen als uitzendbureau ingedeeld in premiesector 52 en heeft vanaf begin 2014 personeel in dienst dat verplicht verzekerd is. Zij heeft de Belastingdienst gemeld dat zij verwachtte in 2014 aan premieplichtig loon € 4.000.000 te betalen bij een geschat aantal werknemers van 300. De Belastingdienst heeft haar aangemerkt als startende ‘kleine werkgever’ waardoor voor haar een gedifferentieerd premiepercentage werkhervattingskas (Whk) van 5,4% van het premieplichtige loon zou gelden. De vraag is of X terecht is aangemerkt als kleine werkgever voor de berekening van de gedifferentieerde premie Whk, of aangemerkt had moeten worden als grote werkgever. In het laatste geval geldt voor haar een premiepercentage Whk van 1,03%. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van X gegrond verklaard. Hof Den Bosch (13 april 2017, nr. 15/00494) heeft het hoger beroep van de Belastingdienst ongegrond verklaard. De staatssecretaris is in cassatie gegaan. A-G Wattel is eveneens als de staatssecretaris van oordeel dat uit de tekst van art. 2.5, lid 1, letter d, Besluit Wfsv lijkt te volgen dat een werkgever die start in jaar t-1 of t-2, zoals X, niet als ‘groot’ kan worden aangemerkt. Het stelsel en de geschiedenis (met name de toelichtingen op art. 7 en 8 Besluit WAO (oud)) van paragraaf 2 Besluit Wfsv) wijzen zijns inziens echter op het tegendeel. De premies voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) werden aanvankelijk bij alle werkgevers gedifferentieerd naar gelang het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico, maar bij kleine werkgevers is de besluitgever overgestapt op sectorale in plaats van individuele premiedifferentiatie omdat individuele financiële prikkeling tot vermindering van de WAO instroom bij kleine werkgevers niet werkte en tot risicoselectie leidde. Voor grote werkgevers werd premiedifferentiatie op basis van het individuele uitkerings- en loonsomverleden gehandhaafd. Daartoe werd het toepassingsbereik van art. 7 en 8 WAO (thans art. 2.16 en 2.17 Besluit Wfsv) beperkt tot de ‘grote’ werkgever. Dat stelsel en die ratio zijn zoals blijkt uit de toelichtingen op opeenvolgende wijzigingen van het Besluit Wfsv ongewijzigd gebleven. Voor de premiedifferentiatie bij grote werkgevers zijn twee perioden van belang: de jaren t-6 t/m t-3 voor het uitkeringsverleden en het jaar t-2 voor de omvang van de premieplichtige loonsom. Als gegevens uit de eerste periode ontbreken, is art. 2.16 Besluit Wfsv van toepassing en die bepaling ziet naar haar aard op grote werkgevers. Als gegevens uit de tweede periode (t-2) ontbreken, is art. 2.17 Besluit Wfsv van toepassing, dat ook naar haar aard op grote werkgevers slaat. Volgens de A-G dwingt het stelsel van het Besluit Wfsv tot de conclusie dat art. 2.17 Besluit Wfsv geldt voor een werkgever voor wie bij gebrek aan gegevens geen individueel werkgeversrisico vastgesteld kan worden, maar die beoordeeld naar de verwachte loonsom voor het premiejaar een grote werkgever is. De tekst van art. 2.5, lid 1, letter d, Besluit Wfsv doet daar zijns inziens niet aan af, nu art. 2.17 expliciet en historisch als specifiek voor de premieberekening is bedoeld voor startende grote werkgevers bij wie geen loonsomverleden bestaat en bovendien die laatste bepaling zinloos zou zijn als zij niet op startende grote werkgevers betrekking zou hebben. Art. 2.17 Besluit Wfsv bepaalt voor de startende grote werkgever het premiepercentage WGA op basis van ongedifferentieerde landelijke risicogegevens op 1,03. De staatssecretaris stelt terecht dat premiebepaling op basis van landelijke gegevens – die niet beïnvloedbaar zijn voor de werkgever – slecht spoort met individuele financiële prikkeling tot verkleining van de instroom en vergroting van de uitstroom, maar premieberekening op basis van sectorale risicogegevens, zoals de staatssecretaris wil, leidt evenmin tot individuele beïnvloedbaarheid door de werkgever van zijn premieverplichtingen. Hieraan voegt de A-G toe dat een loonsomprognose inaccuraat kan blijken en dat daarom de premieberekening gecorrigeerd moet kunnen worden als de als ‘groot’ aangemerkte werkgever achteraf op basis van de feiten ‘klein’ blijkt te zijn. Hij meent op basis van de tekst en de parlementaire geschiedenis van art. 38, lid 7, Wfsv (herziening), art. 59 Wfsv, Wet LB 1964 en art. 1 en 20 AWR en het ‘Handboek loonheffingen’ van de Belastingdienst dat zo’n correctie mogelijk is volgens de gewone (na)heffingsmogelijkheden. Het lijkt de A-G daarom ook formeelrechtelijk niet bezwaarlijk om de heffing van WGA premie bij startende grote ondernemers te baseren op hun redelijke loonsomverwachting en om in dit geval art. 2.17 Besluit Wfsv toe te passen. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de staatssecretaris (Conclusie A-G 12 december 2017, nr, 17/02450).

Informatie

  • Sociale zekerheid
  • Maandag 29 januari 2018

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie