Informatie over producten voor de Wet verbeterde premieregeling (Wvp) sluit onvoldoende aan bij doelgroep

Als gevolg van de lage rentestand krijgen (aanstaand) gepensioneerden met een pensioenregeling op basis van een premieovereenkomst (kapitaal of beleggingen) of een kapitaalovereenkomst een veel lager pensioen dan oorspronkelijk beoogd was. De rentestand op het moment van aankoop van de pensioenuitkeringen is immers bepalend voor de hoogte van het pensioen. Een ‘pensioenknip’ moest een (tijdelijke) oplossing bieden, vanuit de gedachte dat de lage rentestand tijdelijk zou zijn. Deze pensioenknip was echter geen succes en er is vrijwel geen gebruik van gemaakt. Na enkele alternatieve voorstellen is uiteindelijk de Wet verbeterde premieregeling (Wvp) ontstaan, die sinds 1 september 2016 van kracht is. De informatie die daarover aan de doelgroep werd gegeven, sloot echter onvoldoende aan bij het begrip van die doelgroep. Daarop zijn per 1 januari 2018 standaardmodellen ingevoerd die pensioenuitvoerders moeten gebruiken. Desondanks blijkt uit een evaluatierapport van november 2019 dat de communicatie beter moet.

Wet verbeterde premieregeling

De Wvp maakt het mogelijk dat voor pensioenregelingen waarbij een al dan niet gegarandeerd kapitaal wordt opgebouwd (kapitaalovereenkomst, premieovereenkomst o.b.v. beleggingen of een kapitaal), voor de aankoop van het pensioen bij pensionering naast de gebruikelijke vaste uitkering, ook kan worden gekozen voor een variabele uitkering of een combinatie van beide varianten door middel van een horizontale of verticale knip.

Verticale knip

Van een verticale knip is sprake als vanaf de pensioendatum gedurende een bepaalde periode eerst een variabele uitkering wordt uitgekeerd, gevolgd door een levenslange vaste uitkering, waarbij laatstgenoemde uitkering op de reguliere pensioeningangsdatum moet worden vastgesteld.

Horizontale knip

Bij een horizontale knip bestaat de levenslange pensioenuitkering vanaf de pensioendatum voor een deel uit een variabele en voor een deel uit een vaste uitkering.

Ook is het mogelijk om het pensioen in pensioeneenheden in plaats van in geld uit te keren. Een pensioeneenheid is een eenheid van deelname in een beleggingsportefeuille, waarbij de waarde fluctueert met de koersontwikkeling van deze portefeuille en eventueel met de ontwikkeling van de levensverwachting. Op de pensioendatum wordt een deel van de pensioeneenheden geliquideerd en omgezet in een uitkering (in geld). De resterende pensioeneenheden worden doorbelegd. De hoogte van de variabele uitkering wordt dan afhankelijk van de opbrengst van de onderliggende belegging.

Kiest men voor een variabele uitkering dan hoeft het beleggingsrisico tijdens de opbouwfase niet meer in die mate afgebouwd te worden dan voor een vaste uitkering gebruikelijk is. Hierdoor zou, naar verwachting, een hoger pensioen moeten ontstaan. Het pensioenresultaat kan uiteraard ook tegenvallen.

Randvoorwaarden voor de uitvoering

Hoe de variabele pensioenuitkering precies wordt vormgegeven, laat de wetgever over aan de marktpartijen (pensioenfondsen, verzekeraars en PPI’s). Er zijn echter wel randvoorwaarden vastgelegd. Zo geldt het variabele pensioensysteem uitsluitend voor bovengenoemde pensioenregelingen en dus niet voor uitkeringsovereenkomsten, die onder de Pensioenwet vallen. Worden deze regelingen uitgevoerd door pensioenfondsen dan dient de werkgever tenminste 10% van de premie bij te dragen. Voor pensioenen die uitsluitend via een risicodekking zijn verzekerd, is een variabele uitkering niet mogelijk.

Op 22 december 2016 heeft de AFM de Leidraad Wet verbeterde premieregeling gepubliceerd. In deze leidraad, waarin 4 onderwerpen worden besproken, richt de AFM zich tot pensioenuitvoerders en sociale partners. De 4 onderwerpen zijn:

  • Pensioenuitvoerders en – waar relevant- sociale partners houden in de premieovereenkomst rekening met de belangen van de (gewezen) deelnemer
  • Pensioenuitvoerders begeleiden de deelnemer door het faciliteren van een goede keuzearchitectuur en het verstrekken van effectieve en activerende informatie
  • Pensioenuitvoerders informeren en begeleiden de deelnemer ook bij zijn voorlopige keuze tussen een vastgestelde of variabele uitkering en
  • Pensioenuitvoerders adviseren of beslissen, indien sprake is van meerdere beleggingsprofielen, over een passend beleggingsprofiel voor de deelnemer

Verder gelden de volgende zaken:

  • Het variabele pensioen moet, eventueel in combinatie met een vaste pensioenuitkering, levenslang worden uitgekeerd
  • Het pensioen wordt bij aanvang bepaald op basis van de levensverwachtingen en de risicovrije rentetermijnstructuur (‘projectierente’) zoals deze ook geldt voor pensioenfondsen
  • De pensioenuitvoerder moet, net als tijdens de opbouwfase, ‘prudent’ beleggen. In het beleggingsbeleid moet de uitvoerder dus rekening houden met de belangen van de gepensioneerde. Aanvankelijk zou alleen lifecycle-beleggen worden toegestaan. Inmiddels zijn ook andere beleggingsmodellen mogelijk, mits ze voldoende bescherming bieden tegen ‘neerwaarts beleggingsrisico’. Uiterlijk 1 januari 2018 moest de pensioenuitvoerder beleggingsmodellen hebben voor zowel de vaste als variabele pensioenuitkering, ook als hij geen variabele uitkering aanbiedt
  • Er kan sprake zijn van ‘collectief doorbeleggen’ (vooral bij pensioenfondsen) of ‘individueel doorbeleggen’ (vooral bij pensioenverzekeraars). Periodiek moet de pensioenuitvoerder bij ‘individueel doorbeleggen’ toetsen of de beleggingskeuzes aansluiten bij de risicoprofielen die de deelnemers invullen
  • Naast de beleggingswinsten of -verliezen kunnen ook de wijzigingen van het langlevenrisico in de hoogte van de uitkering worden verwerkt. Het gaat daarbij om zowel wijzigingen van langlevenrisico binnen een collectief als om wijzigingen binnen de portefeuille van de pensioenuitvoerder
  • De aanpassingen door beleggings- en langlevenrisico mogen over een periode van tien jaar worden gespreid. Dit voorkomt te grote schokken in de uitkering, maar maakt het systeem tevens minder transparant
  • De pensioenuitvoerder moet voldoen aan extra informatievoorschriften waardoor de deelnemer de risico’s moet kunnen inschatten. Deze worden geïntegreerd in Pensioen 1-2-3
  • De pensioenuitvoerder moet de prognose voor een variabel pensioen vormgeven in een ‘pessimistisch’, ‘verwacht’ en ‘optimistisch’ scenario. DNB zal hiervoor scenario’s opstellen
  • De pensioenuitvoerder moet binnen een ‘redelijke periode’ (volgens de AFM is dit zes maanden) voor het moment dat keuzebepalend is voor het type uitkering de deelnemer uitleg geven over de verschillen tussen de variabele en vaste pensioenuitkering

Vormgeving variabele uitkering

De variabele uitkering kan op verschillende manieren worden vormgegeven. In artikel 63 en 63a PW worden verschillende mogelijkheden beschreven.

Uitgangspunt is een gelijkblijvende of variabele uitkering (100:75) ex artikel 63 PW. Vervolgens kunnen financiële mee- en tegenvallers die samenhangen met het beleggingsrisico, ontwikkeling van de levensverwachting en sterfteresultaat door middel van individuele of collectieve toedelingsmechanismen worden verwerkt. Er kunnen twee toedelingsmechanismen worden onderscheiden:

  • Een collectief toedelingsmechanisme: wijze waarop financiële mee- en tegenvallers collectief worden verwerkt in variabele uitkeringen (artikel 1 PW)
  • Een individueel toedelingsmechanisme: wijze waarop financiële mee- en tegenvallers individueel worden toebedeeld in variabele uitkeringen

Collectief toedelingsmechanisme

Voor de toepassing van een collectief toedelingsmechanisme wordt gebruik gemaakt van een toedelingskring, zijnde een groep personen waarop een collectief toedelingsmechanisme van toepassing is.

Een toedelingskring bestaat uit pensioengerechtigden. Daarnaast kunnen ook (gewezen) deelnemers deel uitmaken van de toedelingskring in de laatste tien jaar voorafgaand aan de pensioenrichtleeftijd. De uitkering wordt jaarlijks aangepast. De verwerking van financiële mee- of tegenvallers die het gevolg zijn van het sterfteresultaat gebeurt door middel van een collectief toedelingsmechanisme, de verwerking van financiële mee- of tegenvallers die het gevolg zijn van het beleggingsrisico of van de ontwikkeling van de levensverwachting kan zowel door middel van individuele toedeling of door middel van een collectief toedelingsmechanisme plaatsvinden. Bij een collectief toedelingsmechanisme kan een spreidingsperiode worden gehanteerd van maximaal 5 jaar. Gedurende de spreidingsperiode worden uitsluitend de uitkeringen van de bij aanvang van de spreidingsperiode tot de toedelingskring behorende personen in gelijke stappen aangepast.

Individuele toedeling

De aanpassingen gebeuren op individueel niveau. De uitkering wordt jaarlijks aangepast, waarbij schokken kunnen worden gespreid over een periode van 5 jaar. De aanpassingen zijn gebaseerd op het beleggingsrisico en/of de ontwikkeling van een levensverwachting.

Vaste daling

Het is ook mogelijk de hoogte van een variabele uitkering vorm te geven door een, uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde, periodieke vaste daling van de uitkering. Deze periodieke vaste daling bedraagt ten hoogste 35% van het verschil tussen de parameter voor aandelenrendement en de projectierente.

De gedachte achter de dalende uitkering is dat, door de voorgenomen daling en de hoogte van de projectierente, de uitkering bij aanvang relatief hoog is. Vervolgens zou de uitkering (in theorie) gelijkblijvend kunnen zijn door toevoeging van ‘overrente’ (het extra rendement boven de projectierente). Dat zou het geval zijn indien het werkelijke rendement gelijk is aan de vaste daling.

Voor alle drie de varianten geldt dat de projectierente, waarop de toedeling van het beleggingsrisico of de vaste daling gebaseerd is, gelijk is aan de risicovrije rente.

Uitkering in beleggingseenheden

Het is tenslotte mogelijk om te kiezen voor een uitkering van een aantal beleggingseenheden. De hoogte van de uitkering wordt dan bepaald door de koers van de beleggingen.

Informatieverstrekking: Standaardmodellen vanaf 1 januari 2018

Vanaf 1 januari 2018 moeten alle pensioenuitvoerders die een pensioenregeling op basis van een kapitaalovereenkomst en/of premieovereenkomst (kapitaal of beleggingen) uitvoeren, ongeacht of ze ook een variabele uitkering aanbieden, in de opbouwfase tevens een beleggingsbeleid aanbieden dat voorsorteert op een variabele uitkering. Dat betekent dat naast de ‘traditionele’ life-cycle-producten voor een vastgestelde uitkering ook - als sprake is van lifecycle-beleggen – life-cycle-producten voor een variabele uitkering gevoerd moeten worden. De reden hiervoor is mede gelegen in het feit dat deelnemers een wettelijk shoprecht hebben.

In de communicatie hierover moeten alle pensioenuitvoerders vanaf 1 januari 2018 gebruik maken van het standaardmodel. Deze verplichting geldt ook voor pensioenuitvoerders die geen variabele uitkering aanbieden, maar alleen een vaste uitkering. Deze wettelijk verplichting vloeit voort uit de artikelen 44a en 63b PW en artikel 7d Besluit uitvoering Pensioenwet.

Artikel 44a PW behandelt de informatieverstrekking over de relevante gevolgen en risico’s bij een variabele uitkering, waaronder een opgave van de hoogte van de variabele uitkeringen en een opgave van de hoogte van de vastgestelde uitkeringen indien het kapitaal daarvoor zou worden aangewend.

Artikel 63b PW behandelt de informatieverstrekking bij het bieden van de keuze voor een vaste of variabele uitkering bij pensionering. De pensioenuitvoerder moet de (gewezen) deelnemer de voor hem relevante informatie over de gevolgen en risico’s bij deze keuze verstrekken, waaronder een opgave van de hoogte van de vastgestelde uitkeringen en een opgave van de hoogte van de variabele uitkeringen.

Artikel 7d Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Bij de informatieverstrekking, bedoeld in de artikelen 44a en 63b PW, wordt gebruikt gemaakt van standaardmodellen. Er zijn afzonderlijke standaardmodellen ontwikkeld voor verzekeraars en PPI’s enerzijds en voor pensioenfondsen anderzijds.

Shoprecht

In de artikelen 80, 81 en 81a PW wordt het shoprecht voor de hierboven genoemde pensioenregelingen bij pensionering behandeld. Artikel 80 PW betreft het shoprecht voor deelnemers waarvan de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een pensioenfonds.

Artikel 81 PW betreft het shoprecht voor deelnemers waarvan de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een verzekeringsmaatschappij.

Artikel 81a PW betreft het shoprecht voor deelnemers waarvan de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een PPI

Shoprecht bij verzekeraar en PPI

Het shoprecht houdt in dat (gewezen) deelnemers het recht hebben met het opgebouwde pensioenkapitaal op pensioendatum een vaste dan wel variabele uitkering aan te kopen bij een andere verzekeraar. Ook is aankoop van een (vaste of variabele) uitkering mogelijk bij een pensioenfonds, mits betrokkene daar al pensioenaanspraken had staan.

Shoprecht bij pensioenfondsen

Het shoprecht voor deelnemers aan een door een pensioenfonds uitgevoerde regeling is neergelegd in artikel 80 lid 2 PW. Dit shoprecht geldt alleen voor premie- en/of kapitaalovereenkomsten die het pensioenfonds als basispensioenregeling uitvoert. Dat wil zeggen de regeling waaraan de deelnemer verplicht deelneemt (niet te verwarren met een verplichtgestelde regeling) onder de volgende voorwaarden:

  1. Het pensioenfonds biedt alleen vaste uitkeringen aan, en de deelnemer wil een variabele uitkering aanschaffen
  2. Het pensioenfonds biedt alleen variabele uitkeringen aan, en de deelnemer wil een vaste uitkering aanschaffen

In de onder punt 2 genoemde situatie bestaat echter geen shoprecht als de deelnemer al vóór de pensioeningangsdatum is toegetreden tot een toedelingskring waarop een collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico wordt toegepast.

Als een pensioenfonds zowel een vaste als een variabele uitkering aanbiedt, is er dus geen shoprecht voor de deelnemer, maar kan de deelnemer kiezen tussen een vaste of variabele uitkering bij zijn eigen fonds.

Shoprecht voor deelnemers in een vrijwillige regeling bij een pensioenfonds

Voor vrijwillige pensioenregelingen zijn de taakafbakeningsbepalingen van artikel 119 en 120 PW de PW van toepassing. Voor vrijwillige pensioenregelingen bij een pensioenfonds gelden de volgende eisen:

  • De eis dat de werkgever tenminste 10% van de premie betaalt ofwel
  • De eis dat de uitkering wordt ingekocht in de basisregeling

In het geval de werkgever niet bijdraagt, geldt dat inkoop moet plaatsvinden in de basisregeling. In dat geval is geen sprake van een shoprecht. Verplichte inkoop in de basisregeling van het fonds impliceert dat het pensioenkapitaal niet naar een andere pensioenuitvoerder overgedragen kan worden.

Evaluatie Wet verbeterde premieregelingen

Op 11 november 2019 heeft minister Koolmees van SZW een eerste evaluatie van de Wvp gepubliceerd. Als voornaamste conclusie komt naar voren dat de belangrijkste doelstelling van de Wvp, het in de praktijk bieden van een keuzemogelijkheid voor een variabele uitkering, is gehaald.

Ongeveer 1,4 miljoen deelnemers of wel 20% had in 2017 beschikbare premieregeling. Deze worden uitgevoerd door 80 pensioenuitvoerders. In 2018 waren er echter slechts 10 pensioenuitvoerders (6 pensioenfondsen, 3 verzekeraars en 1 PPI) met een variabel uitkeringsproduct. De reden dat nog maar relatief weinig pensioenuitvoerders variabele uitkeringen aanbieden is mede gelegen in het feit dat men het pensioenakkoord heeft afgewacht. Daarnaast wordt geconstateerd dat de uitkeringsproducten die worden aangeboden sterk uiteenlopen voor wat betreft de wijze van afbouw van het percentage zakelijke waarden tot de pensioendatum, het aantal te kiezen beleggingsprofielen en het al dan niet toepassen van een vaste daling in de uitkeringsfase. Slechts 5% koos in 2018 voor de aankoop van een variabele uitkering.

Ondanks het feit dat pas sinds twee jaar gekozen kan worden voor een variabele uitkering wordt nu al over gewenste aanpassingen van de Wvp gesproken.

Verbetering vergelijkbaarheid

Zo moet de vergelijkbaarheid van de producten worden verbeterd. De grote diversiteit en complexiteit van de producten maakt het voor deelnemers lastig een goede vergelijking te maken. Temeer daar geen uniformiteit bestaat voor de verschillende life-cycles. Zo kan een neutrale life-cycle bij de ene uitvoerder risicovoller zijn en dus een hoger rendement worden toegedeeld dan de neutrale life-cycle bij een andere uitvoerder. Vandaar de roep om meer standaardisatie door de toezichthouders.

Verbetering informatieverstrekking

Ook op het gebied van informatieverstrekking is nog veel terrein te winnen. Keuzebegeleiding en advisering worden steeds belangrijker. Over de wijze waarop hieraan invulling moet worden gegeven lopen de meningen uiteen. Pensioenuitvoerders pleiten voor zelfregulering, terwijl de toezichthouders inzetten op wettelijke verankering.

Uit onderzoek van de AFM in 2019 kwam naar voren dat de keuzebegeleiding en de totstandkoming van producten beter moet, en dat er risico is op ongewilde schommelingen in variabele pensioenuitkeringen.

De minister geeft aan op dit moment de sector de ruimte bieden om te zorgen voor meer eenduidigheid, vergelijkbaarheid en het terugdringen van complexiteit van de producten om zodoende ook de keuzebegeleiding op het definitieve keuzemoment te verbeteren.

Naar aanleiding van de uitkomsten van bovengenoemd onderzoek heeft de sector een drietal verbeteringen bedacht:

  1. Verbetering van de schommelingenmeter
  2. Verbetering vergelijkbaarheid
  3. Aanbieding Impact-tabel

ad 1. Verbetering schommelingenmeter

De schommelingenmeter is terug te vinden in de Handleiding Standaardmodel ‘vast-variabel pensioen’ voor pensioenverzekeraars en PPI’s en geeft aan aanvullende informatie op de drie scenario’s (verwacht/optimistisch/pessimistisch) over de schommelingen in de uitkering van jaar tot jaar als gevolg van het beleggingsrisico. Er kunnen echter meer factoren worden meegewogen, zoals het inflatierisico en de verwachte daling.

ad 2. Verbetering vergelijkbaarheid

De vergelijkbaarheid kan worden verbeterd door een meer eenduidig gebruik van termen en de naamgeving van risicoprofielen.

ad 3. Impact-tabel

In de impact-tabel worden verschillende elementen van producten opgesomd, zoals de impact van aandelenrisico, het wel of niet meeverzekeren van het langlevenrisico en een stijgende of dalende rente. Hierdoor worden producten ook beter vergelijkbaar.

Bovenstaande verbeteringen bevinden zich al in een testfase. Als de tests goed verlopen, kunnen ze gefaseerd worden doorgevoerd. Belangrijk is wel dat de verbeteringen door alle pensioenuitvoerders gezamenlijk worden omarmd.

Externe links

Informatie

  • Pensioen
  • Maandag 23 maart 2020

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie