Oneigenlijke pensioentoezegging wordt in een rechtens afdwingbare verbintenis.

Wat is er aan de hand? Mevrouw is gehuwd geweest met meneer A, die in 1990 is overleden. Tot 1988 is hij in dienst geweest van de BV, waarin hij naast zijn vader en broer aandeelhouder was. Bij brief van 3 januari 1991 heeft de BV de toezegging gedaan aan mevrouw om vanaf 1 januari 1991 een weduwepensioen aan haar uit te keren van fl. 19.500,= per jaar. In artikel 3 van de als ‘Pensioenbrief’ aangeduide toezegging staat onder meer dat de BV zich het recht voorbehoud om – in overleg – de in deze pensioenbrief vervatte regeling geheel of gedeeltelijk te wijzigen of te beëindigen, indien een ingrijpende wijziging van onze financiële positie dit noodzakelijk maakt, met dien verstande, dat de reeds opgebouwde aanspraken onaangetast blijven. Verder is vastgelegd dat het pensioen wordt geïndexeerd, mits het vermogen van de individuele pensioenspaarrekening daartoe toereikend is. Tot slot is in de pensioenbrief vastgelegd dat de onderhavige pensioenregeling slechts van kracht is voor zover zij kan worden aangemerkt als een pensioenregeling in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting.

Partijen zijn overeengekomen dat indien door de fiscus wordt gesteld dat deze pensioenregeling bovenmatig is, de regeling dan zodanig worden aangepast – zodanig na overleg met de belastingadministratie – dat zij wel fiscaal aanvaardbaar is. Dit laatste is het geval. Partijen hebben vervolgens de toezegging aangepast en zijn overeengekomen dat mevrouw wordt benoemd tot commissaris en daarvoor een vergoeding ontvangt en dat de BV met ingang van 1 januari 1996 een maandelijkse uitkering verstrekt van fl. 790,= netto. Daarnaast wordt een fictieve arbeidsovereenkomst opgemaakt, zodat zij vanaf 1 januari 1996, loon ontvangt ter grootte van fl. 1.200,= bruto per maand.

Bij brief van 1 mei 2000 heeft de raadsman van de BV aan mevrouw bericht dat de betreffende ‘arbeidsovereenkomst” zou worden beëindigd met ingang van 1 juli 2000. De BV heeft vanaf die datum de betalingen aan mevrouw gestaakt.

Mevrouw is het hiermee niet eens en heeft de BV in rechte betrokken. Zij vordert primair een verklaring voor recht dat de BV aan haar een pensioen voor de duur van haar leven dient te betalen van fl. 19.500 per jaar en de BV te veroordelen dat zij dat pensioen moet nabetalen vanaf 1 januari 1996, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding en subsidiair dat aan haar de vergoeding wegens een commissariaat dient te worden betaald en een bedrag van fl. 1.200,= aan salaris per maand te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en nabetaling van deze bedragen vanaf 1 januari 1996 het resultaat te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, vertragingsverhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Appellanten hebben, kort samengevat, aangevoerd dat mevrouw heeft ingestemd met het vervallen van de pensioenverplichtingen. Voorts stellen zij dat deze verplichtingen zijn voortgesproten uit de nakoming van een verbintenis uit moraal en fatsoen, zodat zij gerechtigd waren deze uitkering(en) op enig moment te beëindigen. Met betrekking tot de subsidiaire vordering(en) hebben zij zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van verjaring en subsidiair dat er geen sprake is van een echt commissariaat en een echte arbeidsovereenkomst, maar alleen van titels om fiscaal verantwoord gelden te kunnen betalen aan mevrouw.

 

De kantonrechter heeft geoordeeld dat door de BV in 1991 een weduwepensioen is toegekend, dat overeenkomstig de voorwaarden voor toekenning de hoogte van dit pensioen in 1996 is aangepast en dat zich nadien geen omstandigheden hebben voorgedaan die het recht gaven het toegekende pensioen te beëindigen. De kantonrechter oordeelt dat de BV de gestaakte betaling van fl. 790,= netto per maand vanaf 2000 moet hervatten, waarbij het bedrag dat achterstallig is gebleven, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van verschuldigdheid.

De BV heeft hoger beroep aangetekend en stelt dat aan de pensioentoezegging juridisch geen waarde toekomt nu niet voldaan kan worden aan de in die toezegging besloten voorwaarde dat het moet gaan om een pensioenregeling in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting. De toezegging is voorts gedaan vanuit de wens te voldoen aan een dringende verplichting uit moraal en fatsoen (een natuurlijke verbintenis derhalve), maar bindt partijen overigens niet. De kantonrechter heeft daarnaast volgens de BV ten onrechte geen rekening gehouden met de veelheid aan andere betalingen die in de loop van de tijd aan mevrouw zijn gedaan. Subsidiair rechtvaardigt de huidige financiële positie van de BV enerzijds en die van mevrouw anderzijds een beëindiging van de pensioentoezegging.

Het Hof oordeelt dat er tussen de BV en mevrouw nimmer een arbeidsrelatie heeft bestaan, zodat van een pensioentoezegging in de eigenlijke zin ook nimmer sprake kan zijn geweest. Verwezen wordt naar artikel 1 Besluit Pensioentoezegging van 23 december 1996, houdende regelingen voor de toepassing van de Pensioen en Spaarfondsenwet. Echter, tussen partijen staat onbetwist vast dat de ‘pensioentoezegging’ voortkwam uit de door BV en haar directeuren ervaren dringende verplichting van moraal en fatsoen jegens mevrouw, als weduwe van de zoon en broer van voornoemde directeuren, die directeur/werknemer en aandeelhouder van de BV was geweest. Kennelijk was het de bedoeling aan mevrouw een uitkering te verstrekken teneinde haar een (al dan niet aanvullend) inkomen te verstrekken na het overlijden van haar echtgenoot, waarbij de pensioentoezegging als een fiscaal vriendelijk vehikel had te gelden. Dat door de kantonrechter aangenomen uitgangspunt wordt niet door een grief bestreden, maar wél het oordeel dat deze natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. Naar het oordeel van het hof echter tevergeefs.

Het hof oordeelt dat door het voor akkoord ondertekenen van de ‘pensioenbrief’ door mevrouw een overeenkomst tot stand gekomen als bedoeld in artikel 6:5 lid 1 BW, waarbij de natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis, zodat mevrouw daar jegens de BV rechten aan kan ontlenen. De omstandigheid dat de BV, al dan niet onverplicht, in de loop der jaren nog een groot aantal andere financiële voordelen aan mevrouw heeft toegekend, maakt dat niet anders.

Het beroep van de BV dat de pensioentoezegging is vervallen omdat de fiscus de toezegging niet als pensioentoezegging in fiscale zin heeft beschouwd, slaagt niet. Het moge volgens het Hof zo zijn dat de pensioentoezegging als neergelegd in de desbetreffende brief door de fiscus niet werd aangemerkt als een pensioenregeling, nadien hebben partijen (in 1996) de regeling aangepast (een arbeidsovereenkomst met een loon van fl.1.200 bruto), welke regeling kennelijk wél door de fiscus is geaccepteerd. Dat daarbij mogelijk niet meer werd gesproken in termen van pensioen, doet aan het karakter van de toezegging tot uitkering niet af. Partijen hebben kennelijk gebruik gemaakt van de tevens in artikel 3 onder c geboden mogelijkheid in de pensioenbrief om de regeling op een zodanige wijze aan te passen dat deze wel fiscaal aanvaardbaar werd. Niet aangetoond is dat deze nieuwe regeling ook niet fiscaal aanvaardbaar zou zijn. Het hof oordeelt daarbij dat de bestaande uitkeringsverplichting van de BV financieel dusdanig beperkt is in relatie tot de omzet dat niet gesproken kan worden van een zodanig ingrijpende wijziging van de financiële positie van de BV dat een beëindiging gerechtvaardigd is.

Echter, ondanks dat de betaling in 2000 zijn gestaakt heeft eerst in 2014 een overleg plaatsgevonden in de zin als in de Pensioenbrief bedoeld. Daarom kan volgens het Hof van een rechtsgeldige beëindiging van de regeling met terugwerkende kracht tot medio 2000 geen sprake zijn. Voor een beëindiging per 1 november 2015 heeft te gelden dat deze gezien het bepaalde in artikel 3 onder a van de Pensioenbrief niet eenzijdig kan geschieden (immers “in overleg”) op de daartoe aangevoerde (financiële) grond, terwijl van een grond voor een buitengerechtelijke ontbinding niet is gebleken. Het Hof oordeelt dan ook dat de toezegging uit 1991, zoals nadien gewijzigd in 1996, nog immer bestaat. Hof Amsterdam, 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2673.

Informatie

  • Toekomstvoorzieningen, De gewone werknemer, De directeur-grootaandeelhouder, Pensioen Algemeen
  • Woensdag 3 augustus 2016

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie