Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Procureur-Generaal behandelt (motiverings)klachten afstorting PEB

Het gaat in deze zaak om de afstorting van een deel van het in eigen beheer opgebouwde pensioen in het kader van echtscheiding. Volgens de rechtbank zou de ex-man op grond van de redelijkheid en de billijkheid niet tot afstorting verplicht kunnen worden. Het hof oordeelt in hoger beroep dat ex-man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende kapitaal in de BV aanwezig is en er ook geen middelen kunnen worden vrijgemaakt of elders verkregen, zodat afstorting niets in de weg staat. Het woord is aan de Hoge Raad, die zich met name moet uitspreken over verschillende (motiverings)klachten. Op 24 december 2021 kwam de Procureur-Generaal (P-G)bij de Hoge Raad der Nederlanden met zijn standpunt dat op 27 januari 2022 is gepubliceerd.

Wat vooraf ging

Partijen zijn op 22 maart 1991 gehuwd in gemeenschap van goederen. Op 29 maart 2013 heeft de vrouw bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend met nevenverzoeken. De rechtbank heeft op 25 februari 2014 de echtscheiding uitgesproken, die op 3 november 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Als nevenverzoek heeft de vrouw de rechtbank gevraagd de man te verplichten het bedrag dat nodig is om de na pensioenverevening aan haar toekomende aanspraak op pensioen af te storten bij een door haar aan te wijzen verzekeraar, op straffe van een dwangsom. De man heeft gesteld dat de fiscale waarde van de pensioenvoorziening in eigen beheer op 31 december 2013 € 193.212 bedroeg, terwijl de commerciële waarde van de aan de vrouw toekomende pensioenaanspraak € 294.889 was. Afstorting zou zijn pensioenvoorziening volledig uithollen en de continuïteit van zijn onderneming in gevaar brengen. De vrouw betwist dat en stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de man zijn onderneming aan het uithollen is door geen omzet te genereren en de rekening-courantschuld te laten oplopen, waardoor haar pensioen illusoir zou worden. Bovendien stelt zij dat de commerciële waarde van haar pensioenaanspraak, inclusief nabestaandenpensioen, € 386.324 bedraagt.

Het hof heeft, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 14 februari 2020, geoordeeld dat de hoogte van de pensioenaanspraak van de tot verevening gerechtigde moet worden vastgesteld naar het tijdstip inschrijving van de echtscheiding (3 november 2014). De commerciële waarde van die aanspraak moet worden bepaald naar het tijdstip van afstorting (Hoge Raad van 14 februari 2020) . De commerciële waarde van de pensioenaanspraken bedraagt per 1 september 2019 € 908.644. Het benodigd kapitaal om het aandeel van de vrouw af te storten bedraagt € 576.226. Uit het vonnis van de Hoge Raad vloeit ook voort dat de man de man zijn stelling dat er onvoldoende kapitaal in de onderneming aanwezig is en elders geen liquide middelen kunnen worden vrijgemaakt, aannemelijk moet maken. Daarvan is echter niets gebleken, omdat de man geen jaarstukken, belastingaangiftes of andere ’verificatoire’ documenten heeft overlegd.

Daarop heeft het hof de vordering van de vrouw toegewezen (inclusief de dwangsom). De man dient ervoor te zorgen dat de commerciële waarde van de pensioenaanspraak van de vrouw (€ 576.226) wordt afgestort bij een pensioenverzekeraar. Als een verzekering op dezelfde voorwaarden als de pensioentoezegging in de BV niet mogelijk blijkt, moet een zoveel mogelijk vergelijkbaar (verzekerings-)product worden aangeschaft. Het hof heeft ook de door de vrouw verzochte dwangsom toegewezen. 

De man heeft tijdig cassatie ingesteld, waarbij een aantal klachten ten aanzien van pensioen nadrukkelijk naar voren zijn gebracht. 

Behandeling door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad

Klacht onderdeel 1.1

In eerste instantie (onderdeel 1.1) klaagt de man dat het hof zijn stelling dat er onvoldoende   vermogen in de BV aanwezig is om de waarde van de aanspraak van de vrouw af te storten, heeft betwist, terwijl door deskundigen is beaamd dat er onvoldoende vermogen in de BV aanwezig is voor de afstorting van de pensioenaanspraak. De P-G geeft een opsomming van de relevante wetgeving voor de verevening van pensioenen bij echtscheiding (WVPS) en de jurisprudentie over de afstorting van in eigen beheer opgebouwde pensioenen.

In het bijzonder komen de uitspraken van: 

HR 9 februari 2007: Afstortingsverplichting pensioen in eigen beheer op grond van redelijkheid en billijkheid.

HR 14 april 2017: Afstorting tegen commerciële grondslagen rekening houdend met commerciële waarde van de aanspraken van de vereveningsplichtige. Bij onvoldoende vermogen moet het tekort naar evenredigheid tussen partijen worden verdeeld.

HR 14 februari 2020: Commerciële waarde op het tijdstip van afstorting en niet op het tijdstip van echtscheiding. De rechter kan, gelet op alle omstandigheden van het geval, een (volledige) afstorting opschorten als aannemelijk kan worden gemaakt dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen.

In essentie heeft de man gesteld dat op het tijdstip van afstorting sprake is van een forse onderdekking. Door de afstorting van het aandeel van de pensioenaanspraken van de vrouw, zou zijn pensioen volledig worden uitgehold. Met andere woorden, in de BV is onvoldoende kapitaal aanwezig om zowel de commerciële waarde van het aandeel van de vrouw in de pensioenaanspraak (€ 576.226,-) als zijn eigen pensioen te dekken. De P-G sluit af met:

“Voor zover het hof met ‘onvoldoende vermogen’ heeft gedoeld op de stelling van de man dat sprake is van onderdekking (een dekkingstekort), lijkt het hof te hebben miskend dat hiervoor niet slechts van belang is of zich voldoende kapitaal (in de vorm van een voorziening en/of eigen vermogen) in de BV bevindt voor de afstorting van het aandeel in de pensioenaanspraak van de vereveningsgerechtigde, maar ook of voldoende kapitaal in de BV overblijft om het aandeel van de vereveningsplichtige te dekken. Voor zover het hof wel van de juiste maatstaf is uitgegaan, is zijn oordeel in het licht van de stellingen van partijen niet goed begrijpelijk. Uit het voorgaande volgt dat ik onderdeel 1.1 gegrond acht.”

Klacht onderdeel 1.2

De klacht in onderdeel 1.2 richt zich op het standpunt van het hof dat betwist dat geen middelen vrijgemaakt of elders verkregen zouden kunnen worden om de aanspraak van de vrouw af te storten.

Of de benodigde liquide middelen kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden aangetrokken, moet worden beoordeeld naar het moment van afstorting. “De vrouw heeft niet betwist dat op het moment van afstorting onvoldoende liquide middelen kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen om de aanspraak van de vrouw af te storten. De vrouw heeft slechts gesteld dat de betaalbaarheid van de afstorting moet worden getoetst per 3 november 2014 (het moment van echtscheiding) en dat de kans om het aandeel van de vrouw in de pensioenaanspraak te kunnen afstorten destijds hoger was dan nu. Onderdeel 1.2 klaagt daarmee terecht dat de overweging van het hof onbegrijpelijk is dat de vrouw heeft betwist dat er geen middelen kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen om de aanspraak van de vrouw af te storten. De klacht slaagt.

Klacht onderdeel 3

In zijn uitspraak heeft het hof bepaald dat als een verzekering op dezelfde voorwaarden als de pensioentoezegging in de BV niet mogelijk blijkt, een zoveel mogelijk vergelijkbaar (verzekerings-)product moet worden aangeschaft op straffe van een dwangsom.

De man heeft uitvoerig onderbouwd gesteld, dat afstorting bij een externe pensioenverzekeraar niet meer mogelijk is, omdat verzekeraars het product niet meer aanbieden, zo blijkt uit rapporten van de deskundigen die door de man zijn ingeschakeld. De vrouw, haar advocaat en deskundigen van de vrouw betwisten deze zienswijze, zodat tussen partijen geenszins overeenstemming bestond over het al dan niet kunnen afstorten. Desondanks heeft het hof de man verplicht tot afstorting, terwijl het hof de onmogelijkheid van afstorting als vaststaand feit had moeten aannemen. Ook hier slaagt de motiveringsklacht van de man, aldus de P-G. “Het hof is niet (kenbaar) ingegaan op de onderbouwde stellingen van de man dat afstorting niet meer mogelijk is en dat het omzetten van een aanspraak naar een premieregeling niet valt te beschouwen als afstorting.”

Voor wat betreft, het aanschaffen van een ‘zoveel mogelijk vergelijkbaar (verzekerings-)product’ als alternatieve oplossing, overweegt de P-G hiervoor geen grondslag in het recht bestaat en het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door de man (mede) te veroordelen tot iets anders dan ‘afstorting’, gaan de onderdelen uit van een verkeerde lezing van de bestreden rechtsoverweging. 

Daarnaast geeft de P-G aan dat “het hof voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen van de man over de fiscale gevolgen van het niet volgen van de weg van (volledige) afstorting van de pensioenrechten bij een externe verzekeraar, maar het kiezen van een andere route (‘product’).

“De man heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de door hem ingeschakelde deskundigen, gesteld dat gedeeltelijke afstorting zou leiden tot een belastingheffing tot 72% en dat daarmee de pensioenaanspraak van de man en het aandeel hierin van de vrouw volledig in rook zouden opgaan. Het onderdeel klaagt terecht dat de beslissing van het hof dat de man een zoveel mogelijk vergelijkbaar (verzekerings-)product dient aan te schaffen, onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof geen aandacht heeft besteed aan de genoemde stellingen van de man die, indien juist, kunnen meebrengen dat de bedoelde beslissing in redelijkheid geen stand kan houden. Daarmee slaagt ook deze de klacht.

Kortom, op alle fronten wordt het de uitspraak van het hof door de P-C overruled.

Het woord is nu aan de Hoge Raad.

Meer weten?
Wil je meer weten over actuele pensioenontwikkelingen, schrijf je dan in voor:

Daar gaan we uitgebreid in op de actuele ontwikkelingen rondom pensioen en overige inkomensvoorzieningen.

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • DGA Pensioen & ODV
  • EQF 7
  • 0,5 PE punt(en)
  • Maandag 7 februari 2022

KennisHub

KennisHub Up-to-date

Hét abonnement om je kennis en vaardigheid met focus op (o.a.) Pensioen, Collectief Pensioen, Lijfrente, Echtscheiding, Estate Planning en Life Events, up-to-date te houden én door te ontwikkelen. Praktijk gericht, fiscaal georiënteerd, boordevol actualiteiten en PE-geaccrediteerd.

€ 28

p/m (vanaf) Meer Informatie
  • Goed voor 30+ PE-punten/uren per jaar
  • Volg tot 10 actualiteiten sessies per jaar
  • Onbeperkt inspirerende Masterclasses
  • Schrijf je in voor praktijkgerichte Workshops
  • Lees PE-geaccrediteerde artikelen vanuit je luie stoel
  • Stel je vraag aan onze experts
  • 100% online, geen reistijden en verloren uren
  • 21 dagen op proef en beslis daarna pas