Stamrecht verjaard?

Het Gerechtshof oordeelt dat de vordering strekt tot het vestigen een stamrecht en dat daarvoor de verjaringstermijn van 5 jaar geldt. Wat is er aan de hand?

Appellant is in dienst geweest van de Philips-bedrijven en wel van 1 december 1951 tot en met 31 mei 1965 en van 1 januari 1978 tot en met 1 november 1984. Formeel had appellant arbeidsovereenkomsten van 01-12-1951 tot 31-05-196 met N.V. Philips Gloeilampenfabrieken,  van 01-01-1978 tot 30-09-1982 met N.V. Philips Gloeilampenfabrieken en van 01-10-1982 tot 01-11-1984 met Nederlandse Philipsbedrijven B.V. (NPB)

In de loop van 1983 is echter een arbeidsconflict tussen NPB en appellant ontstaan. Bij beschikking van 22 oktober 1984 heeft de kantonrechter te Eindhoven de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 november 1984, onder toekenning aan appellant van een vergoeding van ƒ 200.000,-- netto.

Op 31 augustus 2006 heeft appellant Philips N.V. in rechte betrokken en, kort gezegd, gevorderd Philips N.V. te veroordelen om op een door appellant aan te geven wijze en aan een door appellant op te geven rechtspersoon te voldoen de actuele waarde van ƒ 235.000,--/€ 106.638,--, vermeerderd met het rendement vanaf 23 september 1982, welk rendement wordt bepaald op de samengestelde wettelijke rente. Subsidiair vorderde appellant te verklaren voor recht dat hij jegens Philips N.V. is gerechtigd tot een stamrecht zulks naar een beginwaarde van € 106.638,-- per 23 september 1982.

Philips N.V. heeft zich tegen deze vordering verweerd en onder meer een beroep gedaan op verjaring. Bij vonnis van 15 augustus 2007, waarvan beroep, heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering, zo deze al bestond, is verjaard.

Appellant stelt in hoger beroep dat Philips N.V. aan hem een stamrecht is toegekend ter grootte van een bedrag van ƒ 235.000,--/€ 106.638,--, zulks naar de datum van 23 september 1982. Hieruit volgt volgens appellant de verplichting van Philips N.V. om een adequate voorziening te treffen. Philips N.V. gaf er volgens hem de voorkeur aan om haar liquiditeiten niet aan te spreken. Als oplossing werd een (aanvullende) pensioentoezegging gedaan zonder deze vast te leggen in een pensioenbrief, zoals de Pensioen- en Spaarfondsenwet voorschreef. Bij een schriftelijke pensioentoezegging dient afstorting van de koopsom bij een verzekeraar of een stamrecht B.V. plaats te vinden.

In 1982 ging het om de keuze waar het beheer van het stamrecht te leggen: Aegon, Nationale Nederlanden, pensioenfonds, eigen lijfrentevennootschap, zelfstandige stichting, Philips N.V., NPB. Het maakte, zo stelt appellant, allemaal niets uit zolang, gezien de fiscale overwegingen, appellant maar niet rechtstreeks over het geld zou beschikken. Een rationele keuze was om de cashflow van Philips N.V. voorlopig te ontzien. Het beheer bleef dus tot nader order bij Philips N.V. en appellant heeft hierop geen zicht gehad. Appellant vordert niet de vestiging, maar afstorting van het reeds gevestigde stamrecht.

Het hof overweegt dat in zijn algemeenheid met de vestiging van een stamrecht wordt beoogd het verkrijgen van periodieke lijfrente-uitkeringen, waarbij de fiscale afrekening eerst plaatsvindt op het moment dat de waarde van het uitstaande stamrecht periodiek tot uitkering komt. Vereist in dat verband is dat de werkgever de geldsom rechtstreeks stort aan de verzekeringsmaatschappij of een lijfrentevennootschap, waardoor er in fiscale zin voor de werknemer geen genietingsmoment kan worden aangewezen.

Appellant heeft, naar het hof met name uit diens toelichting op de vijfde en zesde grief in het principaal appel concludeert, ook deze constructie voor ogen als hij het over (de vestiging van) een stamrecht heeft. Appellant stelt echter dat hij niet het alsnog vestigen van een stamrecht vordert, maar de afstorting van het reeds gevestigde stamrecht, te weten de voorziening die Philips N.V. als goed beheerder wordt geacht te hebben geboekt.

De vordering van appellant is gericht tegen Philips N.V., met wie hij naar zijn zeggen de afspraken had gemaakt, waarop hij zijn vordering baseert. Het bedrag dat appellant vordert, is blijkens diens eigen stellingen de reservering die Philips N.V. in haar boeken had gemaakt of had dienen te maken in verband met de naar zeggen van appellant met hem gemaakte afspraken. Appellant betoogt dat het stamrecht reeds bij Philips N.V. is gevestigd door een voorziening in de boeken van Philips N.V.

Dit standpunt is volgens het Hof niet juist en concludeert dan ook dat de vordering van appellant wel degelijk strekt tot vestiging van een stamrecht en daarmee tot nakoming van een overeenkomst. Ingevolge het bepaalde in art. 68a en art. 73 Overgangswet NBW juncto art. 3:307 BW geldt daarvoor een verjaringstermijn van vijf jaren. Het voorgaande leidt tot dan ook de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verweer van Philips N.V. dat de vordering van appellant is verjaard, slaagt. De vordering wordt afgewezen.ECLI:NL:GHSHE:2016:1633

Informatie

  • De gewone werknemer, Leidraden, Pensioen Algemeen
  • Vrijdag 6 mei 2016

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie