Stamrechten en vrijval?

Bij de inbreng van een IB onderneming is in veel gevallen een lijfrente bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van deze onderneming. Op grond van de overeenkomst die hierbij wordt gesloten betreft dit vervolgens veelal een stamkapitaal dat opgerent dient te worden tot de einddatum. Alhoewel er veel te vertellen valt over deze oprentingsfase wil ik in deze bijdrage stilstaan bij het moment waarop het kapitaal aangewend dient te worden voor periodieke uitkeringen en de daaropvolgende waardering van deze uitkeringen.

Actualiteit

Het is mogelijk om een aftrekbare lijfrente te bedingen als tegenprestatie voor de overdracht van (een deel van) een onderneming op grond van het gestelde in artikel 3.126 lid 1, sub a Wet IB. De wetgever stelt hierbij de eis dat de lijfrente wordt bedongen bij ofwel een professionele verzekeraar, een bank, een beleggingsinstelling of van de overnemende partij. Indien de belastingplichtige zelf de onderneming ruisend doorschuift naar een B.V., is het mogelijk om bij die B.V. de lijfrente te bedingen. In de praktijk leveren dergelijke gevallen nauwelijks problemen op bij de belastingdienst.

Gerichte lijfrente

Van een éénmaal bedongen lijfrente dient uiteraard jaarlijks de hoogte van de verplichting te worden vastgesteld voor de fiscale (en commerciële) balans. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een gerichte lijfrente een zuivere lijfrente. Een gerichte lijfrente is een lijfrente waarvan de hoogte van de uitkering nog moet worden vastgesteld. Slechts de verzekerde, de begunstigde en de hoogte van het expirerende lijfrentekapitaal zijn bekend. Hiervan is derhalve sprake in de uitstelfase tot aan de ingangsdatum. Zoals aangegeven is over de jaarlijkse waardering hiervan veel te vertellen, maar gaat het ons in deze bijdrage om het moment waarop dit opgerente kapitaal dient te worden omgezet in een periodieke uitkering en de daarop volgende waardering van deze uitkeringen.

Zuivere lijfrente

In tegenstelling tot een gerichte lijfrente is bij een zuivere lijfrente de hoogte van de uitkering wel bekend. Een zuivere lijfrente dient dan ook – net als een pensioenuitkering – gewaardeerd te worden op grond van actuariële grondslagen (artikel 3.29 Wet IB 2001). Dit betekent dat een zuivere lijfrente gewaardeerd dient te worden op grond van netto actuariële grondslagen met een rekenrente van 4%. Alhoewel over deze grondslagen in het verleden meerdere malen is geprocedeerd is uiteindelijk met het verwijzingsarrest van Hof Arnhem van 18 april 2005 vast komen te staan dat de waardering van een zuivere lijfrente kan geschieden op basis van deze netto actuariële grondslagen, zonder rekening te houden met rentestandkorting. In dit kader is het belangrijk te beseffen dat elke lijfrente een keer zuiver wordt! Immers er komt een moment dat van het stamrechtkapitaal een periodieke uitkering dient te worden aangekocht.

Voor de waardering van een pensioenverplichting in een pensioenlichaam is artikel 8, zesde lid Wet Vpb van belang, op grond waarvan geen rekening gehouden mag worden met verwachtingen ten aanzien van toekomstige levensverwachtingen en geen leeftijdsterugstellingen op de meest recente overlevingstafel mogen worden toegepast. Dit artikel is echter niet van toepassing op de waardering van een lijfrenteverplichting.

Moment van ingang van de uitkeringen

In de stamrechtovereenkomst zal zijn vastgelegd op welk moment het kapitaal dient te worden aangewend voor periodieke uitkeringen. In het verleden was dit vaak 65 jaar. Tegenwoordig zal veelal de AOW leeftijd worden opgenomen. Welke datum het ook is, het is van belang deze datum in de gaten te houden. Immers, als deze datum wordt overschreden kan de fiscus zich op het standpunt stellen dat sprake is van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.133 Wet IB2001 met bijbehorende heffing en revisierente. Overigens geldt dit niet voor overeenkomsten van voor 1992, maar dat worden er in de praktijk natuurlijk steeds minder.

Er zijn nog twee ‘escapes’ mogelijk om de heffing te voorkomen:

  1. Er bestaat een ‘wettelijke termijn’ voor het aankopen van de lijfrentetermijnen. Deze is neergelegd in artikel 3.133 lid 3 Wet IB2001:

    “Een aanspraak op lijfrente die op de contractueel overeengekomen datum nog niet komt tot uitkering van termijnen omdat de omvang van die termijnen nog moet worden vastgesteld, wordt op de hierna aangeduide uiterste datum geacht te zijn afgekocht indien op die datum nog geen termijnen zijn vastgesteld of omzetting in een andere zodanige aanspraak nog niet heeft plaatsgevonden. De uiterste datum is 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractueel overeengekomen datum bij leven en 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractueel overeengekomen datum bij overlijden, welke termijn door de inspecteur kan worden verlengd wanneer door bijzondere omstandigheden de omvang van de termijnen niet eerder is vastgesteld of omzetting nog niet heeft plaatsgevonden.”

    Op grond van dit artikellid bestaat er dus enige ruimte voordat de belastingdienst over zal gaan tot het stellen van afkoop en wel tot 31 december van het jaar volgend op het jaar van de vastgelegde einddatum.
  1. De lijfrente uitstellen tot de maximale wettelijk ingangsdatum.

    Op grond van artikel 3.125 Wet IB2001 is de laatst mogelijke ingangsdatum van een lijfrente 5 jaar na de AOW leeftijd. Dit zou uitkomst kunnen bieden als de uitkeringen nog nu nog niet gewenst zijn. Op grond van artikel 3.134 lid 1 Wet IB2001 bestaat de mogelijkheid om de ene kwalificerende lijfrente om te zetten in de andere:

    “Voorzover een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 wordt omgezet in een ander zodanig recht, wordt het tweede recht beschouwd als een voortzetting van het eerste.”

    Indien dus wordt besloten de lijfrente ‘uit te stellen’ naar AOW plus 5 jaar, behoeft nu nog geen uitkering te worden bepaald. Om discussie te voorkomen, verdient het wel aanbeveling om een en ander vast te leggen.

Bepaling uitkering

Maar goed, eens komt het moment dat de uitkeringen toch echt in dienen te gaan. Op het moment dat de gerichte lijfrente dient te worden omgezet in een zuivere, dient dit echter met de dan geldende marktconforme grondslagen, te gebeuren. De hoogte van de uitkeringen dient dus met commerciële grondslagen te worden gedaan. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de grondslagen zoals genoemd in V&A 13-006 waarin de belangdienst de commerciële grondslagen voor pensioenen heeft vastgelegd.

De huidige marktrente zorgt uiteraard voor tamelijk lage uitkeringen. Als deze uitkeringen dan vervolgens aan het einde van het jaar weer fiscaal gewaardeerd dienen te worden zal dit een aanzienlijke eenmalige vrijval tot gevolg hebben. Herhaaldelijke verzoeken aan de staatssecretaris om toepassing van de hardheidsclausule, hebben tot op heden niets opgeleverd.

De bestaande jurisprudentie op dit punt biedt helaas ook geen oplossing. Zo oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden op 30 juni 2020 dat ondanks dat het waarderingsvoorschrift een (belaste) vrijval tot gevolg kan hebben dit kennelijk door de wetgever is voorzien en aanvaard. De omstandigheid dat het waarderingsvoorschrift inbreuk maakt op het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel betekent niet dat deze bepaling buiten toepassing moet blijven wegens strijd met goed koopmansgebruik. Het Hof baseert haar oordeel op een eerder Hoge Raad arrest te weten HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3082.

Onderstaande casus geeft in getallen weer wat het resultaat is van de visie van de staatssecretaris.

Casus

Een ondernemer heeft zijn onderneming ingebracht in zijn B.V. en voor de stakingswinst en de oudedagsreserve een lijfrente bedongen. Het opgerente lijfrentekapitaal bedraagt op de AOW-gerechtigde leeftijd van de ondernemer (01-05-2021) € 450.000. De ondernemer is geboren op 01-01-1955 en zijn partner op 01-07-1957.

Dit bedrag kan worden aangemerkt als bruto koopsom voor het bepalen van de lijfrente-uitkeringen.

Stel dat de ondernemer een levenslange lijfrente wil bedingen, die bij zijn overlijden voor 70% overgaat op zijn jongere partner. De marktrente bedraagt 1%.

Op basis van deze gegevens kan de lijfrente als volgt worden berekend

Geboortedatum gerechtigde (man)

01-01-1955

Geboortedatum partner (vrouw)

01-07-1957

 

Grondslagen

 

Beschikbare koopsom

€ 450.000

Soort uitkering

Lijfrente

Aanvang uitkering

Direct ingaand

Looptijd uitkering

Levenslang

Overgang op de partner

70%

 

Overlevingstafel           

GBM/GBV. 2014-2019

Leeftijdscorrectie

Man -5 / Vrouw -6

Marktrente

1% (fictief)

Rekenrente fiscale waardering

4%

Kosten- en winstopslag

Conform fiscus

 

De jaarlijkse uitkering, bedraagt en wordt per maand achteraf uitbetaald

€  18.085

Bij overlijden van de gerechtigde gaat de uitkering voor

70%

Direct over op het leven van de partner en bedraagt

€  12.660


Vervolgens dient de lijfrente fiscaal gewaardeerd te worden op basis van een rekenrente van 4%. De leeftijdscorrecties mogen ook nu worden toegepast.

Dit geeft het volgende resultaat.

Uitgaande van de bovenstaande gegevens bedraagt de fiscale koopsom voor deze lijfrente uitkering een bedrag groot € 293.784. Het verschil tussen de bruto koopsom (€ 450.000) en de fiscale verplichting (€ 293.784) valt vrij in de winst van de B.V..

Oplossingsrichtingen

Allereerst is de vrijval natuurlijk slechts het naar voren halen van de VpB heffing en wordt deze later weer ‘inverdiend’. Maar goed afhankelijk van wel/niet compensabele verliezen en mogelijk andere VpB-tarieven in de toekomst, kan dit toch best een hoop geld schelen.

Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn de ingangsdatum van de lijfrente uit te stellen tot uiterlijk AOW leeftijd plus 5 zoals eerder besproken. Mocht de marktrente dan gaan stijgen, dan wordt de vrijval minder.

Als de uitkeringen dat toch echt de uiterste ingangsdatum bereikt hebben, zou besloten kunnen worden rekentechnisch te werken met een interne rekenrente waarin ook de kosten worden uitgesmeerd over de looptijd. Dat scheelt iets, maar niet veel.

Wellicht dat een deel van het stamrechtkapitaal gebruikt kan worden voor een tijdelijke lijfrente. Alsdan is de invloed van de rekenrente minder groot en derhalve de bijbehorende vrijval ook.

Het zijn allemaal oplossingen die de pijn wellicht een beetje verzachten, maar ok niet meer dan dat. De enige echte oplossing om de vrijval te voorkomen is het stamrecht af te storten naar een bank of verzekeraar. Maar ja, daar heb je dan wel de benodigde liquiditeiten voor nodig waar je dan niet meer vrijelijk over kunt beschikken.

Meer weten?
Wil je meer weten over de pensioen- en lijfrente problematiek van de DGA, schrijf je dan in voor:

 Daar gaan we uitgebreid in op de actuele ontwikkelingen rondom de inkomensvoorzieningen van de DGA.

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Lijfrente, Fiscale winstbepaling
  • EQF 7
  • 0,5 PE punt(en)
  • Dinsdag 12 oktober 2021

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie