Toepassing staffelbesluit pensioenen

Sinds de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen hebben verschillende staffelbesluiten elkaar met de regelmaat van de wijzigingen van de fiscale regimes van het Witteveenkader opgevolgd.

Het eerste staffelbesluit dateerde van 20 april 2000 en het laatste van 20 december 2019.

In 2009 werden voor het eerst afwijkende staffels op basis van een rekenrente van 3% gepubliceerd, die alleen onder bepaalde voorwaarden gebruikt konden worden. Voor deze staffels werd een eventtoets ingevoerd, die later weer werd versoepeld. In navolgende beschouwing wordt hierop verder ingegaan.

VPL-wetgeving

In het staffelbesluit van 21 december 2009 werden, naast de eerste netto staffels (exclusief kosten en premievrijstelling bij invaliditeit) met pensioenleeftijd 65 jaar, ook voor het eerst twee nieuwe staffels geïntroduceerd. Deze staffels waren, in afwijking van de wettelijke regels (artikel 18a, lid 3 Wet LB), niet gebaseerd op een rekenrente van 4%, maar op een rekenrente van 3%. Het betrof de staffels voor:

  • Premieovereenkomsten maximaal gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
  • Premieovereenkomsten op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen

De reden voor de introductie van deze 3%-staffels was dat als gevolg van de dalende rentevoeten door verzekeraars afwijkende individuele en collectieve pensioenproducten werden ontwikkeld. Dit was nodig aangezien de premies, gebaseerd op een minimale rekenrente van 4%, onder de geldende marktomstandigheden meestal onvoldoende mogelijkheden boden om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar was met een fiscaal maximaal middelloonpensioen.

Voor premieovereenkomsten gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen werd en wordt de beschikbare premie op basis van dezelfde berekeningsgrondslagen bepaald als bij de 4% staffels. Het enige verschil is dus de rekenrente.

Voor premieovereenkomsten gericht op ten hoogste de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen was en is de jaarlijks in te leggen beschikbare premie ten hoogste gelijk aan de op basis van de berekeningsgrondslagen van de pensioenverzekeraar of het pensioenfonds vast te stellen kostprijs van een middelloonpensioen binnen de fiscale kaders van de Wet LB.

Een eventueel behaald overrendement kon alleen worden aangewend voor een fiscaal maximaal toegestane indexatie van het pensioen. Restuitkeringen, in welke vorm dan ook, waren niet mogelijk. Als na het vaststellen van een fiscaal maximaal, geïndexeerd middelloonpensioen nog kapitaal overbleef, verviel dit aan de pensioenuitvoerder in tegenstelling tot de 4%-staffels.

VAP-wetgeving

In het kader van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (VAP) werden de staffels aangepast aan pensioenrichtleeftijd 67 jaar. Aanvankelijk bij besluit van 13 december 2012, later vanwege enkele onjuistheden gecorrigeerd bij het besluit van 12 februari 2013.

Ten aanzien van de 3%-staffels werd een zogenaamde eventtoets toegevoegd. Deze eventtoets hield in dat in de pensioenregeling moest zijn vastgelegd dat het pensioen inclusief de toegekende indexatie zowel per jaar als in totaal niet uitging boven een middelloonpensioen binnen de fiscale kaders van de Wet LB. Desgewenst kon de toets aan de fiscale maxima ook worden uitgevoerd op basis van het actuele loon. In dat geval moest het opbouwpercentage worden gecorrigeerd voor de carrièreontwikkeling, zodat hiervoor een opbouwpercentage van ten hoogste 1,9% gehanteerd moest worden.

De voorgeschreven eventtoets impliceerde echter niet dat de verzekeraar daadwerkelijk jaarlijks moest toetsen of de pensioenopbouw binnen de fiscale kaders bleef. Als de toezegging op juiste wijze was vormgegeven, kon de toets beperkt blijven tot een aantal expliciet genoemde toetsmomenten (events).

De toezegging moest daarvoor twee begrenzingen hebben, waarbij de deelnemer recht had op de laagste van de twee. Deze twee begrenzingen waren:

  1. Ten hoogste een pensioentoezegging passend binnen de fiscale kaders van de Wet LB
  2. Of indien dit lager is, de pensioenuitkering die men kan aankopen uit de waarde van de beleggingen

Indien aan bovenstaande voorwaarden was voldaan, kon de toetsing beperkt blijven tot de volgende momenten (events):

  • Bij elke waardeoverdracht
  • Bij onderlinge ruil van pensioen
  • Bij overlijden van een pensioengerechtigde
  • Bij echtscheiding of beëindiging van partnerschap van een pensioengerechtigde
  • Bij emigratie van een pensioengerechtigde
  • Bij een relevante wijziging van de fiscale regelgeving
  • Op elke feitelijke ingangsdatum van elk soort pensioen

Op het toetsmoment moest de opgebouwde waarde worden vergeleken met de maximale ruimte van de fiscaal zuivere middelloontoezegging, waarbij tevens mocht worden getoetst op basis van het actuele loon onder bovengenoemde voorwaarde ten aanzien van het opbouwpercentage.

De kostprijs van de toezegging zoals die steeds administratief werd bewaakt, moest worden getoetst op basis van de tarieven van de uitvoerende verzekeraar. Bij waardeoverdracht was dat de overdragende verzekeraar.

Evenals onder het besluit van 21 december 2009 kon een eventueel behaald overrendement alleen worden aangewend voor een fiscaal maximaal toegestane indexatie van het pensioen. Restuitkeringen, in welke vorm dan ook, waren niet mogelijk. Als na het vaststellen van een fiscaal maximaal, geïndexeerd middelloonpensioen nog kapitaal overbleef, verviel dit aan de pensioenuitvoerder in tegenstelling tot de 4%-staffels.

Witteveen 2015

Op 17 december 2014 werd het staffelbesluit andermaal herzien in het kader van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, de wijziging van die wet en het Belastingplan 2014 (Witteveen 2015). De eventtoets bleef onveranderd, met dien verstande dat voor toetsing op basis van het actuele loon moest worden uitgegaan van een opbouwpercentage van ten hoogste 1,657% in combinatie met een AOW-franchise die ten minste gelijk was aan de AOW-uitkering voor een gehuwde vermenigvuldigd met de factor 100/66,28. De franchise voor 2014 en voorgaande jaren moest ten minste gelijk zijn aan de AOW-uitkering voor een gehuwde vermenigvuldigd met de factor 10/7.

Voor het jaar 2014 mag een opbouwpercentage worden gehanteerd van 1,9% op basis van het pensioengevend loon en de franchise per 31 december 2014. Voor de jaren voorafgaande aan 2014 kan een opbouwpercentage worden gehanteerd van 2% op basis van het pensioengevend loon en de franchise per 31 december 2013.

Aanpassing eventtoets

Op 20 januari 2017 werd het staffelbesluit van 17 december 2014, wegens enkele onduidelijkheden herzien.

Voor premieovereenkomsten op basis van de kostprijs moet de (pensioen)verzekeraar uitgaan van de kostprijs van een fiscaal maximaal nominaal middelloonpensioen zoals die van toepassing is bij het aangaan van het contract met de werkgever, voor een contractperiode van maximaal 5 jaar. De kostprijs moet telkens aan het aan het einde van elke contractperiode worden herzien. Ook als deze minder dan 5 jaar duurt.

Daarnaast werd voor deze premieovereenkomsten de kring van toegelaten verzekeraars uitgebreid met de PPI. Voorwaarde is wel dat de beschikbare premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een maximaal middelloonpensioen die door de verzekeraar waarmee de PPI een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, wordt gehanteerd.

Tot 1 januari 2017 mochten PPI’s alleen beschikbare premieregelingen gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen met staffels op basis van 3% en/of 4% uitvoeren, maar geen beschikbare premieregelingen op basis van de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen.

Inhoudelijk is de eventtoets ongewijzigd gebleven, met dien verstande dat als de toezegging volgens de eerdergenoemde voorwaarden (Staffelbesluit 17 december 2014) is vormgegeven de toetsing beperkt kan blijven tot het moment waarop de in de regeling opgebouwde waarde het regime van bijlage IV van het staffelbesluit geheel of gedeeltelijk verlaat, maar uiterlijk op pensioeningangsdatum. Met andere woorden, de hiervoor expliciet genoemde toetsmomenten werden vervangen door een algemene omschrijving. De toetsing kan beperkt blijven tot het moment waarop de in de regeling opgebouwde waarde het regime van bijlage IV of V van dit besluit geheel of gedeeltelijk verlaat, maar uiterlijk op pensioeningangsdatum. Dit betekent dat de toetsing beperkt kan blijven tot het moment waarop de in de regeling opgebouwde waarde wordt ingebracht in een andersoortige pensioenregeling maar uiterlijk op pensioeningangsdatum.

Voor zover het pensioen gedeeltelijk ingaat, kan de toets beperkt blijven tot dat deel. Nieuw is dat een eventueel overschot vervalt aan de verzekeraar dan wel aan de (ex-)werkgever. De toets kan ook achterwege blijven ingeval het pensioen wordt overgedragen aan een regeling waarop het regime van bijlage V van het staffelbesluit van toepassing is, of ingeval van afkoop van een klein pensioen.

Restuitkeringen, in welke vorm dan ook, zijn niet mogelijk. Als na het vaststellen van het fiscal maximale, geïndexeerde pensioen nog kapitaal overblijft, vervalt dit aan de verzekeraar. Nieuw is dat met ingang van 1 januari 2015 restuitkeringen ook kunnen toekomen aan de (ex-)werkgever. De werkgever mag deze eventuele restuitkering vervolgens niet ten goede laten komen de werknemer/deelnemer of zijn nabestaande(n) (V&A 18-005 CAP). Gebeurt dit wel dan is er feitelijk sprake van het door de werkgever toekennen van extra pensioen bovenop het reeds fiscaal maximale pensioen en/of van een fiscaal niet toelaatbare vorm van restbegunstiging. In beide gevallen zal het pensioen door het ten goede komen van het surplus aan pensioenkapitaal niet langer voldoen aan de fiscale voorwaarden voor pensioen. Het gevolg hiervan is dat de pensioenaanspraak niet langer voldoet aan de fiscale eisen, zodat de waarde in het economisch verkeer van de pensioenaanspraak direct progressief belast wordt (artikel 19b Wet LB). Bovendien is op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen revisierente verschuldigd door de (nabestaanden van de) werknemer.

Witteveen 2018

In verband met de verhoging van de pensioenrichtleeftijd van 67 jaar naar 68 jaar per 1 januari 2018, werd op 23 november een 2017 nieuw staffelbesluit uitgebracht. Dit nieuwe staffelbesluit bevatte geen wijzigingen ten opzichte van het bestaande beleid.

Eventtoets en nettopensioen

Sinds de invoering van het maximum pensioengevendloon van € 100.000 in 2015, dat nadien jaarlijks wordt geïndexeerd, zijn ook de premiestaffels voor een nettopensioen in het staffelbesluit (bijlage VII) opgenomen. Ook hier kan een 3%- en 4%-staffel worden onderscheiden, waarbij wordt uitgegaan van staffel 4 (ouderdoms- en bereikbaar partnerpensioen).

De 3%-staffel kent een uitkeringsbegrenzing en een eventtoets. Daarbij geldt een overeenkomstige toepassing van de voorwaarden, zoals die voor de reguliere 3%-staffels in bijlage IV van het staffelbesluit van toepassing zijn, met dien verstande dat de toetsing plaatsvindt op basis van het loon vermenigvuldigd met de nettofactor. De nettofactor is gelijk aan 1 – belastingtarief van de hoogste belastingschijf in box 1, dus (1 - 0,5175) in 2019 en (1 – 0,495) voor 2020.

Nieuwe overlevingstafel

De berekening van de staffels is gebaseerd op de overlevingstafel GBM/GBV 2012/2017 met leeftijdsverlagingen van 5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. In de vorige staffelbesluiten was de berekening van de staffels gebaseerd op overlevingstafel GBM/GBV 2011/2016. Partijen mogen deze staffels hanteren als de pensioenverzekeraar een levensverzekeringsmaatschappij is die binnen de pensioenverzekering uitgaat van individuele tarieven. Met individueel tarief wordt hier bedoeld: het tarief dat de verzekeraar in individuele gevallen hanteert (het standaardtarief). Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een van het standaardtarief afwijkend collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbare-premiepercentages dienovereenkomstig verlagen.

Resumerend

Besluit 13 december 2009

  • Introductie afwijkende premieovereenkomsten en staffels op basis van rekenrente 3%
  • Restuitkeringen niet mogelijk, deze vervallen aan verzekeraar

Besluit 12 februari 2013 (VAP-wetgeving)

  • Introductie eventtoets voor afwijkende premieovereenkomsten (3% staffels)
  • Restuitkeringen vervallen aan de verzekeraar

Besluit 17 december 2014 (Witteveen 2015)

  • Restuitkeringen kunnen naast de verzekeraar ook toekomen aan de (ex-)werkgever
  • Uitkeringsbegrenzing en eventtoets voor nettopensioen

Besluit 20 januari 2017

  • Uitbreiding kring toegelaten verzekeraars voor premieovereenkomsten op basis van kostprijs met de PPI
  • Eventtoets meer algemeen omschreven
  • Restuitkeringen vervallen aan verzekeraar, dan wel (ex-)werkgever

Besluit 10 december 2018

  • Geen wijzigingen in eventtoets
  • Wel wijzigingen premiepercentages nettopensioen i.v.m. wijziging netto factor

Besluit 20 december 2019

  • Geen wijziging in eventtoets
  • Wel wijziging staffelpercentages i.v.m. aanpassing overlevingstafel
  • Wel wijziging premiepercentages nettopensioen i.v.m. wijziging netto factor

Externe links

Informatie

  • Pensioen
  • Maandag 23 maart 2020

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie