Uiterste en redelijke termijn aankoop pensioen of loonstamrecht

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft de relatie tussen de zogenaamde uiterste – en redelijke termijn verduidelijkt in V&A 18-009.

Voor de aankoop van een periodieke pensioenuitkering bij expiratie van het pensioenkapitaal op pensioendatum in het kader van een premie- of kapitaalovereenkomst gelden fiscale regels. Hetzelfde geldt voor de aankoop van periodieke uitkeringen uit een loonstamrecht, of bij de deblokkering van een loonstamrechtspaarrekening of een loonstamrechtbeleggingsrecht.

 

In eerste instantie spreekt de Wet op de loonbelasting van een zogenaamde uiterste termijn.

 

Uiterste termijn pensioenen

De uiterste termijn voor een ouderdomspensioen is het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd (artikel 18a, lid 4 Wet LB);

Voor het partner- en wezenpensioen is de uiterste termijn gelijk aan de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de (gewezen) werknemer is overleden. Ingeval de partner of de wees recht heeft op Anw-uitkering geldt als uiterste termijn de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat recht eindigt (artikel 18b, lid 6 respectievelijk artikel 18c, lid 4 Wet LB).

 

Uiterste termijn periodieke uitkeringen uit loonstamrecht

De uiterste termijn voor een loonstamrecht is het jaar waarin de gerechtigde (gewezen) werknemer de AOW-leeftijd bereikt en ten behoeve van de partner en/of wezen (jonger dan 30 jaar) het tijdstip van overlijden van de (gewezen) werknemer (artikel 11, lid 1, onderdeel g sub 1o Wet LB tekst 2013).

 

Betekent dit nu dat bovengenoemde tijdstippen absolute uitersten zijn?

 

Nee, in V&A 10-001 geeft het CAP aan dat de uiterste termijn kan worden overschreden.

De gerechtigde tot de uitkeringen moet een zekere periode de tijd worden gegund om zich te oriënteren, offertes te kunnen vergelijken en een geschikte uitvoerder te vinden. Het CAP acht een periode van 6 maanden voor het bedingen van een uitkering door de gerechtigde bij in leven zijn en van 12 maanden voor het bedingen van een uitkering door de nabestaanden ingeval van overlijden, een redelijke termijn.

 

Bovendien kan, als mocht blijken dat de uitkeringen niet binnen een van de genoemde redelijke  termijnen kunnen ingaan, deze periode worden verlengd. In dat geval zal de gerechtigde tot het pensioen, het stamrecht, de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht tegenover de inspecteur aannemelijk moeten waarom een uitbreiding van die redelijke termijn gerechtvaardigd is.

 

Kortom, de wettelijke uiterste termijnen voor pensioenen en loonstamrechten kunnen worden overschreden met de zogenaamde redelijke termijn. In dat geval gaan de pensioen- of stamrechtuitkeringen later in dan de uiterste ingangsdatum. Dit heeft verder geen fiscale gevolgen.

 

Wordt aan bovenstaande voorwaarden niet voldaan en worden de termijnen wel overschreden, dan

is geen sprake meer van een pensioen- en/of loonstamrechtregeling in de zin van de Wet LB en wordt de waarde van de pensioen- of loonstamrechtaanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. Tevens is revisierente verschuldigd.

 

Informatie

  • Fiscale Aspecten, Toekomstvoorzieningen
  • Dinsdag 30 oktober 2018

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie