Wet waardeoverdracht klein pensioen

Op 22 december 2017 is de Wet waardeoverdracht klein pensioen afgekondigd in het Staatsblad. Sinds 1 maart 2018 was al een beperkt aantal artikelen van deze wet in werking getreden. Het betreft de artikelen over het afschaffen van het bezwaarrecht bij ‘verplichte’ aanpassing van de fiscale pensioenrichtleeftijd, het recht op waardeoverdracht van een geconverteerd pensioen en het instemmingsrecht van de vereveningsgerechtigde echtgenoot bij waardeoverdracht naar het buitenland.

Vanaf 1 januari 2019 respectievelijk 1 juli 2019 zijn de artikelen over afkoop en waardeoverdracht van kleine pensioenen en het vervallen van heel kleine pensioenen van kracht. Het betreft hier uitsluitend het ouderdomspensioen. Voor partner- en wezenpensioen verandert er niets.

Doelstelling

Het aantal kleine pensioenen in de administratie van pensioenuitvoerders is sterk toegenomen, mede als gevolg van een toenemend aantal kortlopende dienstverbanden en het feit dat deelnemers vaak geen gebruik maken van hun recht op waardeoverdracht. Deze toename van het aantal kleine pensioenen leidt tot administratieve lasten voor pensioenuitvoerders, die uiteindelijk ten laste van de deelnemers komen. Daarnaast maken pensioenuitvoerders op grote schaal gebruik van hun recht om kleine pensioenen, zonder revisierente, af te kopen om hun kosten te beperken.

Keerzijde van de afkoop van kleine pensioenen is dat de pensioengelden hun pensioenbestemming niet bereiken. Dat kan aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor het uiteindelijke pensioenresultaat. Ook voor pensioenuitvoerders kan afkoop van het kleine pensioenen tot onevenredig hoge kosten als afkooppogingen stranden. Kortom, ten aanzien van kleine pensioenen is sprake van een onbevredigende situatie, zowel voor de deelnemers als voor de pensioenuitvoerders.

Met de Wet waardeoverdracht klein pensioen is een oplossing voor dit probleem aangereikt door een automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen van een gewezen deelnemer naar zijn of haar nieuwe pensioenuitvoerder mogelijk te maken.

Op deze manier kunnen kleine pensioenaanspraken gebundeld worden tot een pensioen van aanzienlijker omvang en kunnen de kosten voor pensioenuitvoerders worden beperkt. Daarnaast voorziet de wet in het zonder compensatie laten vervallen van heel kleine pensioenen van € 2 of minder per jaar.

Afkoop klein ouderdomspensioen tot 01-01-2018

Onder het regime van de PSW was afkoop van kleine pensioenaanspraken slechts mogelijk bij deelnemers die minder dan een jaar aan de regeling hadden deelgenomen dan wel als bij pensionering bleek dat het opgebouwde pensioen op jaarbasis lager was dan een bepaald grensbedrag, dat jaarlijks werd geïndexeerd.

Sinds de invoering van de Pensioenwet in 2007 hadden pensioenuitvoerders een eenzijdig recht om ook vóór pensionering tot afkoop van kleine pensioenen over te kunnen gaan.

Deze afkoop was op z’n vroegst mogelijk twee jaar na beëindiging van de deelneming dan wel als de ingangsdatum van het ouderdomspensioen binnen die termijn van twee jaar lag, bij ingang van het ouderdomspensioen.

In beide gevallen moest de pensioenuitvoerder het voornemen tot afkoop binnen zes maanden na afloop van die termijn melden bij de pensioengerechtigde. Gebeurde dat niet of pas na die termijn van 6 maanden, dan was voor afkoop wel instemming van de gewezen deelnemer of gepensioneerde vereist.

De hoogte van de af te kopen pensioenuitkeringen wordt jaarlijks geïndexeerd en bedroeg in 2018 een bedrag van € 474,11. Voor 2019 is dit bedrag vastgesteld op
€ 484,09 en voor 2020 een bedrag van € 497,27.

Afkoop klein ouderdomspensioen vanaf 01-01-2019

Sinds 1 januari 2019 zijn de regels betrekking tot de afkoop van klein ouderdomspensioen gewijzigd.

Heel kleine pensioenen

Heel kleine pensioenen, tot € 2 bruto per jaar, komen te vervallen (artikel 55, lid 6 PW), tenzij men vóór 1 januari 2019 had geopteerd voor afkoop of waardeoverdracht of tenzij de deelnemer verhuist naar een andere lidstaat en hij de pensioenuitvoerder daarover bij beëindiging van de deelneming heeft geïnformeerd.

In 2018 hebben pensioenuitvoerders door middel van een eenmalige opschoonactie heel kleine pensioenen afgekocht of overgedragen voordat deze aanspraken vanaf 1januari 2019 (kunnen) vervallen. Aangezien pensioenuitvoerders voor die afkoop een wettelijke termijn van 2 jaar na beëindiging van de deelneming in aanmerking moesten nemen, betekende dit dat heel kleine aanspraken ontstaan in 2017 en 2018 niet in die opschoonactie konden worden meegenomen. Voor deze pensioenen is een uitzondering gemaakt, zodat ook deze heel kleine (zonder revisierente) kunnen worden afgekocht.

Uiteindelijk is voor heel kleine pensioenen, welke in 2017 en 2018 zijn ontstaan, afgesproken dat pensioenuitvoerders tot 1 juli 2019 het recht hebben om tot afkoop (zonder revisierente) over te gaan. Deze verlenging van de termijn tot 1 juli 2019 was nodig omdat de termijn voor deelnemers die zich tot en met 31 december 2018 zouden kunnen melden wel erg krap was (artikel 220b, lid 6 PW).

Kleine pensioenen

Kleine pensioenen van € 2 tot € 497,27 (2020) bruto per jaar mogen sinds 1 januari 2019 niet zonder meer worden afgekocht. Pensioenuitvoerders kunnen kleine pensioenen die vanaf 1 januari 2018 (zijn) ontstaan met ingang van 1 januari 2019 automatisch overdragen aan de pensioenuitvoerder, waar de gewezen deelnemer op dat moment zijn pensioen opbouwt. Het is ook mogelijk het pensioen te laten staan als klein pensioen.

Voor bestaande kleine pensioenen die ontstaan zijn vóór 1 januari 2018 is de automatische waardeoverdracht sinds 1 januari 2020 van kracht.

Afkoop en waardeoverdracht per 1 januari 2019

De artikelen van de Wet waardeoverdracht klein pensioen, die betrekking hebben op afkoop en waardeoverdracht van klein ouderdomspensioen en het vervallen van heel klein pensioen zijn met ingang van 1 januari 2019 van kracht.

Algemeen

Vanaf 1 januari 2019 bepaalt artikel 66 PW dat de pensioenuitvoerder uitsluitend tot afkoop van een klein ouderdomspensioen van een gepensioneerde over kan gaan op de ingangsdatum met dien verstande dat:

  1. De uitkering van het ouderdomspensioen op de ingangsdatum minder bedraagt dan € 497,27 per jaar (2020) en
  2. De gepensioneerde geen bezwaar maakt tegen de afkoop indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2007 (PSW-regime) of de gepensioneerde instemt met de afkoop indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2007 (PW-regime)

Afkoop van een klein ouderdomspensioen van een gewezen deelnemer is alleen mogelijk als de op het tijdstip van beëindiging van de deelneming opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen lager is dan € 497,27 (2020) en de gewezen deelnemer geen bezwaar maakt tegen de afkoop indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2007 of de gewezen deelnemer instemt met de afkoop indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2007.

De wet maakt onderscheid tussen ‘bestaande’ en ‘nieuwe’ gevallen. De grens ligt op 1 januari 2018.

Nieuwe gevallen: deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2018

‘Nieuwe’ gevallen zijn die gevallen waarin de deelneming aan de pensioenregeling eindigt vanaf 1 januari 2018. Hiervoor geldt het nieuwe systeem van waardeoverdracht met ingang van 1 januari 2019.

Dat betekent dat voor een klein ouderdomspensioen, ontstaan vanaf 1 januari 2018, afkoop alleen mogelijk is als de pensioenuitvoerder nadien ten minste vijfmaal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer over te dragen aan een ontvangende pensioenuitvoerder waarbij de gewezen deelnemer ten tijde van de overdracht actief pensioen opbouwt en de gewezen deelnemer zijn toestemming geeft.

Afkoop is ook mogelijk als de deelneming is geëindigd tussen 1 januari 2018 en 1 januari 2019 onder de voorwaarde dat na 1 januari 2019, ten minste vijf jaar is verstreken.

Dit vloeit voort uit artikel 66, tweede lid onderdeel c PW.

Bestaande gevallen: deelneming is geëindigd vóór 1 januari 2018

Is de deelneming geëindigd vóór 1 januari 2018 dan is sprake van ‘bestaande’ gevallen van klein pensioen en gelden bovenstaande beperkingen ten aanzien van afkoop niet. Op grond van het overgangsrecht (artikel 220b PW) kunnen deze kleine pensioenen nog steeds op zijn vroegst 2 jaar na einde van de deelneming door de pensioenuitvoerder worden afgekocht, mits de gewezen deelnemer hiermee instemt. Vanaf 2020 worden de ‘bestaande’ gevallen ook in het nieuwe systeem van waardeoverdracht worden betrokken.

Automatische waardeoverdracht

Op grond van artikel 70a PW hebben pensioenuitvoerders het recht tot waardeoverdracht van de pensioenaanspraken, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan:

  1. Er moet sprake zijn van een kleine aanspraak op ouderdomspensioen waarvan de uitkering op de ingangsdatum van het pensioen lager is dan € 497,27 per jaar (2020)
  2. De pensioenuitvoerder moet deze grens hanteren. Een lagere grens is niet toegestaan
  3. Het mag niet gaan om een nettopensioen. Als het bij (een deel van) de pensioenaanspraken om nettopensioen gaat, wordt het nettopensioen dus niet overgedragen
  4. Er moet sprake zijn van een ontvangende pensioenuitvoerder waarbij de gewezen deelnemer ten tijde van de overdracht actief pensioen opbouwt. Dit impliceert dus dat de gewezen deelnemer pensioen moet opbouwen bij de pensioenuitvoerder van zijn nieuwe werkgever

De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht de overdrachtswaarde aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer. De overige leden van artikel 70a PW zijn ook overgenomen uit artikel 71 PW en betreffen zaken die ook bij deze vorm van individuele waardeoverdracht gelden, zoals actuariële gelijkwaardigheid en het niet in rekening brengen van kosten bij de gewezen deelnemer.

In artikel 17e van het Besluit uitvoering Pensioenwet is bepaald hoe de automatische waardeoverdracht van nieuwe aanspraken op klein ouderdomspensioen ontstaan vanaf 2018, plaatsvindt. Dit recht op automatische waardeoverdracht geldt sinds 1 januari 2019.

In artikel 17f van het Besluit uitvoering Pensioenwet is bepaald dat de automatische waardeoverdracht voor bestaande kleine pensioenaanspraken, die ontstaan zijn vóór 1 januari 2018, met ingang van 1 januari 2020 van kracht is.

Automatische waardeoverdracht en wettelijk recht op waardeoverdracht

Op grond van artikel 71 PW is de pensioenuitvoerder verplicht mee te werken aan een verzoek individuele waardeoverdracht bij wisseling van dienstbetrekking en opname in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever.

Echter, als de financiële positie van het pensioenfonds ontoereikend is (lage dekkingsgraad), de werkgever meer dan € 15.000 en meer dan 10% van de overdrachtswaarde moet bijbetalen dan wel de deelneming is geëindigd vóór 8 juli 1994; is het wettelijk recht op waardeoverdracht niet van toepassing.

Dit geldt ook als sprake is van automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen. Met andere woorden, een deelnemer heeft geen recht op individuele waardeoverdracht als een pensioenuitvoerder gebruik maakt van het recht op automatische waardeoverdracht. Dat betekent dat als een deelnemer na 1 januari 2019 bij de ontvangende pensioenuitvoer­der een verzoek doet tot individuele waardeoverdracht en de ontvangende pensioenuitvoerder zich vervolgens meldt bij de overdragende uitvoerder, kan deze melden dat er sprake is van een kleine pensioenaanspraak en dat gebruik wordt gemaakt van het recht op automatische waardeoverdracht.

In dat geval hoeft geen offerte te worden uitgebracht aan de deelnemer. De ontvangende pensioenuitvoerder informeert de deelnemer dat de overdracht zal plaatsvinden door middel van een automatische waardeoverdracht. Kortom, automatische waardeoverdracht van klein pensioen heeft voorrang op het wettelijk recht op waardeoverdracht.

Knelpunten automatische waardeoverdracht kleine pensioenen

De pensioenkoepels, bestaande uit de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars, hebben samen met de Stichting van de Arbeid gereageerd (brief 9 januari 2020) op vragen van minister Koolmees van SZW in verband met waardeoverdracht van kleine pensioenen. Tevens hebben ze een dringend beroep gedaan op de minister de knelpunten met betrekking tot de waardeoverdracht van kleine pensioenen zo spoedig mogelijk op te lossen.

Al eerder (brief 9 april 2019) hadden bovengenoemde organisaties de knelpunten onder de aandacht van de minister gebracht. Het ging daarbij om twee knelpunten:

  1. Voor automatische waardeoverdracht komen alleen kleine pensioenen in aanmerking die zijn ontstaat door baanwisseling. Kleine pensioenen die zijn ontstaan door collectieve beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst, of door juridische fusie, bedrijfsfusie of splitsing premievrij zijn blijven staan, komen niet in aanmerking voor automatische waardeoverdracht
  2. Tussentijdse afkoop van kleine nettopensioenen is niet mogelijk

In een reactie (brief 9 september 2019) had minister Koolmees aangegeven te overwegen iets aan de knelpunten te doen als hij een nadere toelichting zou krijgen met betrekking tot onderstaande aandachtspunten:

  1. Het passeren van de keuze voor werkgever en werknemers om de opgebouwde pensioenen achter te laten bij de oude pensioenuitvoerder
  2. De bijbetalingsplicht van de werkgever tegenover verzekeraar
  3. De afweging van verzekeraars om wel of niet waarde over te dragen
  4. De kosten in uitvoeringsovereenkomsten
  5. De mogelijkheid onderscheid te maken tussen kleine pensioenen die door baanwisseling of collectieve beëindiging zijn ontstaan
  6. De uitvoeringskosten voor het nettopensioen

In de brief van 9 januari 2020 is daaraan gehoor gegeven.

Er wordt voorgesteld kleine verzekerde DB-pensioenen (uitkeringsovereenkomsten) die ontstaan zijn als gevolg van collectieve beëindiging (voorlopig) buiten de automatische waardeoverdracht te laten. Hierdoor gaat de garantie op een bepaalde uitkering op pensioeningangsdatum niet verloren en wordt de bijbetalingsplicht van de desbetreffende werkgevers tot een minimum beperkt.Voor alle andere kleine pensioenen (verzekerde DC-regelingen en DC- en DB-regelingen bij pensioenfondsen) wordt bepleit de automatische waardeoverdracht zo spoedig mogelijk in te voeren.

Bovendien blijkt het praktisch onmogelijk te achterhalen welke kleine pensioenen door baanwisseling zijn ontstaat en welk niet. Dit impliceert dat kleine pensioenen die feitelijk zijn ontstaan door baanwisseling (ongewenst) buiten het circuit van automatische waardeoverdracht dreigen te vallen.

Externe links



Informatie

  • Pensioen
  • Dinsdag 24 maart 2020

KennisHub

KennisHub Pensioen- &
Life Event Advisering

  • Inspirerende Masterclasses
  • Praktijkgerichte Workshops
  • PE Artikelen & Casuistiek
  • Artikelen & Blogs
  • Stel je vraag
  • PE-geaccrediteerd
  • Mix & Match
  • Jaarlijks PE-certificaat
  • 21 dagen op proef

€ 35 p/m

Volgende licenties: 20% korting Meer Informatie

Eerst aankijken? Word Free Member

  • Wekelijkse nieuwsbrief
  • Artikelen & Blogs
  • 5+ gratis vaktechniek artikelen p/m
  • Schrijf je in voor Masterclasses & Workshops
  • Toegang tot FinSourceOne

Gratis

Volgende Free Members: 100% korting Meer Informatie