Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Aanpassen ODV-uitkeringsperiode na verlagen AOW-leeftijd

Tot 1 januari 2020 had de DGA de tijd om zijn pensioen in eigen beheer uit te faseren. Ruim 53.000 DGA’s hebben ervoor gekozen het pensioen om te zetten in een Oudedagsverplichting (ODV). De ODV-uitkeringen dienen op z’n vroegst in te gaan 5 jaar vóór en uiterlijk 2 maanden ná het bereiken van de AOW-leeftijd. Als deze uitkeringen inmiddels al zijn ingegaan, staat de uitkeringsperiode in beginsel vast. Als gevolg van het inwerkingtreden van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd stijgt de AOW-leeftijd echter minder hard. In V&A 20-003 wordt de vraag behandeld of het vervolgens mogelijk is om een reeds aangevangen ODV-uitkeringsperiode aan te passen na het verlagen van de (voorspelde) AOW-leeftijd.

Inleiding

In artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is bepaald dat de waarde van de ODV wordt uitgekeerd in een periode van 20 jaar vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. Wordt de eerste ODV-termijn (maximaal vijf jaar) vóór de AOW-leeftijd uitgekeerd, dan wordt de standaard uitkeringsperiode verlengd met de periode gelegen tussen het uitkeren van de eerste ODV-termijn en het bereiken van de AOW-leeftijd.

Bij de aanvang van de ODV-uitkeringen, staat de duur van de ODV-uitkeringsperiode in principe vast.

Vraag

In V&A 20-003 wordt vervolgens het volgende voorbeeld beschreven:

ODV-gerechtigde X is geboren op 1 juni 1957. Op 1 september 2019 heeft hij de ODV-termijnen laten ingaan. Naar de toen geldende wetgeving zou hij op 1 september 2024 zijn AOW-leeftijd bereiken. Omdat de ODV-termijnen vijf jaar vóór de in 2019 geldende AOW-leeftijd zijn ingegaan, is de ODV-uitkeringsperiode toen vastgesteld op 25 jaar.

Per 1 januari 2020 is de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd in werking getreden. Als gevolg hiervan bereikt X drie maanden eerder zijn AOW-leeftijd, op 1 juni 2024.

De vraag is dan vervolgens of de resterende duur van de ODV-uitkeringsperiode kan worden aangepast aan de lager vastgestelde AOW-leeftijd.

Antwoord van de belastingdienst

In zijn antwoord stelt de belastingdienst dat het geen fiscaal bezwaar ontmoet om de eerder vastgestelde ODV-uitkeringsperiode eenmalig aan te passen aan de door de invoering van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd lager vastgestelde AOW-leeftijd. Dit is echter niet verplicht.

Het aanpassen van de resterende ODV-uitkeringsperiode kan zowel gedurende het huidige uitkeringsjaar als op de geldende ODV-uitkeringsverjaardag plaatsvinden. Bij het aanpassen van de resterende ODV-uitkeringsperiode aan de lager vastgestelde AOW-leeftijd dient het bedrag van de uit te keren ODV-termijnen direct herrekend te worden.

Indien de uitkeringsperiode wordt aangepast gedurende het ODV-uitkeringsjaar, wijzigt de ODV-uitkeringsverjaardag niet. Op het moment van deze tussentijdse aanpassing vindt er ook geen oprenting plaats van de op dat moment resterende waarde van de ODV. Bij het aanpassen van de resterende ODV-uitkeringsperiode op de ODV-uitkeringsverjaardag zal de waarde van de ODV wel opgerent moeten worden met de marktrente van artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB).

Bij het aanpassen van de resterende ODV-uitkeringsperiode aan de verlaagde AOW-leeftijd, mag de aangepaste resterende ODV-uitkeringsperiode (alsnog) naar keuze worden afgerond op hele maanden of jaren. Een en ander zoals beschreven in V&A 17-029.

Informatie

  • Pensioen
  • EQF 6
  • Woensdag 20 januari 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships