Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Afstorting pensioen in eigen beheer bij scheiding tegen welke waarde?

Op 4 oktober 2019 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad zijn conclusie gegeven, die op 5 november 2019 is gepubliceerd. Het gaat in deze zaak om de vraag tegen welke waarde het aan de vrouw toekomende deel van de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen in het kader van echtscheiding moet worden afgestort bij een externe verzekeraar. De waarde op het moment van afstorten of de waarde op de peildatum?

Vaststaat dat de scheidingsbeschikking op 23 maart 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn het erover eens dat het tot deze peildatum in eigen beheer opgebouwde pensioen moet worden verevend.  Onbetwist is ook dat afstorting van het aan de vrouw komende deel van het pensioen moet plaatsvinden tegen de commerciële waarde. Partijen zijn het er echter niet over eens op welk tijdstip die waarde moet worden vastgesteld.

 

Als deskundige heeft prof. Mr. H.M. Kapelle de hoogte van de aan de vrouw toekomende pensioenen op de peildatum (23 maart 2012) vastgesteld op:

 

  • Ouderdomspensioen                    € 12.287
  • Bijzonder partnerpensioen          € 17.202

De commerciële waarde van deze pensioenen op dat moment bedraagt € 302.372. Bij afstorting per 1 januari 2018 zou deze waarde € 357.089 bedragen.

 

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden moet van eerstgenoemd bedrag, de commerciële waarde op de peildatum, worden uitgegaan en niet van de commerciële waarde op de datum van afstorting.

 

Het Hof erkent dat de vrouw weliswaar bij afstorting per 1 januari 2018 een hoger bedrag nodig heeft om haar pensioenaanspraak elders te verzekeren dan per peildatum (23 maart 2012), maar acht het – mede gelet op de postrelationele solidariteit – niet redelijk dit ten laste van de man te laten komen.

 

Volgens de Procureur-Generaal vloeit uit de structuur van de Wet vervening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) en de daarop gebaseerde jurisprudentie voort dat het bij het recht op afstorting gaat om afstorting van het kapitaal dat op het moment van afstorting nodig is om de aanspraken van de tot verevening gerechtigde echtgenoot te verzekeren. Dit is de commerciële waarde van het aan de vrouw toekomende deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afstorting. Hiermee rust op het eigenbeheerlichaam de plicht om in de tussentijd ervoor te zorgen dat voldoende kapitaal beschikbaar is om aan de afstortingsverplichting te voldoen.

 

Het renterisico op grond waarvan als gevolg van een lagere rente méér kapitaal nodig is dan eerder het geval was, komt in beginsel voor rekening van het eigenbeheerlichaam. Als het moment van de afstorting ná de echtscheiding (peildatum) plaatsvindt, ligt dit risico dus nog steeds bij het eigenbeheerlichaam. Met andere woorden, op het eigenbeheerlichaam rust de verplichting om een kapitaal af te storten bij een externe pensioenverzekeraar dat op dat moment daadwerkelijk nodig is om aan de vrouw toekomende pensioenaanspraken ook daadwerkelijk te verzekeren.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Toekomstvoorzieningen, Pensioen, Hoge Raad, Uit elkaar gaan, Fiscaal: Wet Vpb, Pensioen LB, Pensioen VpB, Echtscheiding
  • Woensdag 13 november 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships