Afwaardering tbs-vordering is niet aftrekbaar

Een aanmerkelijkbelanghouder heeft aan zijn bv geleend. De aanmerkelijkbelanghouder waardeert de vordering af. In geschil is of deze afwaardering aftrekbaar is. Hof Den Haag heeft op 6 januari 2021 (publicatie: 25 januari 2021) geoordeeld dat de lening onzakelijk is, waardoor de afwaardering niet aftrekbaar is.

Belanghebbende bezit een 75%-belang in een bv. Deze bv ontwikkelt, produceert en verkoopt consumentenartikelen. Daarnaast verkrijgt en verhandelt de bv patenten en octrooien. Belanghebbende leent vanaf 1999 regelmatig aan de bv. In januari 2010 hebben belanghebbende en de bv dit in een rekening-courantovereenkomst vastgelegd. In de overeenkomst is onder andere een rente van 2% afgesproken.

De bv heeft gedurende de periode 1999 tot en met 2015 een negatief eigen vermogen. Gedurende deze periode - met uitzondering van 2011 - lijdt de bv jaarlijks verlies.

In 2009 waardeert belanghebbende € 123.748 af op zijn vordering op de bv. Aangezien de vordering een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen is (artikel 3.92 lid 1 Wet IB 2001), trekt belanghebbende de afwaardering van deze zogenoemde tbs-vordering af als een negatief resultaat uit terbeschikkingstelling. De aanslag inkomstenbelasting 2009 is conform de aangifte opgelegd.

Eind 2015 is de nominale waarde van de tbs-vordering opgelopen tot ruim € 313.070. De boekwaarde van de tbs-vordering bedraagt na de afwaardering in 2009 eind 2015 nog € 189.322. Belanghebbende wil in 2015 de tbs-vordering afwaarderen tot nihil. De inspecteur accepteert dit echter niet, omdat de lening onzakelijk zou zijn. Rechtbank Den Haag is het eens met de inspecteur.

Hof Den Haag overweegt dat het saldo van een rekening-courant jaarlijks wordt vastgesteld (artikel 6:140 BW). Dit betekent volgens het hof, dat per jaar moet worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening, met name ook omdat er jaarlijks nieuwe bedragen zijn bijgeboekt.

Het hof overweegt vervolgens dat belanghebbende de stelling, dat de bv winstgevend zou worden, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder overweegt het hof, dat een onafhankelijke derde, gelet op het risicovolle karakter van de activiteiten van de bv, geen vergelijkbare lening zou verstrekken zonder voldoende zekerheid te bedingen. De bv heeft echter geen enkele zekerheid gesteld. Een onafhankelijke derde zou bovendien al bij het aangaan van de lening in 1999 een aflossingsschema zijn overeengekomen. Een dergelijk schema ontbreekt in de rekening-courantovereenkomst.

Het hof oordeelt dan ook dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Onder de gegeven omstandigheden zou een zakelijk handelende derde volgens het hof een winstdelende rente hebben bedongen. Dit impliceert dat geen niet-winstafhankelijke rentevoet kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden dit debiteurenrisico te aanvaarden. Er is dus sprake van een onzakelijke lening. Dit geldt voor alle jaren waarin belanghebbende gelden aan de bv heeft geleend.

Het hof wijst tenslotte het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel af. Het enkel vermelden van de afwaardering van de tbs-vordering in de toelichting op de aangifte 2009 is niet een uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen hiervan.

Belanghebbende kan de afwaardering van de tbs-vordering dus niet aftrekken.

Meer weten?
Wil je meer weten over de problematiek van de DGA, TBS en zakelijkheid schrijf je dan in voor onze e-learning opleiding 'Consultant Financial Planning'.
Op integratieve en praktische wijze wordt een verdieping gegeven aan dit onderwerp, waardoor je een nog betere gesprekspartner en adviseur wordt. Na afloop van de opleiding ben je Consultant Financial Planning!

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Dinsdag 2 februari 2021