Artikel De Beursbengel: De Pensioenwet

De Pensioenwet

Inleiding
De Pensioenwet is weliswaar in 2007 al in werking getreden, maar mede naar aanleiding van de veegwet zullen de ‘laatste’ artikelen pas per 2009 hun echte verwerking krijgen.
In dit artikel zet ik de belangrijkste zaken uit de Pensioenwet praktisch voor u op een rij. Omdat ik natuurlijk niet volledig kan zijn, hoor ik graag van u welke onderwerpen, al dan niet in verband met de Pensioenwet, u graag aan bod wilt zien komen. Uiteraard zal ik altijd inhaken op de actualiteit.

U kunt uw ideeën mailen naar: redactie@beursbengel.nl

Driehoeksverhouding
Een van de belangrijkste ‘nieuwigheden’ in de Pensioenwet is de zogenaamde driehoeksverhouding: werkgever-werknemer-uitvoerder.

De werkgever doet een pensioentoezegging aan de werknemer(s), de pensioenovereenkomst. Vervolgens sluit hij een uitvoeringsovereenkomst met de uitvoerder (fonds of verzekeraar). De uitvoerder zorgt voor een pensioenreglement en een (persoonlijke) startbrief.

De pensioenovereenkomst
Een paar belangrijke zaken met betrekking tot de pensioenovereenkomst. Binnen 1 maand nadat de werkzaamheden zijn aangevangen moet de werknemer geïnformeerd worden over een eventuele pensioenregeling in het bedrijf. Ook als er geen pensioenregeling is, moet de werkgever dit dus uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst vermelden.
Ik adviseer werkgevers overigens potentiële werknemers altijd al bij de sollicitatie te informeren over de pensioenregeling van het bedrijf.

Er is geen pensioenplicht dus. Wel moet iedereen vanaf 21 jaar mee doen als er een pensioenregeling is, afstand doen mag nog steeds en er is (nog) geen algemene werking. Dat wil zeggen dat ik nog steeds onderscheid mag maken, mits objectief gerechtvaardigd, naar bijvoorbeeld groepen werknemers die wel of geen, of een andere regeling krijgen.

Overigens kan de mogelijkheid van afstand doen wel beperkt worden door de uitvoeringsovereenkomst. Als de werkgever namelijk met de verzekeraar afspreekt dat alle medewerkers worden aangemeld voor de pensioenregeling, dan is er geen vrijheid meer voor de werknemers om afstand te doen. De werkgever heeft dan feitelijk een verplichte pensioenregeling. Het is dus wel zaak dat de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst op dit punt met elkaar overeenkomen.

Uitvoeringsovereenkomst
Op zich is de uitvoeringsovereenkomst niets anders dan de oude B-polis. De C-polis bestaat niet meer, waarbij ik aanteken dat alle bestaande C-polissen kunnen worden uitgediend tot het moment van uitdiensttreding of pensioneren.

Wel van belang bij de uitvoeringsovereenkomst zijn de zogenaamde exit-bepalingen.
Sinds 2008 mag als gevolg van de veegwet een collectieve waardeoverdracht bij contractseinde niet meer worden uitgesloten door de verzekeraar. Voor 2009 moeten derhalve in alle, ook bestaande contracten, eerlijke exitbepalingen worden opgenomen. Een aanbieder, met name verzekeraars, mag eigenlijk alleen echte kosten in rekening brengen. Hierbij valt te denken aan niet verdiende eerste kosten, verkoopkosten met betrekking tot beleggingen of berekeningen. Gederfde winst, hetgeen vaak het enige argumenten is om het geld onder zich te willen houden, valt daar mijns inziens niet onder. Als aanbieders willen blijven verdienen aan een contract, moeten ze maar zorgen dat ze het contract binnenhouden!

Individueel recht op waardeoverdracht
Naast het ‘recht op collectieve waardeoverdracht’ bestaat uiteraard nog steeds het individuele recht. Van belang hierbij is dat de rekenrente die aan de waardering ten grondslag ligt niet langer de standaard rente van 4% is, maar de marktrente. Dat betekent dat het ‘gat’ tussen de afkoopwaarde gebaseerd op markrente (per 2008 4,921%) en de rente voor de inkoop, 4% bij fondsen of zelfs 3% bij verzekeraars, groter is geworden. Dit verschil zal door de nieuwe werkgever bijgeplust moeten worden!

Pensioenreglement/startbrief
Op zich zijn beide documenten nieuw, waarbij de startbrief vanuit verzekeraars pas vanaf 2009 voor nieuwe medewerkers geldt. Beide documenten richten zich op de deelnemer en moeten dus in helder en begrijpelijk Nederlands opgesteld zijn. Het pensioenreglement is een samenvatting van de inhoud van de regeling en het contract met de verzekeraar, de startbrief feitelijk de “populaire” vertaling naar de individuele werknemer. De startbrief moet binnen 3 maanden nadat de werknemer is gaan deelnemen door de verzekeraar worden verstrekt. De naam startbrief is overigens misleidend want de pensioenovereenkomst met de werkgever is dan al gesloten en de werknemer doet al mee aan de regeling. Dus feitelijk komt de startbrief als mosterd na de maaltijd!

Rol adviseur
De adviseur/intermediair heeft geen formele rol. Dat had hij ook niet onder de PSW, ware het niet dat de uitvoeringsovereenkomst (B- of C-polis) meer ‘via’ hem liep dan de huidige uitvoeringsovereenkomst. Dat betekent eigenlijk automatisch, en dat lijkt mij ook logisch, dat de adviseur het verlengstuk is van de werkgever. Met de werkgever zal de adviseur dus zijn rol moeten bespreken. Ondanks het feit dat je kunt discussiëren of bijvoorbeeld het UPO door de uitvoerder via de adviseur verstrekt mag worden (juridisch mag dit, maar de uitvoerder blijft aansprakelijk) acht ik dit niet relevant. Immers, als je met de werkgever afspreekt dat je het communicatietraject rond het UPO verzorgd (dan moet je uiteraard wel weten wanneer deze wordt verstrekt), dan maakt de ‘techniek’ wie verstuurt het niet meer uit. Het zal immers niet zo zijn dat door het verstrekken van een UPO werknemers hun pensioenopgave opeens wel begrijpen.

Karakter pensioenovereenkomst
Nog even extra aandacht voor het karakter van de toezegging. Dit moet een uitkeringsovereenkomst (salaris/diensttijd, dus eindloon of middelloon), een kapitaalovereenkomst (vergelijk de streefregeling) of natuurlijk een premieovereenkomst zijn.

Opvallend en dus belangrijk, dat de CDC-regeling (collectief Defined Contribution) hier niet bij staat. De Pensioenwet zegt eigenlijk uitdrukkelijk dat een ‘onduidelijke’ regeling altijd een uitkeringsovereenkomst is! De adviseur, maar ook de aanbieder, hebben hier een belangrijke rol.

Communicatie
Een aantal formele communicatieve aspecten zijn er om werknemers afhankelijk van hun positie te informeren. Een actieve deelnemer heeft niet alleen recht op informatie over zijn opgebouwde rechten maar ook over zijn op te bouwen rechten. En informatie over het nabestaandenpensioen. Is dit verzekerd op risicobasis of niet? Met andere woorden, blijft de aanspraak bestaan bij uitdiensttreding of komt alles te vervallen.

Een slaper is natuurlijk, net als een gepensioneerde met name geïnteresseerd in de indexatie. De gepensioneerde natuurlijk vaker dan de slaper. Ook de nabestaanden en de bijzonder nabestaanden alsmede de ex-partners moeten afhankelijk van hun ‘behoefte’ geïnformeerd worden door de uitvoerder.

Materieel
De materiële communicatie vindt plaats middels het Uniform Pensioenoverzicht en het pensioenreglement/startbrief. Het UPO krijgt iedereen vanaf 2008, dus over de opbouw tot en met 2007. Het zal ongetwijfeld een paar jaar duren voordat iedereen goed in het UPO zit. Ook hier is de rol van de adviseur weer een grote.

Indexatielabel
Vanaf 2009 komt daar nog het indexatielabel bij. Vooralsnog voorziet het in 2 bootjes die aangeven hoe groot de kans is dat de uitvoerder de koopkracht kan bijhouden. Los van de politiek zijn maar weinigen echt enthousiast over dit label.
Persoonlijk ben ik voorstander van eenvoud, dus met 5 kleurtjes, van rood tot groen. Wat dat betekent hoef ik, hoop ik, nu al niet meer toe te lichten.

In een volgende bijdrage ga ik graag dieper in op de communicatieve aspecten, eigenlijk het belangrijkste dat de Pensioenwet heeft gebracht. Hierbij mag nu al niet onvermeld worden gelaten het Nationaal Pensioenregister, een internetapplicatie waarin iedereen zijn of haar pensioenrechten kan achterhalen. Dit register moet vanaf 2011 live zijn. Dat wordt nog een hele klus.

De DGA
De directeur-grootaandeelhouder, of liever de werknemer-grootaandeelhouder (tenminste 10%) is uit de Pensioenwet gegooid. Indien door bestaande DGA’s met een pensioenverzekering in 2007 niet uitdrukkelijk is gekozen voor de Pensioenwet, is deze niet van toepassing op de DGA. Niets gedaan is dus voor het verzekerde deel van de DGA-regeling geen Pensioenwet. Fiscale consequenties heeft dit niet voor de DGA, hij kan dus nog steeds fiscaal gefacilieerd pensioen opbouwen, zowel in eigen beheer als bij een verzekeraar. Ook mag hij zijn verzekerde pensioen nog steeds terughalen naar eigen beheer en zijn pensioen in eigen beheer overdragen naar een verzekeraar.

Voor de DGA’s die wel hebben gekozen voor de Pensioenwet heeft dit als gevolg dat zij de opgebouwde aanspraken nooit meer kunnen overdragen naar een eigen BV. Als dit toch gebeurt, heeft dit een (zeer zware) fiscale sanctie tot gevolg.

Het nadeel van het feit dat de Pensioenwet niet meer van toepassing is op de DGA is de hardheid van de pensioenaanspraken bij faillissement. In hoeverre kan de curator de verzekerde aanspraken overdragen naar de eigen BV en het geld aanwenden voor de schuldeiser. De rechter zal hier in feitelijke situaties over moeten gaan oordelen.

Tot slot
De Pensioenwet is eigenlijk de eerste echte vernieuwing van ons pensioenstelsel vanuit (civiel)juridische invalshoek. Vele fiscale wijzigingen gingen voor. Dat ‘pas nu’ de wet die de waarborging van pensioengelden en -rechten regelt, is vernieuwd is logisch. Er moet immers eerst iets zijn om te beschermen. Nu we vorstelijke pensioenvermogens hebben en er voor het eerst de komende jaren op grote schaal mensen echt met pensioen gaan, komt de Pensioenwet als geroepen. Natuurlijk zijn er onvolkomenheden en technische aanpassingen nodig. Maar de kern, waarborging van rechten en betere communicatie zijn bepalend.

mr Theo Gommer MPLA is advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten. Tevens is hij partner bij Akkermans & Partners Legal & Advice, beide gevestigd te Tilburg.

Streamers: zie cursief.

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015