Artikel ESB: Reactie op: Een waardevaste AOW is generatiebewust

Den Butter (2010) bepleit dat een waardevaste AOW generatiebewust is. Het is logisch dat een waardevaste AOW goedkoper is dan een welvaartsvaste AOW en dat er mede daarom voldoende redenen zijn om te gaan voor slechts een waardevaste AOW. Wel zit er in de discussie omtrent de verhoging van de AOW-leeftijd een systeemdenkfout.
Het uitgangspunt van de AOW moet namelijk niet zijn dat deze gekoppeld is aan de arbeidsparticipatie. De AOW is immers een volks- en geen werknemers-verzekering. Wanneer iemand met pensioen wil, is niet relevant. Ook niet of hij nog kan of wil werken en of hij dan wel werk kan vinden. En de AOW is ook niet bedoeld om niet meer gewenste of niet meer productieve werknemers, vergelijkbaar met de WAO in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, te lozen. Nee, het uitgangspunt van de AOW moet zijn het objectieve moment waarop vanuit een maatschappelijk oogpunt geaccepteerd wordt dat iemand niet meer hoeft te werken, ongeacht of hij dat voordien wel of niet deed. Ongeacht of hij nog wil of niet wil, en ongeacht of hij al dan niet door blijft werken. Als er dan een hiaat zit tussen het moment dat iemand niet meer kan of wil werken en het moment dat de AOW ingaat moet hij dat probleem zelf oplossen. Als iemand vroeg met pensioen wil gaan mag dat een eigen keus zijn, maar dat is dan ook een eigen verantwoordelijkheid Iedereen krijgt AOW vanaf het moment waarop volgens de maatschappelijke opvatting niemand meer hoeft te werken. Wil iemand eerder met pensioen of meer pensioen dan kan dat vanaf het moment dat sociale partners vinden dat iemand niet meer hoeft werken, veelal bepaald binnen een specifieke bedrijfstak. Dit geldt binnen beperkingen voor wat betreft de hoogte van het pensioen. Het moment waarop een individu naar eigen keus en verantwoordelijkheid besluit niet meer te willen werken, bepaalt hij dan zelf. Het is dan ook uiteindelijk een politieke keuze, namelijk vanuit de bereidheid om er al dan niet belastinggeld voor uit te trekken, dat naarmate de levensverwachting toeneemt de AOW-leeftijd, en
in het verlengde de fiscaal gesubsidieerde pensioenleeftijd, wordt verhoogd. Als de algemene mening is dat niemand vanaf 65 jaar meer hoeft te werken en de levensverwachting neemt toe, dan nemen ook de kosten toe.
Uiteraard is de verhoging van de pensioenleeftijd wel een logische keuze als ook de overheidsfinanciën
in de hand moeten worden gehouden. Maar dat is een begrotingsvraagstuk waarover de kiezer zich kan uitlaten bij de komende verkiezingen. En niet alleen de verhoging van de pensioenleeftijd is een politieke keuze, maar ook de verlaging van het ambitieniveau, zowel nominaal als reëel (Goudswaard et al., 2010). Wanneer het huidige pensioenniveau gehandhaafd moet worden, moet er gewoon vijftig procent meer pensioenpremie worden betaald. Dit laatste heeft
negatieve effecten voor bedrijven en kan werkgelegenheidkosten.
Verder dient het psychologisch effect van een verhoging van de pensioenleeftijd niet te worden onderschat. De gemiddelde werknemer wil nu ook al ruim voor de reguliere pensioenleeftijd met pensioen (AFM, 2010). Dat er een natuurlijk gat blijft tussen de algemene, standaardpensioenleeftijd en de gewenste uittredingsleeftijd mag logisch zijn. Iedereen wil eerder dan de algemene pensioenleeftijd uittreden. Dus op welk niveau, hoger of lager, deze algemene pensioenleeftijd ook wordt gesteld, een gat blijft altijd bestaan. Alleen diegenen die dit individueel hebben gevuld op basis van eigen keuzes kunnen daadwerkelijk op een eerdere leeftijd stoppen.
Al met al moet dus ook niet langer het algemene, politieke en maatschappelijke streven zijn om zo vroeg mogelijk volledig te stoppen met werken, maar om zo lang mogelijk, al dan niet parttime, door te gaan. En als iemand toch vroeg met pensioen wil gaan, mag dat een eigen keus zijn, maar dat is dan ook een eigen verantwoordelijkheid. Niet van de overheid voor wat betreft de AOW, maar ook niet van de werkgever en zeker niet voor wat betreft de fiscale aftrekbaarheid van die pensioenpremies.

Theo Gommer, Directeur van het Wetenschappelijk Bureau Akkermans & Partners Groep Tilburg en advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten

Literatuur
AFM (2010) Geef Nederlanders pensioeninzicht. Werken aan vertrouwen door dichten van de verwachtingskloof. Amsterdam: AFM. Butter, F.A.G. den (2010) Een waardevaste AOW is generatiebewust.
ESB, 95(4579), 102–105.
Goudswaard, K.P., R.M.W.J. Beetsma, T.E. Nijman en P.
Schnabel (2010) Een sterke tweede pijler. Naar een toekomstbestendig
stelsel van aanvullende pensioenen. Den Haag: Commissie Toekomstbestendigheid Aanvulllende Pensioenregelingen.

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015