Artikel Novak Accountantsmagazine: Pensioen en dividend (en afstempeling)

Inleiding
Op 21 september heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) het beleid inzake pensioen en dividend verder aangescherpt. Overigens geldt dit mutatis mutandis ook voor het afstempelen (amortisatie) van aandelen. Deze aanscherping ziet met name op het risico van vooroverlijden (partnerpensioen) indien dat niet extern is verzekerd bij een professionele (pensioen)verzekeraar. In de praktijk blijkt dat in veel gevallen dit risico niet is afgedekt. Pensioen en dividend lijken nu bijna op een contradictio in termis.

De commerciële pensioenverplichting
Op 21 september heeft het CAP via een vraag en antwoord handreiking (Vraag & Antwoord 12-008) het beleid inzake pensioen en dividend verder aangescherpt. Hierin gaat het CAP met name in op het risico van vooroverlijden (het weduwe- en of wezenpensioen). Het CAP stelt onder meer:

“Voor de vraag of de BV nog in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is het na de uitkering van kapitaal of dividend resterende vermogen van de BV van belang. Er moet voldoende vermogen in de BV achterblijven om het pensioen en/of stamrecht op de korte en lange termijn volledig te kunnen uitbetalen. Voor deze toets moeten alle activa en passiva van de BV (dus inclusief de pensioen- en/of stamrechtverplichting) gewaardeerd worden op de werkelijke waarde in het economische verkeer. De waarde van de pensioen- en/of stamrechtverplichting is minimaal gelijk aan de koopsom die aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van die verplichting (zie ook onderdeel A van het besluit ‘Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten’ (besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M)). Bij het vaststellen van de waarde moet onder meer rekening worden gehouden met een toegekende indexatie van de pensioen- en/of stamrechtuitkeringen.”

Het risico van vooroverlijden
Het bovenstaande standpunt was al enige tijd bekend voor de praktijk. Voor de zogenaamde uitkeringstoets (welke toets is geïntroduceerd middels de wetgeving inzake de flex BV) is de commerciële pensioenverplichting bepalend, niet de fiscale pensioenverplichting. De commerciële verplichting kan worden berekend aan de hand van de verzekeringstarieven die in de markt beschikbaar zijn voor dergelijke pensioenregelingen. In vraag & antwoord 12-008 gaat het CAP echter nog een stap verder. Hierin wordt specifiek ingegaan op het risico van vooroverlijden. In een groot aantal gevallen is dit risico niet direct verzekerd via een pensioenpolis dan wel door de werkgever BV herverzekerd via een dekkingspolis. Dit betekent dus dat het volledige risico van vooroverlijden wordt gedragen door de werkgever BV, dan wel de BV waarin de werkgever het pensioen heeft ondergebracht (extern eigen beheer) middels een financieringsovereenkomst. Het feit dat in een groot aantal gevallen het vooroverlijdensrisico niet of niet geheel is afgedekt middels een verzekering, heeft volgens het CAP grote invloed op de mogelijkheid om dividend uit te keren dan wel tot afstempeling van aandelen over te gaan. Het CAP stelt:
“Indien het risico van vooroverlijden deel uit maakt van de door de BV uitgevoerde pensioen- en/of stamrechtovereenkomst dient hier rekening mee gehouden te worden voor het minimaal in de BV achter te blijven vermogen.”

En in de laatste alinea van voormeld vraag & antwoord stelt het CAP:
“Indien de BV het risico van vooroverlijden niet heeft herverzekerd, zal de BV zelf voldoende vermogen moeten aanhouden ter dekking van het risico van vooroverlijden. Met dit ter dekking van het risico van vooroverlijden extra aan te houden vermogen moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de ruimte voor een uitkering van dividend of kapitaal. In dat geval kan dus niet worden volstaan met het aanhouden van een vermogen ter grootte van de koopsom die aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van de uit de pensioen- of stamrechtovereenkomst voortvloeiende verplichting.”

Het venijn zit met name in de hierboven geciteerde passage. Als het risico van vooroverlijden niet is (her)verzekerd, zal bij de vaststelling van de dividendruimte volgens het CAP rekening moeten worden gehouden met het risicokapitaal in het jaar waarin de dividendruimte wordt vastgesteld c.q. de uitkeringstoets wordt toegepast ten behoeve van de mogelijkheid aandelen af te stempelen. In dat geval is de commerciële pensioenverplichting niet voldoende, aangezien hierin alleen een koopsom is verwerkt die voor een professionele verzekeraar voldoende is om het risico te herverzekeren. Voor een BV die slechts één of enkele verplichtingen heeft bij vooroverlijden is dat niet voldoende omdat een verzekeraar kortgezegd gebruik kan maken van de “wet van de grote getallen”, aangezien zij een groot aantal van dergelijke verzekeringen heeft gesloten en de meeste verzekeringen niet aan uitkeren toekomen omdat de levenskans gemiddeld hoger is dan de sterftekans (dempende werking). Daarnaast gelden voor verzekeraars strengere liquiditeits- en solvabiliteits eisen. Een BV zal dus uit moeten gaan van het risicokapitaal dat verzekerd zou moeten zijn om aan de verplichting bij vooroverlijden te voldoen. Het behoeft geen betoog dat dit, met name in de huidige tijd waarin de markrente extreem laag is en in de meeste pensioentoezeggingen ook nog eens een geïndexeerd partnerpensioen is toegezegd, om enorme kapitalen gaat. De kans dat er dan nog ruimte is voor een dividenduitkering (of dat afstempeling mogelijk is) is daarmee bijzonder klein.

Conclusie

Vraag & antwoord 12-008 is een verdere aanscherping van het beleid van het CAP inzake pensioen en dividend (en afstempeling). Wanneer het risico van vooroverlijden niet is (her)verzekerd, dient voor de uitkeringstoets te worden uitgegaan van de hoogste van twee waarden: of de commerciële pensioenverplichting of het risicokapitaal. Als adviseur hebt u nu een extra argument om te adviseren om het risico te verzekeren, of om geen nabestaandenpensioen voor pensioendatum meer op te nemen in de pensioentoezeggingen. Toch is enig commentaar hier op zijn plaats. Als het gaat om het vaststellen van de fiscale pensioenverplichting mag geen rekening worden gehouden met het risicokapitaal bij vooroverlijden. Dit is door de HR overwogen in 24 september 2004. Dit heeft met name te maken met het realiteitsbeginsel in het begrip goed koopmansgebruik. De reden van het niet mogen reserveren van het risico van vooroverlijden is terug te voeren op statistische data omtrent leven en dood. Hieruit blijkt dat de kans dat de DGA samen met de partner op de pensioendatum beiden in leven zijn statistisch vele malen groter is dan de kans dat de DGA vóór de pensioendatum overlijdt. Het CAP lijkt hieraan volledig voorbij te gaan. Enige kritiek op dit aangescherpte beleid is dus wel op zijn plaats.

Mr. Peter A. ter Beest MPLA is partner bij Akkermans & Partners Legal & Advice.
Hij schrijft de maandelijkse rubriek pensioenen samen met mr. Theo Gommer MPLA.

Akkermans & Partners is dé exclusieve pensioenpartner van Novak! 
 

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015