Artikel Overgeld.nl: Keuzevrijheid of één groot nationaal pensioenfonds?

Steeds meer vragen werknemers zich af waarom ze niet zelf mogen kiezen waar ze hun pensioen opbouwen? Vooral als je jongeren (zeker scholieren) wat vertelt over het pensioensysteem in Nederland (een mooi moment, op hun 15e als ze beginnen met ‘AOW-opbouw’), dan begrijpen ze niet waarom ze niet zelf mogen kiezen. Dat is natuurlijk logisch, jongeren zíjn gewend te kiezen!

Ook nu blijkt dat de zekerheid van ‘ons’ pensioen tegenvalt vragen werknemers zich – terecht mijns inziens – af waarom ze niet zelf mogen kiezen. Vaak hoor ik van ‘tegenstanders’ dat ze dat niet kunnen, dat ze dan ‘verkeerd’ kiezen etc., maar dat vind ik inmiddels een beetje ‘geneuzel’ uit het verleden. Ook al zou dat zo zijn, dan nog wil ‘ik’ zelf kunnen kiezen en ben dan natuurlijk bereid om de gevolgen te accepteren. Dit laatste is nu typisch iets van de X-generatie (1965-1980) en wijkt daarin inderdaad nogal af van de babyboomgeneratie, die graag wil dat er voor hen gezorgd wordt. De Y-generatie (na 1980 geboren) is – gezien alle internet-mogelijkheden – typisch de generatie die wil kiezen (en dat volgens zichzelf ook prima kan).

Er is ook nog een ‘onderstroom’ die rept over waarom niet een groot nationaal pensioenfonds, zeg maar een groot ABP. Op zich is dat niet zo gek. Internationaal kan Noorwegen mooi als voorbeeld dienen. Daar zijn ze zo verstandig geweest om de aardgasbaten (grotendeels) in hun nationale – kapitaalgedekte – staatspensioenfonds te storten.

We krijgen dan in eerste instantie een 4-pijler stelsel:

  1. AOW: omslaggefinancierd pensioen op (het huidige) minimum bestaansniveau;
  2. Aanvullend kapitaalgedekt staatspensioen voor iedereen die werkt (dus ook ZZP-ers en DGA’s) tot bijvoorbeeld € 30.000 à € 40.000 inkomen/winst. Dus solidair, collectief en 100% zeker (door de staat gegarandeerd);
  3. aanvullend werkgeverspensioen, per werkgever/CAO te bespreken, kapitaalgedekt, eigen keus qua uitvoerder per werkgever;
  4. aanvullend werknemerspensioen, per werknemer te kiezen, hoeveel en waar onder te brengen.

Het is dan vervolgens verstandig om 3 en 4 te integreren, inclusief het huidige lijfrenteregime, waarbij de werkgever – al dan niet bij CAO afgesproken – een bijdrage levert en de werknemer vervolgens zelf beslist hoeveel hij/zij er nog bijlegt en waar hij/zij het onderbrengt. Dit lijkt een beetje op het Chileense systeem (ja, ja, we hebben in Nederland echt niet dé wijsheid in pacht!). Het maximum inkomen/winst waarover pensioen kan worden opgebouwd kan dan gelijk zijn aan of ‘een Balkenende’ of de huidige lijfrente-norm (circa € 160.000).

Toch denk ik dat een ‘staatspensioen’ bovenop de AOW niet realistisch is. Het enige dat dan overblijft is om de huidige verplichtstelling (dus qua uitvoering bij een bedrijfstakpensioenfonds, of afhankelijk van de keus van een werkgever) te beperken tot de hierboven aangegeven 2e pijler en meer vrijheid in de gecombineerde 3e en 4e pijler.

Als we dat niet doen dan ben ik bang dat er zoveel druk komt op het ‘solidariteits’elastiek dat dit gaat knappen. En of dat wel zo goed is vraag ik mij af?!

mr Theo Gommer MPLA is partner bij Akkermans & Partners Legal & Advice te Tilburg, waar hij tevens directeur van het Wetenschappelijk Bureau is. Daarnaast is hij advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen.

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015