Artikel PAPensioen: Pensioen, te weinig geld en dan? Een kwestie van communicatie!

Inleiding
Aan de vooravond van een eerste grootschalige pensioenuitkeringsperiode wordt er volop gesproken over het afstempelen van pensioenrechten. Ook het Pensioenakkoord van 4 juni jl. impliceert wellicht dat de huidige opgebouwde rechten worden omgezet, dus afgestempeld, naar lagere maar meer zekere rechten. Hoewel er veel weerstand is tegen afstempelen, is dit een logisch gevolg van en inherent aan de pensioenovereenkomst van de meeste pensioenfondsen. Hoe zit het dus precies?

Toezegging
De gebruikelijke pensioentoezegging bij pensioenfondsen is feitelijk een voorwaardelijke uitkeringsovereenkomst. Deze voorwaardelijkheid geldt zowel voor de nominale uitkering als de indexatie. Het slotakkoord van dit soort uitkeringen is dan ook altijd afstempelen. Als er te weinig geld is én er is ‘niemand’ – noch werkgever noch werknemer – die extra financiert, dan zal er afgestempeld moeten worden. Ook het niet indexeren is feitelijk een vorm van afstempelen. Er wordt dan immers ‘afgezien’ van een toekomstige (voorwaardelijke) verhoging, die bij voldoende geld wél zou zijn doorgevoerd.

Financiering
Als sprake is van een uitkeringsovereenkomst moet vanaf 2007 op grond van de Pensioenwet een zogenaamde kostendekkende premie worden betaald. Deze moet minimaal voldoende zijn voor de nominale aanspraak en de uitvoeringskosten, maar moet ook minimaal de kans creëren dat er zoveel rendement wordt gemaakt dat er geïndexeerd kan worden. Als dan minder rendement wordt gemaakt dan verwacht, kan er niet (volledig) geïndexeerd worden. Nagenoeg alle indexatiebepalingen zijn dan ook voorwaardelijk: er wordt geïndexeerd als er (loon)inflatie is én als er voldoende geld is. Is dat er niet, dan wordt er niet of minder geïndexeerd. Complicerende factor in dit verhaal is dat ook een gedempte kostendekkende premie betaald mag worden, die niet altijd voldoende is om de daadwerkelijke nominale aanspraken en uitvoeringskosten te dekken. Door deze gedempte premie te hanteren loopt het pensioenfonds het risico dat de dekkingsgraad onder de benodigde 105% komt. Veel fondsen hebben hiervoor gekozen om de premies niet te hard te laten stijgen de afgelopen jaren.

Dekkingsgraad
De minimale dekkingsgraad is 100%, er is altijd een buffer(tje) nodig van 5%, dus 105% is het minimum uitgaande van een nominale pensioentoezegging. Als er sprake is van een indexatiestreven dan zal dat normaliter een dekkingsgraad van 125 à 130% vergen. Als vervolgens de dekkingsgraad gedurende 3 kwartalen onder de 100% zit moet er een zodanig herstelplan worden opgesteld – en gevolgd natuurlijk – dat binnen 3 jaar weer de dekkingsgraad van 105% wordt bereikt en binnen 15 jaar de noodzakelijke dekkingsgraad die nodig is om te kunnen indexeren. Als gevolg van de crisis in de jaren 2008/2009 is de 3-jaars termijn verlengd naar 5 jaar, met een ijkpunt na 1 jaar. Daarom moesten een aantal pensioenfondsen medio 2010 aan kunnen tonen dat ze op het juiste herstelpad zaten. Zo niet, dan dient per 2011 of 2012 afgestempeld te worden als alle andere sturingsmiddelen niet of niet voldoende effect hebben gehad.

Gevolgen ‘te weinig geld’
Als er te weinig geld is dan zijn er 4 mogelijkheden. De premie wordt verhoogd (wie dat betaalt, werkgever, werknemer of beide, is niet relevant). De 2e mogelijkheid is een (eenmalige) bijstorting van de werkgever. De derde noodzakelijke actie is het niet indexeren. Als ook dit geen effect sorteert resteert er nog één oplossing, en dat is het afstempelen van opgebouwde rechten. Dit treft niet alleen gepensioneerden maar uiteraard ook de actieve deelnemers en de slapers (en natuurlijk ook de ingegane nabestaandenpensioenen en de verevende/geconverteerde pensioenrechten als gevolg van echtscheiding). Dit is dus een stevige ingreep. Niet alleen direct voor de getroffenen maar ook wordt het vertrouwen in het hele pensioensysteem aangetast.

Als gevolg van het afstempelen wordt de verplichting van het pensioenfonds lager, hetgeen een positief effect heeft op de dekkingsgraad. Een bijkomend nadeel van onderdekking en het daaropvolgende herstelplan is dat er minder risicovol belegd kan worden. Daar waar eigenlijk bij een dalende aandelenmarkt extra gekocht moet worden, moet nu verkocht worden om meer zekerheid te krijgen. Als hier derhalve met ratio naar gekeken wordt, zou een werkgever eigenlijk (fors) moeten bijstorten, als gevolg daarvan hoeven er geen laag gewaardeerde aandelen verkocht te worden, ergo kunnen er aandelen bijgekocht worden. Een werkgever zou hier met het pensioenfonds afspraken over kunnen maken dat ze dit geld weer terugkrijgt zodra dat kan. Het probleem is echter dat op grond van de Pensioenwet premievakanties en terugstortingen naar de werkgever aan zeer zware eisen gebonden zijn. Pas als alle niet verleende indexaties uit het verleden zijn ingehaald en de toekomstige indexaties veiliggesteld, dus een hoge dekkingsgraad aanwezig is, mag terugstorting plaatsvinden. Dit kan dus een flink aantal jaren duren.

Collectief defined contribution
Een ander fenomeen sinds begin jaren 2000, zijn de zogenaamde CDC-regelingen. Hierbij is de formele toezegging een premieovereenkomst, waarbij de premie wordt bepaald op basis van een middelloonregeling. Vaak wordt de premielast voor 5 jaar vastgesteld. Als er te weinig geld is dan is het gevolg, net als bij een normale premieovereenkomst, dat de uitkering afhankelijk is van het behaalde rendement. Formeel juridisch is er dan dus geen sprake van afstempelen. Gevoelsmatig/communicatief zal de deelnemer dit echter wel zo ervaren, nu hij meent nog steeds een (middelloon)uitkeringsovereenkomst te hebben. Naar schatting hebben de meeste ondernemingspensioenfondsen inmiddels feitelijk ook een CDC-regeling doordat bedrijven niet in staat zijn ongelimiteerd bij te storten.

Voorkomen afstempelen
Zoals aangegeven is afstempelen een stevige maatregel, hoezeer ook pensioentechnisch juist en noodzakelijk. Toch zijn er wel oplossingen mogelijk. De eerste is extra premie. Ook werknemers moeten zich de gevolgen van afstempelen realiseren. Het als het ware tijdelijk en onverschuldigd meer premie betalen is dan nog niet zo onverstandig of onlogisch. Of het echter realistisch vraag ik mij af. Dat geldt ook voor het bijstorten van de werkgever onder voorwaarden. Dat werkgevers niet langer verantwoordelijk willen zijn voor de uitkering blijkt wel uit de grootschalige overstap naar CDC-regelingen. Dat werkgevers hierbij IFRS boekhoudregels als (kap)stok hebben gebruikt is niet erg, maar dan hadden ze dit moeten zeggen. Dat deze overstap toch vaak zonder slag of stoot is gegaan geeft te denken over de deskundigheid van alle betrokkenen bij die beslissing. Een andere oplossing is om het ‘probleem’ uit te stellen, hetgeen niet raar is én de crisis in acht nemende én de lage marktrente. Hierbij kan de deelnemer – met name de gepensioneerde – de keus worden gegeven om nu te kiezen voor behoud van de bestaande uitkering, in plaats van afstempelen dus, met het ‘risico’ dat al na 2 of 3 jaar de toestand niet beter is geworden, er alsnog en dan meer afgestempeld wordt. Dus in plaats van nu 90% overhouden, blijven doorgaan op 100%, en na 3 jaar indien nodig verder gaan met 80%. Deze oplossing zit overigens ook impliciet in het Pensioenakkoord, hoewel we de definitieve uitleg daarvan nog moeten afwachten.

Conclusie
De conclusie kan zijn dat bij juiste communicatie het risico van afstempelen geen verrassing had kunnen zijn. Echter, er is noch goed gecommuniceerd, noch is er op een begrijpelijke manier gecommuniceerd. De Pensioenwet eist tijdige, duidelijke, begrijpelijke en juiste communicatie. Als dat niet het geval is, is niet langer de juridische vastlegging bepalend maar hetgeen de deelnemer heeft kunnen en mogen begrijpen. Dán wordt afstempelen niet langer vanzelfsprekend. Wel dat iemand juridisch wordt aangesproken. Beter communiceren is dus vanaf nu het devies! Verzekeraars garanderen overigens wel, de prijs is er dan ook naar. De noodzaak van beter communiceren geldt overigens uiteraard ook voor hen! Realisme mag hierbij de boventoon voeren, wat mij betreft.

Mr. Theo Gommer MPLA is partner bij Akkermans & Partners Legal & Advice te Tilburg, waar hij tevens directeur van het Wetenschappelijk Bureau is. Daarnaast is hij advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen.

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015