Artikel Pensioen & Praktijk: Tijdelijke ?pensioen?- beleggingsknip: nut en noodzaak?

Vanaf 28 juli 2009 kan een pensioengerechtigde zijn pensioenuitkering geknipt aankopen. Eerst kan hij een tijdelijke uitkering van ten hoogte vijf jaar aankopen. Deze uitkering is dan gelijk aan de uitkering zoals die levenslang op het moment van pensionering aangekocht zou kunnen worden. De rest van het kapitaal wordt vervolgens uitgesteld en dient voor de aankoop over (uiterlijk) vijf jaar van een alsdan levenslange pensioenuitkering.

De verwachting van deze constructie is natuurlijk dat de beleggingen (in welke vorm dan ook) zodanig hebben gerendeerd én dat de marktrente hoger is dan op het moment van pensionering, zodat na de tijdelijke uitkering een hogere levenslange pensioenuitkering aangekocht kan worden. Bij Regeling van 15 juli 2009 is de Regeling Pensioenwet hiertoe gewijzigd en uitgebreid.1 De mogelijkheden gelden ook voor Beroepspensioenregelingen. In dit artikel lichten wij de (tijdelijke) wet toe, gaan wij in op de voorwaarden en (on)mogelijkheden en voorzien deze van commentaar.

INHOUD WET
Op grond van artikel 2 lid 9 Pensioenwet is de Regeling Pensioenwet uitgebreid met de artikelen 3a t/m 3e. Op grond van artikel 2 lid 9 van de Pensioenwet heeft de minister de mogelijkheid om te voorzien in afwijkingen van de definities van de Pensioenwet, een zogenaamde delegatiebepaling. De mogelijkheid van de beleggingsknip geldt uiteraard
alleen voor premie- en kapitaalovereenkomsten. Bij deze pensioenovereenkomsten staat de hoogte van de uitkering immers nog niet vast. Voor de premieovereenkomsten waarbij de premie wordt belegd in aandelen en/of obligaties is de hoogte van de uiteindelijk op pensioendatum aan te kopen pensioenuitkering afhankelijk van zowel het rendement
gedurende de opbouwfase als het aankooptarief op de pensioendatum. Bij kapitaalovereenkomsten is de genoemde ratio (rendement) niet van belang, maar wel het aankooptarief op pensioendatum. Het aankooptarief op de pensioendatum is namelijk afhankelijk van de dan geldende marktrente.
In de Pensioenwet staat (‘vrij vertaald’) dat een ouderdomspensioen een ‘geldelijke, vastgestelde levenslange’ uitkering is.2 Dat impliceert dat op de (eerste) ingangsdatum van het pensioen de hoogte in euro’s moet vaststaan. Nu bij de beleggingsknip de hoogte van het levenslange pensioen pas na vijf jaar wordt vastgesteld, moest hiervoor een faciliteit komen. Artikel 2 lid 9 biedt de mogelijkheid om de hoogte van de uitkering in de tweede fase eerst na vijf jaar vast te leggen.3

Artikel 3a van de Regeling Pensioenwet stelt vervolgens dat een‘geknipt’ pensioen toch gelijk wordt gesteld met een ouderdomspensioen (dat levenslang moet zijn). Artikel 3b van de Regeling Pensioenwet geeft aan dat er een knip mag plaatsvinden tussen de (maximaal) eerste vijf jaar en de periode daarna. De uitkering in de eerste periode moet zodanig worden vastgesteld alsof er direct een levenslang pensioen wordt aangekocht. Hierbij mag rekening worden gehouden met de mogelijkheid van variatie in de hoogte van uitkeringen conform artikel 63 Pensioenwet (alsmede op grond van artikel 18d lid 1 b Wet Loonbelasting 1964).

De pensioengerechtigde koopt vervolgens binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn uiterlijk in het laatste jaar (het vijfde jaar) de levenslange uitkering aan, zo stelt artikel 3c. Indien de pensioengerechtigde dit niet doet, dan gaat de pensioenuitvoerder daartoe over. Ook kan de ‘vervolg’ uitkering eerder dan in het laatste jaar worden aangekocht.
Immers, het gaat om het juiste moment van aankoop gezien de (beleggings)waarde van het kapitaal en marktrente.

De pensioenuitvoerder moet in de uitstelperiode van ten hoogste vijf jaar de gerechtigde jaarlijks op de hoogte houden van de hoogte van het jaarlijkse resterende kapitaal en de uitkering die daarvoor aangekocht kan worden. Een soort verlengd Uniform Pensioen Overzicht (UPO) derhalve. Dit is logisch, want de gerechtigde mag op elk moment zijn toekomstige uitkering inkopen. Prima, maar éénmaal per jaar lijkt ons voor de gerechtigde te weinig, deze zal feitelijk continu de vinger aan de pols moeten houden. Het lijkt ons derhalve verstandig om als pensioenuitvoerder zeer goede afspraken hierover te maken met de pensioengerechtigde. Ook mag de pensioenuitvoerder nadere eisen stellen aan de termijnen van aankoop van de levenslange uitkering.

De pensioenuitvoerder moet op verzoek van de deelnemer, maar ook de gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigden, meewerken aan de ‘beleggingsknip’,mits het een aanspraak betreft met een waarde, zijnde een beschikbaar komend kapitaal van minimaal 10.000 euro bestemd voor de aankoop van een pensioenuitkering. Dit impliceert dat ook de nabestaande(n), maar ook de ex-partner hiervan gebruik kan maken.

Een voorbeeld
Stel, de heer Willemsen heeft op pensioendatum zijn pensioenaanspraak belegd in 1000 aandelen Philips. Deze zijn op dat moment 100.000 euro waard. Op basis hiervan zou hij een levenslang pensioen van 6000 euro kunnen aankopen, met een nabestaandenpensioen van 70 procent hiervan, dus 4200 euro.
In plaats van een levenslang pensioen koopt hij een tijdelijk pensioen van vijf jaar aan ter grootte van 6000 euro. Dit kost hem een koopsom van 32.000 euro.
De resterende aandelen, 680 stuks Philips, verkoopt hij na drie jaar voor 75.000 euro. Dit bedrag laat hij staan tot vijf jaar na de oorspronkelijke pensioendatum en is dan gerendeerd tot 80.000 euro.
Met dit kapitaal kan hij een levenslang ouderdomspensioen aankopen van 7000 euro, wederom met 70 procent nabestaandenpensioen.

AANDACHTSPUNTEN
Uitstelperiode
In de uitstelperiode mogen de risico’s niet hoger zijn dan voor de pensioendatum. Met andere woorden: er mag in de uitkeringsfase niet risicovoller belegd worden dan in de opbouwfase tot de oorspronkelijke aankoopdatum. Ook is het mogelijk het pensioen aan te kopen bij een andere verzekeraar. Dit vloeit voort uit de algemene shopmogelijkheid van artikel 80 en 81 Pensioenwet. Een pensioenfonds is bevoegd om mee te werken, een verzekeraar verplicht. Alsdan dient de nieuwe verzekeraar zeer prudent om te gaan met beleggingen op basis van lifecycleprincipes. Wij merken hierbij wel op dat een werknemer een wettelijk recht heeft om met het pensioenkapitaal te shoppen op de oorspronkelijke pensioendatum (65 jaar). Een pensioenverzekeraar is namelijk wettelijk verplicht om een aanbiedingsmoment te bieden op de oorspronkelijke pensioendatum. Als bij een verzekeraar eenmaal de tijdelijke uitkering is aangekocht, ontstaat op het tweede aankoopmoment (70 jaar) niet wederom een wettelijk recht om te shoppen met het pensioenkapitaal. In de toelichting op de artikelen 3a t/m 3e is te lezen dat de pensioenverzekeraar niet verplicht is een nieuw aanbiedingsmoment te bieden om pensioenshoppen mogelijk te maken. Het staat de pensioenverzekeraar overigens wel vrij om pensioenshoppen aan te bieden, maar hiertoe is de pensioenverzekeraar geenszins verplicht. Hoewel dit niet expliciet is geregeld en daardoor wellicht gesteld kan worden dat nu dit in artikel 70 Pensioenwet niet is geregeld, dit niet is toegestaan, zijn wij toch van mening dat de onderlinge samenhang van artikel 70 en artikel 81 in combinatie met de bedoeling van de wetgever inzake de‘beleggingsknip’ dit wel mogelijk is.

Hoog/laagconstructie
Hoewel het enigszins cryptisch staat omschreven gezien de tekst van artikel 3c lid 3, kan er ons inziens wel degelijk gebruikgemaakt worden van de mogelijkheid tot variatie van de uitkeringen, mits dat op de oorspronkelijke pensioendatum wordt vastgelegd. In plaats van een eerste vijfjaarsuitkering van 6000 euro, kan dhr. Willemsen een eerste vijfjaarsuitkering aankopen van 7000 euro, ervan uitgaande dat de uitkering na vijf jaar dan 5250 euro bedraagt. Als blijkt dat na vijf jaar er een hogere of lagere uitkering dan 5250 euro (de verwachting is natuurlijk dat deze hoger zal uitvallen!) kan worden aangekocht, dan valt dat binnen de reguliere mogelijkheden lijkt ons. Ook kan natuurlijk begonnen worden met juist een lagere uitkering kan bijvoorbeeld 5000 euro. Dit is ons inziens logisch, want dit ‘kost’ zo weinig mogelijk kapitaal. Het grootste deel rendeert dan nog vijf jaar. Als dan na vijf jaar een uitkering van meer dan 6667 euro kan worden aangekocht, komt dhr. Willemsen weliswaar buiten de 75:100-norm, maar dit is het gevolg van een hoger rendement c.q. een hogere marktrente op dat moment. Juist daarom is de beleggingsknip toch geïntroduceerd?!

Shoppen en (uitruil) nabestaandenpensioen
In de mogelijkheden het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen uit te ruilen of om met het kapitaal te shoppen, komen geen wijzigingen. Dit betekent naar onze mening dus dat na vijf jaar met het alsdan aanwezige kapitaal opnieuw geshopt kan worden, ook bij andere aanbieders. Ergo, de aankoop van de eerste vijf jaar kan bij verzekeraar 1, de belegging van het resterende kapitaal bij verzekeraar 2 en de aankoop na vijf jaar van het levenslange pensioen bij verzekeraar 3. Zoals hiervoor opgemerkt, kan deze mogelijkheid weliswaar worden geboden, maar is een pensioenverzekeraar waarbij eenmaal een tijdelijke uitkering is aangekocht, geenszins verplicht om mee te werken aan pensioenshoppen. Het wettelijk recht op pensioenshoppen bestaat alleen op de oorspronkelijke pensioendatum (65 jaar). Met name gezien de intentie van de nieuwe regelgeving achten wij strijd met artikel 70 Pensioenwet niet aan de orde.

PARTNERPENSIOEN
Als er een partnerpensioen is, dan ‘volgt’ dit het ouderdomspensioen. Wij menen dit als volgt te moeten en mogen interpreteren. Stel, er wordt een ouderdomspensioen voor de eerste vijf jaar aangekocht van 50.000 euro. Als de ex-werknemer in deze vijf jaar komt te overlijden, dan volgt er een levenslang nabestaandenpensioen van 35.000 euro. In de ‘oude’ fiscale handreiking stond het als zodanig omschreven. De verzekeringstechnische invulling moest hierbij aansluiten. Echter, op grond van de nieuwe (civiel-juridische) handreiking wordt de mogelijkheid naar onze mening geboden dat (ook) ervoor gekozen kan worden om slechts een tijdelijke nabestaandendekking tot 70 jaar te verzekeren. Dit heeft als gevolg dat als de pensioengerechtigde komt te overlijden voor 70 jaar, het volledige uitgestelde kapitaal kan worden aangewend voor uitsluitend een nabestaandenpensioen. De (nieuwe) fiscale handreiking is hierop aangepast. Hoewel dit naar onze overtuiging niet zou moeten kunnen, wordt dit toch toegestaan. Immers, uitsluitend als gevolg van het overlijden van de pensioengerechtigde na de pensioendatum en voor de ingang van de‘tweede’ uitkering, krijgt de nabestaande een aanzienlijk hogere uitkering. Dit lijkt ons een onbedoelde en eigenlijk onbillijke bijwerking. Alleen een (hogere) rendement/beleggingsresultaat en (hogere) markrente zouden invloed mogen hebben op de uitkering, ook van het nabestaandenpensioen. De mogelijkheid is uiteraard wel in het voordeel van de nabestaande, waardoor wij deze mogelijkheid toch kunnen billijken.

Verwachtingen de komende vijf jaar
Wij verwachten niet dat er veel gebruik van gemaakt gaat worden. De reden hiervoor is drieledig. Er zijn niet veel bijna gepensioneerden met al het pensioenkapitaal in risicovolle beleggingen. De kans dat deze de komende vijf jaar‘fors’ renderen, is absoluut niet gegarandeerd. De marktrente is niet extreem laag. De kans is minimaal gelijk dat de marktrente over vijf jaar nog steeds laag is en misschien zelfs wel lager. Hierbij dient te worden aangetekend dat het verzekeringstarief voor een levenslange uitkering ingaand op bijvoorbeeld 70-jarige leeftijd leidt tot een ongunstiger tarief ten opzichte van het deel van een levenslange uitkering ingaand op 65-jarige leeftijd dat op dezelfde periode betrekking
heeft. Bij een pensioenknip in een beleggingsverzekering zijn derhalve zowel de ontwikkeling van de aandelenkoersen, de ontwikkeling van de rente als het tijdstip van het plaatsen van de knip van belang voor de uiteindelijke hoogte van het pensioen. Tot slot is de beleggingsknip ‘veel’ gedoe. Vele gepensioneerden zullen hun ‘beleggings’-wonden likken en voor zekerheid kiezen.

FISCALITEIT
Vanuit de fiscaliteit was al er al een handreiking voor aankoop van pensioen in verband met de lage marktrente. Deze handreiking is ook per 15 juli 2009 aangepast.4 Verder zijn de fiscale eisen vergelijkbaar met die vanuit de Pensioenwet.

MOGELIJKHEDEN DGA
De vraag die natuurlijk opkomt, is in hoeverre een DGA kan profiteren van de Beleggingsknip. Hiervoor dienen drie opties te worden besproken. Allereerst de DGA die in het kader van de invoering van de Pensioenwet heeft geopteerd om vrijwillig onder de Werking hiervan te vallen. Deze DGA kan gelijk een werknemer gebruikmaken van de beleggingsknip. Voor deze DGA is op grond van artikel 3e sprake van een wettelijk recht Gelijk een werknemer die heeft. Zijn pensioen is en blijft ondergebracht bij een professionele pensioenuitvoerder (verzekeraar). Ook de DGA die na 2007 zijn pensioen vrijwillig onderbrengt bij een verzekeraar middels een zogenaamde ‘loonbelasting’-polis, kan gebruik maken van de beleggingsknip. Immers, alleen de (fiscale) Handreiking pensioenknip is dan relevant. De vraag is alleen wel of de pensioenuitvoerder een plicht heeft om mee te werken. Anders geformuleerd: heeft deze DGA, gelijk de DGA die vrijwillig heeft geopteerd voor de Pensioenwet, ook een wettelijk recht? Wij zijn van mening dat zulks niet het geval is. De regeling is immers opgenomen in de Pensioenwet en alleen de DGA die in 2007 heeft geopteerd voor de Pensioenwet ten aanzien van een op 1 januari 2007 bestaande verzekerde pensioenregeling (PSW B-polis of C-polis) valt onder de werkingssfeer van de Pensioenwet.

EIGEN BEHEER
Tot slot de vraag of een DGA die in eigen beheer pensioen opbouwt ook gebruik kan maken van de beleggingsknip. Dat hangt primair af van de toezegging. Vaak zal de toezegging in eigen beheer luiden in euroaanspraken, gebaseerd op een salaris/diensttijdregeling, vaak eindloon. Hoe het geld dan door de bv beheerd c.q. belegd wordt, doet niet ter zake. Uitsluitend met een beroep op het feit dat de hoogte van het aan te kopen pensioen afhankelijk is van de hoogte van het beschikbaar komende kapitaal, al dan niet in combinatie met een lage marktrente, komt hij er dus niet. Dit is anders als de pensioentoezegging een premie- of kapitaalovereenkomst is, en de pensioenuitkering dus afhankelijk is van de stand van zaken op de pensioeningangsdatum (hoogte kapitaal en marktrente). Van belang hierbij is dan wel dat de BV dit ook als zodanig heeft geadministreerd. Maar zoals gesteld, dit zal veelal niet het geval zijn. In het zicht van de pensioendatum het pensioen overdragen naar een andere BV of een verzekeraar biedt ook geen soulaas, aangezien bij overdracht de pensioenaanspraken voor de werknemer/ DGA ongewijzigd blijven.

Wel zou de pensioentoezegging met het oog op de beleggingsknip gewijzigd kunnen worden in een premie- of kapitaalovereenkomst. Op zich kan dat ook met het oog op de pensioendatum. Feitelijk wordt dan de waarde van het pensioen (dat dus een uitkeringsovereenkomst is) omgezet in een aanspraak op een kapitaal of omgezet in beleggingen (dat hoeven niet per se aandelen ofwel risicovolle beleggingen te zijn). Op de pensioendatum kan de DGA dan een keus maken over hoe het pensioen aan te kopen. Uiteraard zullen er dan de nodige discussies komen over de kosten, de te hanteren rekenrente en sterftetafel c.q. leeftijdsterugstellingen die ingerekend moeten worden, maar die zijn vast te stellen. Wij kunnen ons zelfs voorstellen dat op de pensioendatum het pensioen wordt ondergebracht bij een verzekeraar. Op basis van de koopsom kan een uitkering van vijf jaar worden aangekocht en de rest van de door de verzekeraar gevraagde koopsom wordt aangewend in de beleggingsknipconstructie. Wij merken hierbij wel op dat deze constructie alleen fiscaal acceptabel is indien op deze wijze geen sprake is van afzien van pensioen. Met andere woorden: de wijziging van de pensioentoezegging moet ten minste een even hoog pensioen opleveren, bij voorkeur een beter (dus hoger) pensioen. Daarnaast zal de pensioenuitvoerder niet verplicht zijn om mee te werken, aangezien zoals hiervoor reeds vermeld de DGA die niet heeft geopteerd voor de Pensioenwet of pas ná 1 januari 2007 DGA is geworden, geen wettelijk recht heeft. Dezelfde (on)mogelijkheden gelden naar onze mening dan voor een pensioen dat veilig is gesteld in een holding of in een apart pensioenlichaam (BV of stichting), nu geen beperkingen zijn gesteld aan de manier van‘eigen beheer’.

C-POLIS
De Pensioenwet kent niet langer C-polissen. Artikel 18 van de Invoeringswet Pensioenwet geeft het wettelijk overgangsrecht voor de C-polis. Deze wordt gerespecteerd en bovendien aangemerkt als uitvoeringsovereenkomst in de zin van de Pensioenwet. Op grond hiervan kan een werknemer met een C-polis derhalve op grond van artikel 18 IPW juncto art. 3e PW ook gebruikmaken van de beleggingsknip. Ook op grond van de fiscale handreiking is te concluderen dat het toepassen van de beleggingsknip ook voor C-polissen geldt. Deze C-polissen zijn ook veel gebaseerd op kapitaal- of premieovereenkomsten.

TOT SLOT
Onze conclusie is dat de (tijdelijke) wet charmant genoemd kan worden. Natuurlijk moeten civiele en fiscale (on)mogelijkheden de pensioengerechtigde niet belemmeren om de gevolgen van de economische (krediet)crisis te beperken. Maar wij vragen ons wel af hoeveel pensioengerechtigden nu echt vlak voor pensioendatum nog ‘volop’ in risicovolle aandelen zitten. Als dat zo is, is dat dan niet gewoon ‘stom’? En is de marktrente historisch gezien nu wel zo laag dat dit wetmatig getackeld moet worden? Als deze wet dan nodig is, moet het dan geen blijvende mogelijkheid zijn in plaats van een tijdelijke van vijf jaar? Waarom mag een pensioengerechtigde niet in de uitkeringsfase ook enige flexibiliteit hebben bij de (geknipte) aankoop? Dat de uitkeringen niet in ‘units’ mogen – dus elk jaar de tegenwaarde van een vast
aantal units kunnen wij ons voorstellen – maar een knip van vijf (of drie of zeven) jaar, wat is daarop tegen? Misschien dus toch een beetje een‘paniek’-wet. Dat is niet goed in pensioenland, durven wij te stellen.

Noten
1. Stcrt. 2009, 10855.
2. Zie de artikelen 1, 2 en 15 Pensioenwet.
3. Artikel 2 lid 10 Pensioenwet geeft aan dat de beleggingsknip uitsluitend kan voor beschikbaar komend kapitaal dat nog niet is aangewend voor de aankoop van een levenslang pensioen van na 31-12-2008. De beleggingsknip geldt voorlopig tot 31-12-2013.
4. Zie Handreiking pensioenknip op www.belastingdienstpensioensite.nl. nr. 5 2010

Bijlage tijdelijke regeling pensioenknip

3A. GELIJKSTELLING MET PENSIOEN
1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden gelijkgesteld met pensioen in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte Beroepspensioenregeling indien wordt voldaan aan de artikelen 3b en 3c en de pensioendatum ligt voor 1 januari 2014.
2. Indien het pensioen, bedoeld in het eerste lid, ouderdomspensioen is, voldoet dit ouderdomspensioen aan artikel 15 van de Pensioenwet of artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3B. DE TIJDELIJKE UITKERING
1. De duur van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt ten hoogste vijf jaar.
2. De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.
3. Indien bij het vaststellen van de hoogte van de tijdelijke uitkering artikel 63, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in acht is genomen, voldoet het pensioen aan artikel 63 van de Pensioenwet of artikel 75 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3C. DE LEVENSLANGE UITKERING
1. De levenslange uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,wordt ingekocht tijdens de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b.
2. Indien de pensioengerechtigde in het laatste jaar van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot inkoop van een levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over tot aanwending van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor een levenslange uitkering
3. De hoogte van de levenslange uitkering varieert na ingang niet.

3D. RESTEREND KAPITAAL
1. Het kapitaal dat na aankoop van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, resteert wordt door de pensioenuitvoerder zodanig samengesteld dat de risico’s vergelijkbaar of lager zijn dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.
2. Indien de pensioengerechtigde de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde over de spreiding van de beleggingen conform het eerste lid.
3. In de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, ontvangt de pensioengerechtigde, naast de informatie die op grond van artikel 44 van de Pensioenwet of artikel 55 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt, voor zover van toepassing ten minste een keer per jaar informatie over:
a. de hoogte van het resterende kapitaal; en
b. de hoogte van de met dit kapitaal te kopen uitkering.

3E. VERPLICHTING PENSIOENUITVOERDER
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde mee te werken aan een splitsing als bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal ten minste € 10.000 bedraagt en met inachtneming van de artikelen 3a tot en met 3d.
2. De pensioenuitvoerder informeert de daarvoor in aanmerking komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.

Informatie

  • Pensioen Algemeen
  • Donderdag 26 maart 2015