Bedrijfsopvolgingsregeling overdrachtsbelasting is niet van toepassing

Een verkrijging van onroerende zaken in het kader van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer is onder voorwaarden op grond van artikel 15 lid 1 onderdeel b Wet Belastingen Rechtsverkeer (WBR) vrijgesteld van overdrachtsbelasting. 

Op 6 oktober 2020 heeft Hof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan of deze vrijstelling ook van toepassing kan zijn wanneer een vennootschap van de kinderen de onroerende zaken van de vader en van de holding-bv van vader verkrijgt.

De vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR

De Wet Belastingen Rechtsverkeer (WBR) kent een aantal vrijstellingen. Een van deze vrijstellingen is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR. Deze vrijstelling ziet op de bedrijfsopvolging in de familiesfeer.

Volgens de tekst van deze bepaling geldt de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor een verkrijging door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen, die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming, die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.

Wanneer in het kader van de bedrijfsopvolging een bv van de kinderen het vastgoed verkrijgt, kwalificeert deze bv derhalve niet op grond van de tekst van artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR. Op 6 oktober 2020 heeft Hof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in hoeverre dit inderdaad het geval is.

Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2020

Casus

A heeft drie zonen. Hij heeft in 1995 zijn onderneming ingebracht in een structuur met een holding-bv en een werk-bv. Hij heeft bij de inbreng van de onderneming alleen het economisch eigendom van het bedrijfsvastgoed overgedragen. De holding-bv verhuurt het ingebrachte vastgoed aan de werk-bv. In 1998 heeft A in privé een pand gekocht. Dit pand verhuurt hij aan de werk-bv.

In januari 2007 is belanghebbende (een bv) opgericht in het kader van de bedrijfsoverdracht aan de zonen. De aandelen van belanghebbende zijn direct gecertificeerd en in eigendom verkregen door de eveneens in januari 2007 opgerichte stichting. A is enig bestuurder van de stichting. De certificaten van aandelen in belanghebbende zijn uitgegeven aan de persoonlijke houdstermaatschappijen van de drie zonen van A. De holding-bv van A heeft vervolgens haar werk-bv aan belanghebbende overgedragen. In 2018 verwerft belanghebbende van A en van de holding-bv van A de panden die aan de werk-bv zijn verhuurd.

Geschil

In geschil is of de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR van toepassing is op de verkrijging door belanghebbende van de panden. Volgens belanghebbende is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing, omdat het voor de toepassing van deze bedrijfsopvolgingsvrijstelling gerechtvaardigd is door de juridische huls van de rechtspersonen heen te kijken. Belanghebbende verwijst hiertoe naar de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 2007, 10 juni 2011 en van 30 november 2018 (hierna: de doorkijkarresten, zie externe links).

Verder stelt belanghebbende dat de verkrijging van de verschillende panden deel uitmaakt van een bedrijfsopvolging in fasen, waarbij A de panden, die tot zijn onderneming behoorden en daaraan dienstbaar waren, heeft overgedragen aan zijn drie zonen.

Overwegingen en oordeel hof

Hof Arnhem-Leeuwarden stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende niet behoort tot de kring van de genoemde verkrijgers in artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR en dat de overdragers (A en de holding-bv van A) niet kwalificeren als ondernemer als bedoeld in dat artikel. Evenmin behoorden de onroerende zaken tot een onderneming van de overdragers, zodat zij daar ook niet dienstbaar aan konden zijn. Het hof sluit zich hierbij aan.

Het hof overweegt vervolgens dat de keuze voor een bepaalde juridische vorm, zoals de inbreng van een onderneming met onroerende zaken in een besloten vennootschap, er toe kan leiden dat bepaalde handelingen anders behandeld worden voor de heffing van belastingen. Het in zijn geheel wegdenken van rechtspersonen, zoals wordt bepleit door belanghebbende, rijmt volgens het hof echter niet met dit uitgangspunt en daar bestaat ook overigens geen wettelijke basis voor.

Ook in de doorkijkarresten, in samenhang bezien met doel en strekking van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling, ziet het hof geen aanknopingspunten voor een dergelijke benadering. 

Uit de bewoordingen van de Hoge Raad leidt het hof af dat de reikwijdte van de doorkijkarresten dient te worden beperkt tot situaties waarin bij de verkrijging van aandelen in een vennootschap, enkel vanwege de toepassing van de fictie van artikel 4 lid 1 onderdeel a WBR, overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn, terwijl deze niet verschuldigd zou zijn indien de verkrijger de onroerende zaak zelf zou hebben verkregen uit hoofde van een vrijstelling van artikel 15 WBR.

In deze casus heeft belanghebbende echter geen aandelen in een onroerendezaaklichaam verkregen, maar de onroerende zaken zelf. Er is dan ook volgens het hof geen sprake van een niet beoogd gevolg, zodat geen aanleiding bestaat om door de rechtspersonen heen te kijken. Dat de heffing van overdrachtsbelasting niet aan de orde zou zijn geweest indien A de onderneming met panden rechtstreeks had overgedragen aan de kinderen doet volgens het hof hier niet aan af, aangezien dit feitelijk en juridisch een andere situatie betreft.

Het hof oordeelt dan ook dat belanghebbende over de verkrijging van de panden overdrachtsbelasting is verschuldigd.

Informatie

  • Fiscaal: Overig
  • EQF 7
  • Dinsdag 27 oktober 2020