Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Bedrijfsoverdracht IB-ondernemer: verkoop van de onderneming

Elke ondernemer krijgt vroeg of laat te maken met bedrijfsoverdracht. Hierbij worden de ondernemer en de onderneming geconfronteerd met een groot aantal vragen van civielrechtelijke, fiscale en financiële aard.

Een bedrijfsoverdracht kan op veel verschillende manieren vorm worden gegeven. In deze module wordt ingegaan op de fiscale aspecten en gevolgen van het overdragen (verkopen) van een onderneming tegen een zakelijke prijs. De schenking van de onderneming (overdracht tegen een niet-zakelijke prijs) en de overdracht ten gevolge van overlijden van de ondernemer zullen niet in deze module worden behandeld.

1.0 Overdragen onderneming is fiscaal staken van de onderneming

1.1 Afrekenen over de stakingswinst

Wanneer een ondernemer zijn onderneming verkoopt, drijft hij na de verkoop niet meer voor zijn rekening deze onderneming. Hij geniet in box 1 geen winst uit onderneming meer. Dit betekent, dat hij in fiscale zin zijn onderneming staakt. Er is namelijk niet alleen sprake van het staken van een onderneming wanneer de onderneming ophoudt te bestaan (liquidatie), maar ook wanneer de onderneming wordt overgedragen aan een derde.

Door de staking van zijn onderneming zal de ondernemer moeten afrekenen over de door de overdracht/staking gerealiseerde meerwaarde (artikel 3.61 Wet IB 2001). Dit zijn:

  • De stille reserves op de activa en passiva (verschil tussen de economische waarde en de boekwaarde van de bedrijfsmiddelen)
  • De fiscale reserves (herinvesteringsreserve, kostenegalisatiereserve, terugkeerreserve en de oudedagsreserve) en desinvesteringsbijtellingen
  • De goodwill (doet zich alleen voor bij voortzetting van de onderneming)

De staking van een onderneming kan naast afrekening over de stakingswinst ook leiden tot het ongedaan maken van de genoten investeringsaftrek (artikel 3.47 Wet IB 2001). Dit geldt zowel bij verkoop als bij overgang naar het privévermogen voor bedrijfsmiddelen waarvoor investeringsaftrek is verkregen die binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden, zijn vervreemd.

De stakingswinst wordt belast tegen het progressieve tarief in de inkomstenbelasting (maximaal 49,5% in 2020). Aangezien de ondernemer daardoor met een mogelijk aanzienlijke belastingclaim kan worden geconfronteerd, waarvan de betaling zijn liquiditeitspositie aantast, is in de Wet IB 2001 een aantal faciliteiten opgenomen die dit effect tot op zekere hoogte dempen.

1.2  Algemene stakingsfaciliteite

Stakingsaftrek

Bij staking van een gehele onderneming komt een ondernemer in aanmerking voor de stakingsaftrek ter grootte van maximaal € 3.630 (2020). Bij staking van een gedeelte van de onderneming heeft de ondernemer geen recht op stakingsaftrek. De aftrek geldt per ondernemer en niet per onderneming.

De stakingsaftrek is als onderdeel van de ondernemersaftrek vrijgesteld (artikel 3.79 Wet IB 2001). Het maximumbedrag van € 3.630 wordt verminderd - maar niet verder dan tot nihil - met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek.

Het aftrektarief voor de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek is in 2020 maximaal 46%. Vanaf 2020 wordt de aftrek in drie stappen van circa 3% versneld afgebouwd naar maximaal 37,10% in 2023.

Stakingslijfrente

De stakingslijfrente biedt een ondernemer de mogelijkheid de stakingswinst bij gehele of gedeeltelijke staking van zijn onderneming om te zetten in een lijfrente (artikel 3.125 Wet IB 2001). Vereist is wel dat deze lijfrente dient ter compensatie van een pensioentekort. Dit kunnen de volgende drie lijfrentevormen zijn:

  • De oudedagslijfrente: dit is een levenslange lijfrente uitsluitend ten behoeve van de ondernemer zelf. Deze moet uiterlijk 5 jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd ingaan
  • De nabestaandenlijfrente: dit is een lijfrente die meestal wordt gesloten ten behoeve van de partner met wie de ondernemer gehuwd was of duurzaam samenwoonde
  • De tijdelijke oudedagslijfrente: deze lijfrente mag ingaan in het jaar waarin de AOW-leeftijd is bereikt of in de vijf jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd. De uitkeringen moeten ten minste vijf jaar plaatsvinden. De maximale uitkering is bruto € 22.089 (2020) per jaar

De stakingswinst die gefacilieerd kan worden omgezet, is voor het jaar 2020 gemaximeerd tot de volgende bedragen:

  • € 467.044 bij:
    • Overdrachten door ondernemers die ten hoogste vijf jaar jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd (2020: 61 jaar en 4 maanden of ouder)
    • Overdrachten door invalide ondernemers (45% of meer arbeidsongeschikt), mits de termijnen ingaan binnen 6 maanden na staking
    • het staken van de onderneming door overlijden
  • € 233.530 bij:
    • Overdrachten door ondernemers met een leeftijd tussen de vijftien en vijf jaar lager dan de AOW-gerechtigde leeftijd (2020: een leeftijd tussen de 51 jaar en 4 maanden, en 61 jaar en 4 maanden)
    • Overdrachten door ondernemers indien de lijfrente-uitkeringen direct ingaan
  • € 116.771 in de overige gevallen

Deze maxima worden verminderd met de volgende bedragen:

  • Bedragen die in voorgaande jaren al op grond van de jaar- en reserveringsruimte als premie/inleg voor een lijfrente zijn afgetrokken
  • Het bedrag van de oudedagsreserve bij de aanvang van het kalenderjaar
  • Het bedrag dat al in het kader van de omzetting van de oudedagsreserve in een lijfrente en de omzetting van stakingswinst in een lijfrente is afgetrokken
  • Wanneer de ondernemer aanspraken heeft die berusten op een pensioenregeling of een bedrijfsbeëindigingregeling moeten deze ook van de maxima worden afgetrokken

In tegenstelling tot de stakingsaftrek leidt de stakingslijfrente dus niet tot afstel, maar tot uitstel van belasting. De uitkering van de lijfrente zal bij de (ex-)ondernemer immers jaarlijks belast worden in box 1 als belastbare periodieke uitkering. 

Doordat de stakingswinst in feite wordt uitgesmeerd over meerdere jaren kan afhankelijk van de situatie van de stakende ondernemer een tariefsvoordeel ontstaan. Vanaf 2022 bedraagt bijvoorbeeld het verschil tussen de eerste en tweede schijf voor een belastingplichtige die jonger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd 12,4%.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

2.0 Vormen van verkoop van de onderneming

Veel ondernemers zullen naar verwachting hun onderneming staken doordat zij de onderneming verkopen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de verschillende mogelijkheden die een ondernemer heeft bij de verkoop van zijn onderneming aan een derde.

Achtereenvolgens zullen de volgende mogelijkheden aan de orde komen:

  • Overdracht tegen betaling van een bedrag in contanten
  • Overdracht waarbij de koopsom schuldig wordt gebleven
  • Huurverkoop van de onderneming
  • Overdracht tegen betaling van een winstrecht
  • Overdracht tegen een koopsom in termijnen
  • Overdracht tegen betaling van een lijfrente

2.1 Overdracht tegen betaling van een bedrag in contanten

Bij de overdracht van een onderneming tegen een bedrag in contanten, betaalt de opvolger de stakende ondernemer een koopsom voor de onderneming. In het jaar van overdracht realiseert de stakende ondernemer de stakingswinst. De stakingswinst is het verschil tussen de koopsom en de boekwaarde van de onderneming. 

Met het ontvangen bedrag kan de stakende ondernemer de inkomstenbelasting over de belaste stakingswinst betalen. Het ontvangen bedrag wat vervolgens resteert, wordt in box 3 belast.

Een alternatief is dat de stakende ondernemer het bedrag gebruikt voor de aankoop van een stakingslijfrente (zie paragraaf 1.2). Naast een mogelijk tariefsvoordeel in box 1 kan de stakende ondernemer dan ook nog een ander voordeel realiseren, omdat de ontvangen koopsom door de stakingslijfrente nog niet in box 3 wordt belast.

2.2 Overdracht waarbij de koopsom schuldig wordt gebleven

Wanneer de koopsom gedeeltelijk (dan wel geheel) wordt schuldig gebleven door de koper van de onderneming, is de vordering op de koper voor de stakende ondernemer een bezitting in box 3.

De stakingswinst is het verschil tussen de koopsom in de vorm van een vordering en de boekwaarde van de onderneming. In het jaar van overdracht realiseert de stakende ondernemer de stakingswinst. 

Ondanks dat de stakende ondernemer (nog) geen middelen ontvangt, is hij toch inkomstenbelasting over de stakingswinst verschuldigd. Hiermee zal in de financiële planning van de stakende ondernemer rekening moeten worden gehouden bij het beoordelen van de kasstroompositie van de stakende ondernemer. 

Eventueel kan onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de uitstelregeling van artikel 25 lid 18 Invorderingswet. Deze uitstelregeling ziet specifiek op situaties waarin een stakende ondernemer zijn onderneming (geheel of gedeeltelijk) overdraagt aan een natuurlijk persoon, die de onderneming voortzet en waarbij de koper de koopsom van de onderneming (geheel of gedeeltelijk) schuldig blijft. De maximale periode van uitstel is 10 jaar. Het uitstel van betaling is overigens renteloos (artikel 28 lid 3 Invorderingswet). 

De afspraken die stakende ondernemer en de koper maken over de omvang en aflossing van de overnameschuld zijn bepalend voor de omvang en de duur van het uitstel van betaling dat de stakende ondernemer kan krijgen.

Betaalt de koper bijvoorbeeld de helft van de koopsom van de onderneming en blijft hij de andere helft schuldig, dan krijgt de stakende ondernemer uitstel van betaling over de helft van de verschuldigde belasting over de stakingswinst.  

Als de stakende ondernemer en de koper bijvoorbeeld afspreken dat de overnameschuld in 5 jaar tijd moet worden afgelost, krijgt de stakende ondernemer voor maximaal 5 jaar uitstel van betaling. Hij moet dan ieder jaar 1/5 van de verschuldigde belasting voldoen. Wordt een aflossingstermijn van 10 jaar of langer overeengekomen, dan krijgt de stakende ondernemer het maximale uitstel van betaling voor een periode van 10 jaar. Bij deze optie moet hij ieder jaar 1/10 van de verschuldigde belasting betalen.             

Het uitstel wordt verleend onder de voorwaarde dat de stakende ondernemer zekerheid stelt voor de verschuldigde belasting. Dat kan door de vordering op de koper te cederen.

2.3 Huurverkoop van een onderneming

Een onderneming kan ook worden overgedragen op basis van huurverkoop.

Bij huurverkoop van een onderneming gaat de juridische eigendom van de onderneming in tegenstelling tot de verkoop tegen een betaling in contanten echter pas over bij het voldoen van de laatste termijn. Er is sprake van een eigendomsvoorbehoud tot aan het einde van de huurverkoopperiode. Ondanks dat is het vaste jurisprudentie dat in geval van huurverkoop van een onderneming, de onderneming wordt overgedragen en derhalve gestaakt aan het begin van de huurverkoopperiode. Er moet dan ook bij aanvang van de huurverkoopperiode worden afgerekend over het verschil tussen de contante waarde van de huurverkooptermijnen en de boekwaarde van de onderneming. De huurverkoopvordering van de verkoper op de koper is een bezitting in box 3. Wanneer de overnemer echter een verbonden persoon is, wordt de vordering aangemerkt als overige werkzaamheid en wordt de rente tegen het progressieve tarief belast in box 1.

Alleen wanneer een gerede kans aanwezig is dat de onderneming in de toekomst weer voor rekening van de verkoper zal worden gedreven, wordt de onderneming niet bij aanvang van de huurverkoopperiode geacht te zijn gestaakt. De huurverkooptermijnen worden dan tot de winst van de onderneming gerekend op het moment dat zij groter zijn dan de boekwaarde van de onderneming. De huurkoopvordering is (nog) geen privévermogen van de overdrager. 

Of er sprake is van een gerede kans dient te worden beoordeeld op het moment dat de overeenkomst tot stand komt aan de hand van objectieve maatstaven. Dit betekent, dat de redelijke kans afhankelijk is van de verwachting dat de huurkoper de termijnen kan betalen uit de bedrijfsresultaten. Derhalve is de kredietwaardigheid van de huurkoper minder van belang dan het winstpotentieel van de onderneming.

2.4 Overdracht van een onderneming tegen een winstrecht

Bij overdracht van een onderneming tegen een winstrecht zal in de meeste gevallen sprake zijn van staking van de onderneming. Een uitzondering geldt wanneer contractueel is overeengekomen dat de overdragende ondernemer rechtstreeks is verbonden voor de verbintenissen van de onderneming. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. 

Het verschil tussen huurverkoop van de onderneming en verkoop tegen een winstrecht is dat bij huurverkoop het eigendomsvoorbehoud onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, terwijl dit bij verkoop tegen een winstrecht niet het geval is. 

Door de overdracht tegen een winstrecht blijft de stakende ondernemer risico’s lopen ten aanzien van de te ontvangen termijnen. Als gevolg daarvan is het op grond van vaste jurisprudentie mogelijk de winstneming bij een overdracht tegen een winstrecht uit te stellen. De stakende ondernemer heeft hierdoor de keuze tussen direct afrekenen en uitgestelde winstneming.

Direct afrekenen

Wanneer de stakende ondernemer direct wil afrekenen over de stakingswinst, moet de contante waarde van het winstrecht dat hij krijgt worden bepaald. Bij aanvang van de winstrechtperiode moet de stakende ondernemer afrekenen over het verschil tussen de contante waarde van het winstrecht en de boekwaarde van de onderneming. In dat geval kan hij gebruik maken van de stakingsfaciliteiten (stakingsaftrek en stakingslijfrente). Na afrekening is het winstrecht een vermogensrecht dat als bezitting wordt belast in box 3 (artikel 5.3 lid 2 letter e Wet IB 2001).

Uitgestelde winstneming

Wanneer de stakende ondernemer opteert voor uitgestelde winstneming, zullen de winstuitkeringen als nagekomen bedrijfsbaten worden belast in box 1 als winst uit onderneming, voor zover deze de boekwaarde van de overgedragen onderneming overtreffen. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de stakingsfaciliteiten. Evenmin kan de overdragende ondernemer gebruik maken van de ondernemersfaciliteiten. Hij is immers geen ondernemer, maar hij is medegerechtigde tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 3.3 lid 1 letter a Wet IB 2001 (quasi-ondernemer).

2.5 Overdracht van een onderneming tegen een koopsom in termijnen

Bij overdracht van een onderneming tegen betaling in termijnen moet de stakingswinst volledig in het jaar van overdracht worden verantwoord. De stakingswinst is het verschil tussen de overdrachtsprijs en de boekwaarde van de onderneming. De overdrachtswaarde is de contante waarde de termijnen. De vordering op de nieuwe eigenaar valt in box 3.

2.6 Overdracht van een onderneming tegen een lijfrente

Wanneer de onderneming wordt overgedragen tegen een lijfrente luidt de hoofdregel dat degene die de onderneming overdraagt, dient af te rekenen over de contante waarde van het lijfrenterecht minus de boekwaarde van de onderneming op het moment dat de onderneming wordt overgedragen. Evenals bij huurverkoop is geen sprake van staking indien er een gerede kans aanwezig is dat de overdrager in de toekomst weer de onderneming zal exploiteren. 

Het is in deze situatie voor de stakende ondernemer mogelijk een beroep te doen op de stakingslijfrenteaftrek. Indien en voor zover gebruik wordt gemaakt van de stakingslijfrenteaftrek valt deze in box 1. Het deel dat niet kwalificeert voor de stakingslijfrente is een bezitting in box 3.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

3.0 Verhuur van de onderneming

Een alternatieve vorm van overdracht is dat de onderneming (of een zelfstandig onderdeel daarvan) wordt verhuurd aan de overnemer. Hierdoor blijft de oorspronkelijke eigenaar als verhuurder ondernemer voor de inkomstenbelasting. Er is geen sprake van een staking van de onderneming, maar er treedt slechts een verandering op in de wijze van uitoefening van de onderneming. Dit betekent dat een verhuurder niet direct hoeft af te rekenen over eventuele meerwaarden in de onderneming en de mogelijk opgebouwde oudedagsreserve. De verhuurde onderneming wordt dus geen privévermogen van de verhuurder, maar blijft ondernemingsvermogen. 

Voor de huurder van de onderneming geldt, dat hij ook kwalificeert als ondernemer en onder voorwaarden derhalve ook gebruik kan maken van de ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek. Doorgaans zal de verhuurder echter niet aan het urencriterium (1225 uur per jaar) voldoen. 

Het gevolg van de verhuur van een onderneming is dat er dus twee belastingplichtigen ten aanzien van dezelfde onderneming als ondernemer worden aangemerkt. Zowel de huurder als verhuurder wordt in fiscale zin als ondernemer aangemerkt. Zij hebben echter wel een verschillende balans. De verhuurder kan de boekwaarden van zijn ‘oude’ balans overnemen en de huurder start met een balans waarop (nog) geen activa en passiva zijn opgenomen. 

De verhuurder wordt als ondernemer aangemerkt tot het moment dat alle verhuurde zaken zijn verkocht of te niet zijn gegaan. Het verbruik of te niet gaan van een deel van de zaken (vaak de inventaris) leidt niet tot staking van de onderneming van de verhuurder. Hierdoor kan het dus voorkomen dat het ondernemerschap van de verhuurder enkel gebaseerd is op zijn gerechtigdheid tot de goodwill.

In de verhuurperiode bouwt de huurder van de onderneming naar alle waarschijnlijkheid een eigen klantenkring op. Hij kan de naam van de onderneming wijzigen en geleidelijk de inventaris van de onderneming vervangen. Verhuur van de onderneming kan hierdoor na verloop van jaren toch nog een fiscale afrekening met zich meebrengen wanneer het bedrijfspand onderdeel is van de verhuurde onderneming. Na verloop van tijd zal de verhuur van de onderneming feitelijk niets anders zijn dan de verhuur van een pand. De goodwill en inventaris zullen immers door de nieuwe ondernemer zijn vervangen. Op dat moment staakt de verhuurder zijn onderneming. Het pand gaat dan tegen de werkelijke waarde over naar het privévermogen en over de meerwaarde (stille reserve) van het pand zal fiscaal moeten worden afgerekend. De verhuur van enkel een pand is namelijk geen onderneming in de zin van de Wet IB 2001.

4.0 Doorschuiffaciliteit bij verkoop onderneming

4.1 De faciliteit van artikel 3.63 Wet IB 2001

In hoofdstuk 3 zijn vormen van verkoop behandeld waarbij over de meerwaarden in de onderneming moet worden afgerekend omdat er sprake is van staking van de onderneming. 

Op grond van artikel 3.63 Wet IB 2001 is onder bepaalde voorwaarden de overdracht van de onderneming echter geen staking. De verkoop van de onderneming kan dan zonder belastingheffing over de meerwaarden plaatsvinden. De verkoop moet dan plaatsvinden aan een mede-ondernemer of aan een in de onderneming werkzame werknemer. 

Deze faciliteit is van toepassing indien:

  • De over te dragen onderneming gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht deel uitmaakte van een samenwerkingsverband met degene die de onderneming gaat voortzetten en degene die voortzet met betrekking tot dat samenwerkingsverband gedurende die 36 maanden als ondernemer winst heeft genoten.
  • De onderneming wordt overgedragen aan een natuurlijk persoon die gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht als werknemer in die onderneming werkzaam is geweest.

Zowel de overdragende ondernemer als degene die de onderneming voortzet bij de aangifte van de overdragende ondernemer dienen om toepassing van de faciliteit te verzoeken. 

Voor de toepassing van de faciliteit is derhalve vereist dat degene die de onderneming overneemt, deze ook voortzet. Om er voor te zorgen dat de overnemer de onderneming ook daadwerkelijk voortzet en de faciliteit voor de verkopende ondernemer dus niet in gevaar brengt, dienen er duidelijke afspraken gemaakt te worden tussen de verkopende ondernemer en de overnemer. 

Het gevolg van de faciliteit is dat - voor het bepalen van de winst en de toepassing van de regelingen met betrekking tot de investeringsaftrek en de desinvesteringsbijtelling - de overnemer wordt geacht fiscaal in de plaats te zijn getreden van de overdrager. Dit heeft tot gevolg dat de boekwaarden van de overdrager worden doorgeschoven naar de overnemer. Hierdoor kan de overnemer met betrekking tot activa slechts afschrijven over de boekwaarde en niet over de werkelijke waarde. Bovendien kan hij fiscaal niet afschrijven over de goodwill. 

Commercieel zal de overnemer de onderneming echter wel tegen de werkelijke waarde overnemen, waarbij wel rekening kan worden gehouden met de latente belastingclaim. Wanneer dat namelijk niet het geval is, dan is volgens de Staatssecretaris van Financiën sprake van een schenking. 

De oudedagsreserve kan niet fiscaal geruisloos worden doorgeschoven, behalve wanneer deze overgaat op de partner die de onderneming voortzet en de oudedagsreserve niet groter is dan het ondernemingsvermogen waarmee de partner de onderneming voortzet.

4.2 Relevante andere aspecten

Inzake de doorschuiffaciliteit zijn de volgende zaken nog van belang:

  • Faciliteit geldt ook voor een overdracht van een zelfstandig deel van de onderneming
  • Mogelijkheid tot verkorting van driejaarstermijn in bepaalde gevallen
  • Werknemer in de onderneming
  • 36 maanden onafgebroken verbonden aan de onderneming

Faciliteit geldt ook voor een overdracht van een zelfstandig deel van de onderneming

Voor toepassing van de faciliteit is het niet noodzakelijk dat de gehele onderneming wordt doorgeschoven. Ook bij overdracht van een zelfstandig deel van de onderneming kan van de faciliteit gebruik worden gemaakt. Het deel dat wordt overgedragen, hoeft bij de overnemer(s) geen zelfstandige onderneming te vormen. Van belang is slechts dat het overgenomen deel tot het ondernemingsvermogen van de overnemer(s) gaat behoren (zie het Besluit ‘Doorschuifregeling met toepassing van de artikelen 3.62 of 3.63 Wet IB 2001’ van 14 mei 2018). 

Eventueel kunnen ook bepaalde vermogensbestanddelen buiten de overdracht worden gehouden. Bezit de overdrager bijvoorbeeld een bedrijfspand en wil hij dit pand behouden als oudedagsvoorziening, dan is het mogelijk om het pand achter te houden. Het pand wordt dan wel privévermogen. Als het pand meerwaarden heeft, moet daar over afgerekend worden. De belastingheffing kan eventueel worden uitgesteld door een stakingslijfrente te bedingen. 

Mogelijkheid tot verkorting van driejaarstermijn in bepaalde gevallen

Wanneer de ondernemer en degene die de onderneming wil voortzetten niet al gedurende drie jaar in een samenwerkingsverband de over te nemen onderneming drijven, kan de faciliteit in beginsel niet worden toegepast. 

In lid 6 van artikel 3.63 Wet IB 2001 wordt het echter mogelijk gemaakt dat deze termijn van drie jaar in bepaalde gevallen wordt verkort. Het betreft hier de gevallen (artikel 13a Uitvoeringsregeling Wet IB 2001) indien de belastingplichtige:

  • Door ziekte ten minste één jaar niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat een derde in een normale situatie zou kunnen verdienen
  • Failliet gaat
  • Surseance van betaling aanvraagt
  • Onder curatele gesteld wordt
  • En degene die de onderneming wil voortzetten scheiden of anderszins ophouden als fiscale partners aangemerkt te kunnen worden
  • Overlijdt en de onderneming spoedig daarna aan de voortzetter wordt overgedragen

Werknemer in de onderneming

Voor het begrip werknemer kan worden aangesloten bij de Wet Loonbelasting, zodat ook een fictieve dienstbetrekking hieronder valt. De meewerkende partner die een reële arbeidsbeloning krijgt, of waarvoor de ondernemer een meewerkaftrek toepast is geen werknemer, zodat hiervoor de faciliteit niet geldt. 

Voor de periode van 36 maanden mag tevens de periode van onbetaald respectievelijk zwangerschaps- en/of ouderschapsverlof meetellen (zie het Besluit ‘Doorschuifregeling met toepassing van de artikelen 3.62 of 3.63 Wet IB 2001’ van 14 mei 2018). 

Als uitgangspunt geldt niet de subjectieve onderneming, maar de objectieve onderneming. Dus als A en B in onderneming C werkzaam zijn en A de onderneming overneemt en hierna een samenwerkingsverband met B wil aangaan, wordt naar het totale dienstverband van B gekeken.

36 maanden onafgebroken verbonden aan de onderneming

Voor seizoensbedrijven kan een en ander tot ongewenste gevolgen leiden omdat het daar regelmatig voorkomt dat men wel gedurende 36 maanden als werknemer aan de onderneming verbonden is geweest, maar dat dit niet voor een onafgebroken periode is. Voor dit soort situaties geeft de staatssecretaris in het Besluit ‘Doorschuifregeling met toepassing van de artikelen 3.62 of 3.63 Wet IB 2001’ van 14 mei 2018 alsnog een goedkeuring indien de totale periode van het dienstverband bij de onderneming minimaal 36 maanden omvat. 
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • 1 uur
  • EQF 7
  • 1 PE punt(en)
  • Donderdag 7 mei 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Premium PE Online artikelen zijn voor Members Life Event Advisor

Wil je deze PE artikelen ook lezen?
Word dan Member!

Bekijk Memberships