Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Belangrijkste wijzigingen pensioenen 2021

Het belangrijkste aandachtspunt op pensioengebied in 2019 was het bereiken van het principeakkoord tussen sociale partners over een nieuw pensioenstelsel. Op 12 juni 2020 werd overeenstemming bereikt over het nieuwe pensioenstelsel dat transparanter, persoonlijker en toekomstbestendiger moet worden. Op 22 juni 2020 heeft minister Koolmees (SZW) de “Hoofdlijnennotitie uitwerking Pensioenakkoord” naar de Tweede Kamer gestuurd dat op 16 december 2020 werd gevolgd door een nader uitgewerkt concept wetsvoorstel van de “Wet Toekomst Pensioenen” dat ter internetconsultatie werd gepubliceerd en in 2021 ongetwijfeld zijn gevolg zal krijgen. 

Er zijn echter meer aandachtspunten op pensioengebied, zoals de gebruikelijke aanpassing van de franchises, het maximum pensioengevendloon, het (afkoop)bedrag kleine pensioenen en de aanpassing van de rekenrente voor waardeoverdracht bij wisseling van dienstbetrekking.

Ten aanzien van collectieve waardeoverdracht heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een handreiking gepubliceerd.

Tot slot is op 10 december 2020 de Wet verandering koppeling AOW-leeftijd in werking getreden.

Pensioenakkoord

De belangrijkste punten van het medio 2019 gesloten principe akkoord waren:

  1. Vertraging van de stijging van de AOW-leeftijd
  2. Faciliteiten om eerder te kunnen stoppen met werken
  3. Minder kans op korting en meer kans op indexering door verlaging van de dekkingsgraad van 104,3% nu naar 100%
  4. Afschaffen de doorsneepremiesystematiek en introductie van een leeftijdsonafhankelijke premie
  5. Eenmalige opname van maximaal 10% van de waarde van het opgebouwde pensioen bij pensionering
  6. Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers 

Ontwikkeling AOW- en pensioenrichtleeftijd

Als eerste wapenfeit werd de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd ingevoerd. Op grond van deze wet blijft de AOW-leeftijd voor 2021 gelijk aan die van 2019 en 2020 op 66 jaar en 4 maanden gehandhaafd. Daarna stijgt de AOW-leeftijd stapsgewijs:

2022:     66 jaar en 7 maanden
2023:     66 jaar en 10 maanden
2024:     67 jaar
2025:     67 jaar op grond van de Wet verandering koppeling AOW-leeftijd

Vanaf 2026 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Geheel in lijn met het Pensioenakkoord is de vertraagde stijging van de AOW-leeftijd vertaald in een 2/3-koppeling in plaats van een 1-op-1-koppeling.

Daartoe is de formule uit artikel 7a AOW:

V = (L-18,26) – (P-65) vervangen door een nieuwe formule:

V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67), waarbij:

V = de periode waarmee de AOW-leeftijd respectievelijk aanvangsleeftijd waarop de opbouw van de AOW start, wordt verhoogd, uitgedrukt in perioden van een jaar.
L = de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging.
P = AOW-leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging.

Als V lager is dan 0,25 wordt deze gesteld op 0 en is er dus geen verhoging van de AOW-leeftijd. In alle andere gevallen stijgt de AOW-leeftijd met 3 maanden.

Aangezien een stijging van de AOW-leeftijd altijd 5 jaar van tevoren bekend moet zijn, is de nieuwe formule met ingang van 2021 van kracht en heeft deze in 2026 voor het eerst effect: de AOW-leeftijd blijft ook dat jaar 67 jaar. 

Pensioenrichtleeftijd

Voor de stijging van de pensioenrichtleeftijd is de bestaande formule van artikel 18a, lid 8 Wet LB eveneens vervangen door een nieuwe formule, die hetzelfde uitziet als voor de AOW, maar inhoudelijk iets afwijkt:

V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67) waarbij:

V = het aantal jaren waarmee de pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd.
L = de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting voor de Nederlandse bevolking in jaren op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar dat is gelegen tien jaar na het kalenderjaar van wijziging.
P = de geldende pensioenrichtleeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van wijziging (voor het jaar 2020 is dat 68 jaar).

Als vóór afronding V kleiner is dan 1, wordt deze gesteld op 0 en is er dus geen verhoging van de pensioenrichtleeftijd. In alle andere gevallen stijgt de pensioenrichtleeftijd met 1 jaar.  In tegenstelling tot de AOW-leeftijd wordt een stijging van de pensioenrichtleeftijd tenminste een jaar van tevoren bekendgemaakt.

De pensioenrichtleeftijd blijft voor 2021 gehandhaafd op 68 jaar. Dat vloeit voort uit de oude formule en een geprognosticeerd macro gemiddelde resterende levensverwachting (L) van 21,43 jaar in 2031. 

Vervolg principeakkoord

Een tweede wetsvoorstel (Wet uitkering ineens, RVU en verlofsparen) is op 17 november 2020 door de Tweede Kamer met algemene stemmen aangenomen. In dit wetsvoorstel worden 3 maatregelen uit het pensioenakkoord uitgewerkt:

  • De mogelijkheid tot een eenmalige uitkering van 10 procent van het pensioenvermogen op de pensioeningangsdatum
  • Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing bij vervroegde uitdiensttredingsregelingen in een periode van 3 jaar vóór aanvang van de AOW
  • Uitbreiding van de mogelijkheden tot fiscaal verlofsparen

Inhoudelijke plenaire behandeling door de Eerste Kamer staat op 12 januari 2021 gepland.

Tot slot is op 16 december 2020 een derde wetsvoorstel (Wet toekomst pensioenen) als concept ter internetconsultatie ingediend. Dit concept wetsvoorstel is een concretere uitwerking van de ‘Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord’ die op 22 juli 2020 aan de Tweede Kamer was aangeboden. De einddatum van de consultatie is 12-02-2021. 

Opbouw- en premiepercentages 2021

Aangezien de pensioenrichtleeftijd van 68 jaar en het ambitieniveau (66,28% eindloon en 75% middelloon in 40 jaar) voor 2021 niet zijn veranderd, zijn de opbouwpercentages ongewijzigd gebleven. Dat geldt ook voor de staffelpercentages voor beschikbare premieregelingen. 

Franchises en maximum pensioengevend loon 2021

Zoals bekend, wijzigen jaarlijks de franchisebedragen omdat deze gekoppeld zijn aan de AOW-uitkering. Ook het maximum pensioengevend loon is geïndexeerd.

Het maximum pensioengevend loon is voor 2021 vastgesteld op € 112.189 (artikel 18ga Wet LB). Het gebruikelijk loon voor de DGA is voor 2021 is vastgesteld op € 47.000, een stijging van € 1.000 ten opzichte van 2020.

De nieuwe franchises zijn gebaseerd op de door het ministerie van SZW gepubliceerde rekenregels van de socialezekerheidsuitkeringen voor 2021.

De definitieve AOW-franchises per 1 januari 2021 bij een regulier opbouwpercentage van 1,657% per dienstjaar (eindloon) en van 1,875% per dienstjaar (middelloon) zijn:

 

Enkelvoudig gehuwd

Gehuwd + partnertoeslag

Ongehuwd

Eindloon

€ 16.458

€ 32.915

€ 24.232

Middelloon

€ 14.544

€ 29.088

€ 21.415


Deze bedragen zijn als volgt bepaald:

  
AOW-enkelvoudig gehuwd  € 883,67
Af: inkomensondersteuning€   26,04
Bij: vakantiegeld€   51,37
Totaal   € 909,00 per maand


Franchise eindloon: 12 x € 909 x 100/66,28 = € 16.458 (altijd naar boven afgerond)
Franchise middelloon: 12 x € 909 x 100/75 = € 14.544

  
AOW-gehuwd + toeslag€ 1.767,34
Af: inkomensondersteuning€       52,08
Bij: vakantiegeld     €     102,74
Totaal€ 1.818,00 per maand


Franchise eindloon: 12 x € 1.818 x 100/66,28 = € 32.915 (altijd naar boven afgerond)
Franchise middelloon: 12 x € 1.818 x 100/75 = € 29.088

  
AOW-alleenstaand € 1.292,50
Af: inkomensondersteuning €       26,04
Bij: vakantiegeld€       71,93
Totaal   € 1.338,39 per maand


Franchise eindloon: 12 x € 1.338,39 x 100/66,28 = € 24.232 (altijd naar boven afgerond)
Franchise middelloon: 12 x € 1.338,39 x 100/75 = € 21.415 (altijd naar boven afgerond)

De definitieve verlaagde franchises bij verlaagde opbouwpercentages (artikel 10aa UBLB) per 1 januari 2021 zijn gelijk aan de eerder door het CAP gepubliceerde voorlopige bedragen. De nieuwe verlaagde franchises per 1 januari 2021 zijn:

Eindloon

Opbouw%

Verlaagde franchise

 0% – 1,483%

€ 13.141

1,483% – 1,570%

€ 14.834


Middelloon

Opbouw%

Verlaagde franchise

 0% – 1,701%

€ 11.614

1,701% – 1,788%

€ 13.111

Verhoogde franchise of verlaagde pensioengrondslag bij lagere pensioenrichtleeftijd

Een andere manier, zonder ook het opbouwpercentage te verlagen, is te werken met een verhoogde franchise of een verlaagde pensioengrondslag. In het Verzamelbesluit pensioenen (zie hierna) van 11 december 2018 zijn hiervan in onderdeel 8.9 twee voorbeelden opgenomen.

In zijn algemeenheid geldt dat de verhoogde franchise gelijk is aan:

Voorbeeld
  
Opbouw% middelloon 68 jaar1,875%
Verlaagd opbouw% middelloon 67 jaar1,738% (V&A 17-012)
Salaris € 30.000
Franchise middelloon 2021 € 14.544


De verhoogde franchise bedraagt:

1,875 – 1,738 x € 30.000 + 1,738   x € 14.544 = € 15.673

        1,875                                 1,875

De jaarlijkse opbouw op basis van de verhoogde franchise, zonder aanpassing van de pensioenleeftijd en zonder aanpassing van het opbouwpercentage bedraagt dan in 2021:

1,875% x (€ 30.000 - € 15.673) = € 268,63

De jaarlijkse opbouw op basis van pensioenleeftijd 67 jaar met een verlaagd opbouwpercentage bedraagt dan in 2021:

1,738% x (€ 30.000 - € 14.544) = € 268,63

Anders dan bij reguliere opbouw, waarbij de franchise constant blijft, impliceert het toepassen van een verhoogde franchise dat die franchise per salaris verschilt.

Geen nieuw Staffelbesluit pensioenen

Volgens de Pensioenfederatie komt er geen nieuw staffelbesluit voor 2021. De Pensioenfederatie baseert zich hierbij op informatie van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen. Aangezien het ambitieniveau, de pensioenrichtleeftijd en ook de nettofactor voor de bepaling van de premies voor nettopensioenen (1 – 0,495) niet zijn gewijzigd, zou enkel het verschijnen van een nieuwe overlevingstafel (GBM/GBV 2014-2019) onvoldoende aanleiding zijn om het staffelbesluit met de huidige overlevingstafel GBM/GBV 2012-2017, aan te passen.  

De premiestaffels van het op 27 december 2019 gepubliceerde Staffelbesluit pensioenen blijven dus van toepassing. Wel zijn de leeftijdsafhankelijke factoren ter bepaling van de pensioenaangroei in het voorgaande kalenderjaar (factor A) voor beschikbare premieregelingen op een punt gewijzigd. Voor de leeftijdsklasse 40 tot 45 jaar is de bestaande factor van 2020 (0,18) vervangen door de factor 0,17 voor 2021.

 Factor
15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is 0,45
20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is0,37
25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is 0,31
30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is 0,26
35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is 0,21
40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is0,17
45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is0,14
50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is  0,12
55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is  0,10
60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is 0,08
65 jaar of ouder is      0,07


Daarnaast is de tabel met leeftijdsafhankelijke factoren voor de bepaling van de pensioenaangroei van eindloon- en middelloonregelingen in het voorgaande kalenderjaar (factor A), waarbij de pensioenleeftijd lager is dan de pensioenrichtleeftijd van 68 jaar, volledig herzien. De nieuwe factoren per 01-01-2021 zijn gelijk aan:

 Factor
67 jaar of ouder1,875/1,739
66 jaar of ouder, doch jonger dan 67 jaar1,875/1,616
65 jaar of ouder, doch jonger dan 66 jaar  1,875/1,504
64 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar1,875/1,403
63 jaar of ouder, doch jonger dan 64 jaar1,875/1,311
62 jaar of ouder, doch jonger dan 63 jaar  1,875/1,226
61 jaar of ouder, doch jonger dan 62 jaar  1,875/1,149
jonger dan 61 jaar1,875/1,078

Klein pensioen 2021

Het grensbedrag voor ‘kleine’ pensioenen is voor 2021 vastgesteld op € 503,24.  

Kleine pensioenen (hoger dan € 2, maar lager dan € 503,24) die vanaf 1 januari 2018 zijn ontstaan, worden sinds 1 januari 2019 bij wisseling van werkgever automatisch overgedragen aan de nieuwe pensioenuitvoerder. Vanaf 1 januari 2020 geldt dit ook voor de gevallen waarin de deelneming vóór 1 januari 2018 is geëindigd en sprake is van wisseling van werkgever.

De automatische waardeoverdracht geldt alleen voor kleine pensioenen die als gevolg van wisseling van dienstverband zijn ontstaan, maar niet voor kleine pensioenen die hun oorsprong vinden in een beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst. 

Waardeoverdracht

Individuele waardeoverdracht bij wijziging van dienstverband
Waardeoverdracht bij wijziging van dienstverband vindt plaats op basis van het wettelijk standaardtarief. Het wettelijk standaardtarief is met ingang van 1 januari 2021 gebaseerd op: periodetafel GBM/GBV 2010–2015 met de volgende leeftijdsterugstellingen:

  1. 5 jaar voor mannelijke deelnemers
  2. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers
  3. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers en
  4. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers

De berekening van het standaardtarief vindt plaats op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules (bijlage 2 bij artikel 18 Regeling uitvoering Pensioenwet), waarbij wordt uitgegaan van netto tarieven en een marktconforme rentevoet. Deze rentevoet is voor 2021 gelijk aan de op 1 oktober (2020) geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar en bedraagt 0,082% voor 2021 (was 0,290% voor 2020). Hiermee zal de overdrachtswaarde in 2021 hoger uitvallen dan op basis van de grondslagen uit 2020.

Collectieve waardeoverdracht

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft op 12 november 2020 de Leidraad informatieverstrekking aan deelnemers bij een Collectieve Waardeoverdracht gepubliceerd.

De leidraad is gebaseerd op de artikelen 83 en 84 van de Pensioenwet (PW) en komt in de plaats van het huidige document Uitgangspunten voor informatieverstrekking aan deelnemers bij een Collectieve Waardeoverdracht en geldt vanaf 1 januari 2021.

Omdat bij collectieve waardeoverdracht het opgebouwde pensioen naar een andere pensioenuitvoerder kan overgaan en zelfs in een andere regeling terecht kan komen, moet de informatieverstrekking voldoende inzicht geven in de gevolgen van de collectieve waardeoverdracht voor het individuele pensioen van de deelnemers. Mede met het oog op de herziening van het pensioenstelsel is de informatieverstrekking verder aangescherpt. 

Overzicht te bereiken pensioen

Met ingang van 1 januari 2021 zijn de UPO-modellen op 2 punten gewijzigd

  1. Er is een nieuw icoon ontwikkeld voor de ‘jaarruimte’ van het nettopensioen
  2. In de handleiding bij UPO 2021 is het advies opgenomen om bedragen bij de navigatiemetafoor af te ronden op hele euro’s

Nieuwe icoon voor nettopensioen 

De nieuwe icoon voor nettopensioen was nodig om te voorkomen dat deelnemers de fiscale ‘jaarruimte’ bij het nettopensioen verwarren met de factor A. De factor A ziet op de jaarlijkse aangroei van pensioenen als gevolg van een toename van de diensttijd waarvan het pensioengevend salaris maximaal gelijk is aan het in artikel 18ga Wet LB 1964 genoemde bedrag (€ 110.111 voor 2020 en € 112.189 voor 2021). Nettopensioen ziet juist op de pensioenopbouw boven dat maximum bedrag.

Bij het nieuwe icoon is de volgende tekst opgenomen:

Bedrag aan premies betaald € …….

U heeft dit bedrag nodig als u wilt berekenen hoeveel fiscale ruimte u heeft om uw pensioen aan te vullen met een lijfrente.

Afronding bedragen navigatiemetafoor

Het tot op de euro nauwkeurig weergeven van prognosebedragen kan een – onterechte – schijn van absolute zekerheid van die prognose wekken. Dat is niet de bedoeling van het UPO. Het gaat om een indicatie van de toekomstige uitkeringsbedragen en niet om de schijn van absolute zekerheid te geven. 

Vandaar het advies om de bedragen in de navigatiemetafoor als volgt af te ronden: 
Bedragen tussen € 2 en € 100Afronden op hele euro’s
Bedragen tussen € 100 en € 1.000Afronden op tientallen
Bedragen tussen € 1.000 en € 5.000Afronden op vijftigtallen
Bedragen boven de € 5.000Afronden op honderdtallen


Vanaf 2020 moest ook in het Uniform Pensioen Overzicht (UPO 2020) het te bereiken pensioen in drie scenario’s worden weergegeven, waarbij rekening gehouden wordt met inflatie. In mijnpensioenoverzicht.nl gebeurde dat al sinds het najaar van 2019.

Directeur-grootaandeelhouder en Oudedagsverplichting (ODV)

Het jaar 2019 was het laatste jaar om het in eigen beheer opgebouwde pensioen fiscaal gefaciliteerd af te kopen of om te zetten in een Oudedagsverplichting (ODV). Pensioenen die zijn omgezet in een ODV, moeten vervolgens worden opgerent volgens een bepaalde oprentingsmethode en op basis van de in artikel 12.3a Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 (URLB 2011) vermelde marktrente, die gebaseerd is op het gemiddelde u-rendement.  

Deze rentevoeten luiden als volgt:
Gemiddelde u-rendement 20160,059% (oprenting in 2017)
Gemiddelde u-rendement 20170,060% (oprenting in 2018)
Gemiddelde u-rendement 2018 0,269% (oprenting in 2019)
Gemiddelde u-rendement 2019- 0,107% (oprenting in 2020)
Gemiddelde u-rendement 2020 - 0,382% (oprenting in 2021)


Voor zover sprake is van een negatieve rentevoet leidt de ‘oprenting’ tot een afname van de ODV en dus tot lagere toekomstige ODV-uitkeringen (V&A 19-007).

Afstempelen pensioenen in 2021

Net als voor 2020 het geval was, heeft minister Koolmees van SZW besloten om ook voor 2021 van dezelfde regeling en onder dezelfde condities gebruik te maken teneinde dreigende pensioenkortingen in 2021 te voorkomen.

De vrijstellingsregeling 2021 kent de volgende maatregelen:

  • Voor pensioenfondsen met een op 31-12-2020 ontoereikende dekkingsgraad wordt de termijn van 10 jaar waarbinnen weer voldaan moet zijn aan de vereisten voor het VEV met 2 jaar tot 12 jaar
  • Voor pensioenfondsen die op 31-12-2020 voor de zesde opeenvolgende maal een beleidsdekkingsgraad hebben die onder het niveau van het MVEV ligt wordt vrijstelling verleend van het zesde meetmoment voor het MVEV tot 31-12-2021

Concreet betekent dit een pensioenfonds waarvan de dekkingsgraad op 31-12-2020 een zodanig niveau heeft dat het niveau van het vereist eigen vermogen (VEV) niet binnen tien jaar kan worden bereikt een hersteltermijn krijgt van maximaal 12 jaar. Daarnaast geldt dat een pensioenfonds waarvan de beleidsdekkingsgraad op 31-12-2020 voor de zesde achtereenvolgende keer onder 104,3% ligt, waardoor strikt genomen in 2021 tot korting overgegaan zou moeten worden, in 2021 geen korting op grond van het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV-vereiste) hoeven door te voeren.

Deze regeling vervalt op 30 december 2021 en kent de volgende voorwaarden:

  1. Als de actuele dekkingsgraad lager is dan 90%, moet een onvoorwaardelijke korting worden doorgevoerd zodat de actuele dekkingsgraad direct stijgt tot 90%. Deze onvoorwaardelijke korting (naar het niveau van 90%) mag direct maar ook gespreid worden doorgevoerd, maar maximaal gedurende de termijn voor het herstelplan (12 jaar)
  2. Als het fonds binnen de termijn van het herstelplan van maximaal 12 jaar niet in staat is het vereist eigen vermogen op peil te brengen, zal ook afgestempeld moeten worden
  3. Een fonds dat van de regeling gebruik maakt, moet dat onderbouwen en uitleggen waarom dit in het belang van de (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden is
  4. Het fonds moet over het gebruik en de onderbouwing van het genomen besluit aan zijn deelnemers en pensioengerechtigden informatie verstrekken dan wel ter beschikking te stellen

Informatie

  • Pensioen
  • EQF 6
  • Maandag 11 januari 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships