Beschikbare premieregeling of streefregeling

Werkgever verzaakt aanpassing van de pensioenregeling in 2004 in verband met de wijziging van de Witteveen-wetgeving en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid door een checklist van verzekeraar NN niet in te vullen. Werkgever heeft in 1981 de werknemer met terugwerkende kracht pensioen toegezegd vanaf de datum vanaf indiensttreding. Is de pensioenregeling uit 1981 of 2004 leidend? De werknemer heeft te weinig kapitaal om het gewenste pensioen in kunnen kopen.

 

Wat was er aan de hand?
De werknemer is van 1 september 1977 tot 1 juni 2016 in dienst geweest bij de werkgever. De werknemer heeft zich gedurende zijn dienstverband bij de werkgever ontwikkeld tot pensioenrechtadvocaat. Werkgever heeft in 1981 de werknemer met terugwerkende kracht pensioen toegezegd vanaf de datum vanaf indiensttreding. Tussen werknemer en Nationale-Nederlanden (verder NN) is per 1 juni 1981 een pensioenverzekeringsovereenkomst gesloten, een C-polis. Door een fusie van de werkgever met twee andere ondernemingen is besloten tot uitvoering van een nieuwe pensioenregeling.

 

Aan de personeelsleden, waaronder ook de werknemer is in 1993 de keuze gegeven om de deelname aan hun bestaande pensioenregeling voort te zetten of over te stappen naar de nieuwe collectieve pensioenregeling die door het Pensioenfonds NautaDulith wordt uitgevoerd. De werknemer heeft er toch voor gekozen om voornoemd aanbod niet te aanvaarden en de voornoemde C-polis voort te zetten.

 

Als gevolg van een aantal wetswijzigingen moet ook de pensioenregeling van de werknemer uiteindelijk per 1 juni 2004 worden aangepast aan de nieuwe fiscale wetgeving, de Witteveen-Wetgeving en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. NN heeft de werkgever daarover bij brief van 7 mei 2004 geïnformeerd, en meegedeeld dat de pensioenregeling aan de hand van een in te vullen checklist in overleg met de verzekeringsadviseur Meeùs diende te worden aangepast. De werkgever heeft deze checklist niet ingevuld. Hierop heeft NN het rentepercentage, aan de hand waarvan de hoogte van de benodigde premies werd vastgesteld, bepaald op een vaste rente van 5,5% in plaats van op de – tot 2004 gehanteerde – actuele rente.

 

Bij brief van 8 maart 2007 heeft de werknemer enkele pensioenstukken ontvangen, inclusief de Pensioenbrief 2004. NN heeft werkgever in haar brief van december 2009 gewaarschuwd dat er als gevolg van de actuele lage rente een aanzienlijke kans bestond dat er voor werknemer te weinig kapitaal was verzekerd om in de toekomst het gewenste ouderdoms- en/of partnerpensioen aan te kunnen kopen, en heeft de werkgever in de gelegenheid gesteld om dit aan te passen naar de actuele (markt-)rente. De werkgever heeft hier echter niet op gereageerd, en ook de werknemer niet op de hoogte gesteld van deze brief. Werknemer stelt zich nu op het standpunt dat werkgever tekort is geschoten in haar verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de pensioentoezegging 1981 en de toepasselijke wetgeving, als gevolg waarvan het bij NN opgebouwde kapitaal te laag is gebleken voor de aankoop van het toegezegde pensioen. Hij vordert een schadevergoeding ter grootte van het tekort.

 

Oordeel Gerechtshof Den Haag
Werkgever beroept zich allereerst op de klachtplicht en verjaring. Het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:3332) verwerpt de stelling dat de klachttermijn is ingegaan op het moment van de toezending van de Pensioenbrief 2004. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud daarvan voorafgaand aan toezending met werknemer is besproken, noch dat hij in die periode door werkgever of NN op de gewijzigde rente is gewezen. Het enkele toesturen is onvoldoende om te concluderen dat de werknemer op de hoogte was van het instellen van een vaste rente van 5,5%. Het is in die omstandigheid, aldus Gerechtshof Den Haag niet in te zien hoe de werknemer op dat moment al behoorde te weten dat een vaste rente- van 5,5%, gezien de onzekere en onvoorziene- toekomstige ontwikkelingen, ontoereikend was om het kapitaal te bereiken dat nodig zou zijn op het beoogde pensioen op pensioendatum in te kunnen kopen.

 
Het Gerechtshof Den Haag gaat voor zowel het ingaan van de klachttermijn als de verjaringstermijn uit van het najaar van 2015, toen de werknemer wist dat zijn pensioen fors lager zou zijn dan het bedrag dat hij verwachtte. Het beroep van de werkgever slaagt derhalve niet.

 

Pensioenbrief 1981 en 2004

Vervolgens gaat het Gerechtshof in op de verschillende pensioenbrieven. Vaststaat dat de pensioenbrief 2004 door de werknemer niet is ondertekend. Indien de pensioenbrief 2004 voor de werknemer nadelige wijzigingen bevatte, waar het Hof veronderstellende wijs vanuit gaat, mocht de werkgever er slechts op vertrouwen dat de werknemer hiermee heeft ingestemd als aan hem duidelijkheid was verschaft over de inhoud van de wijzigingen (en) op basis van de verklaringen of gedragingen van de werknemer een welbewuste en ondubbelzinnige instemming met die wijziging mag worden aangenomen. Dit criterium is niet anders op grond van het enkele feit dat de werknemer pensioenadvocaat was. Werkgever heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit een welbewuste en ondubbelzinnige instemming kan worden afgeleid. Het hof gaat daarom uit van de pensioenovereenkomst 1981.

 

De kwalificatie van de pensioenovereenkomst
Partijen twisten over de kwalificatie van de pensioentoezegging uit 1981. Werknemer stelt dat er sprake is van een zuivere eindloonregeling, althans een streefregeling, terwijl de werkgever stelt dat er sprake is van een beschikbare premieregeling.

Uit de pensioenovereenkomst 1981 volgt dat de werkgever werknemer in staat heeft gesteld een kapitaalovereenkomst te sluiten, waarbij de verzekerde bedragen waren gebaseerd op de toenmalige pensioengrondslag en bij een verhoging van die grondslag zouden worden aangepast. In de pensioenovereenkomst is onder meer vermeld dat de pensioenregeling een aanspraak omvat op een levenslang ouderdomspensioen. In het bijbehorende verzekeringsvoorstel Pluspensioen van NN is een backservice vermeld over de reeds verstreken dienstjaren op de ingangsdatum. Het systeem waarmee de pensioenen tot het 55ste levensjaar van de werknemer zullen worden aangepast aan de salarisgroei, wordt aangeduid als een eindsalarissysteem. Vanaf zijn 55ste levensjaar wordt overgeschakeld naar een gemiddeld salarissysteem. Vaststaat dat NN de verzekerde bedragen en de daarbij behorende premies jaarlijks heeft berekend aan de hand van de op dat moment geldende pensioengrondslag, waarbij NN ingeval van een verhoging van de pensioengrondslag naast de jaarlijkse premies tevens koopsommen in rekening heeft gebracht over de reeks verstreken dienstjaren.

 

Het Hof is van oordeel dat een pensioenovereenkomst als deze redelijkerwijs moet worden gekwalificeerd als een kapitaalverzekering met pensioenclausule, waar bij de vaststelling van de hoogte van het te verzekeren kapitaal in de toekomst onder meer een ouderdomspensioen kan worden aangekocht op basis van eindloon. Er is dan sprake van een zogenaamde streefregeling. De stelling van de werknemer dat er sprake zou zijn van een zuivere eindloonregeling wordt verworpen, nu uit de pensioenovereenkomst 1981 niet kan worden afgeleid dat werkgever aan werknemer een gegarandeerd uitkering op basis van eindloon heeft willen toezeggen. De stelling van de werkgever dat de pensioenovereenkomst moet worden gekwalificeerd als “zuivere” beschikbare premieregeling wordt eveneens verworpen. In de pensioenovereenkomst staat niet de hoogte van het door de werkgever ter beschikking te stellen premies centraal, maar de hoogte van het nagestreefde pensioen en het bijbehorende verzekerde kapitaal, waarop de premies worden gebaseerd. Van een systeem op basis van een premiestaffel, een fiscaal vereiste voor een beschikbare premieregeling is geen sprake. Het enkele feit dat in de pensioenovereenkomst is vermeld dat de werkgever na het betalen van de verschuldigde premies is gekweten van haar verplichtingen, is onvoldoende om deze als beschikbare premieregeling te kwalificeren. De stelling van werkgever dat de door NN sinds 2004 gehanteerde rente van 5,5% het door NN gehanteerde rendement op de ingelegde premies betreft en niet de rekenrente en dus geenszins in het nadeel maar juist in het voordeel van de werknemer zou zijn geweest, acht het Hof voorshands onaannemelijk. Werkgever zal echter in de gelegenheid worden gesteld de juistheid van dit bewijsoordeel te ontzenuwen. Werkgever heeft voorts gesteld dat uit de checklist blijkt dat de voor de berekening van het doelvermogen gehanteerde rekenrente minimaal 4,4% diende te zijn en dat de stelling van de werknemer, dat in plaats van de vaste rekenrente van 5,5% uitgegaan had moeten worden van de actuele rente daarom niet juist kan zijn. Ook op dit punt wordt de werkgever toegelaten haar stellingen nader te onderbouwen.

 

Conclusie:               

Nog regelmatig wordt er geprocedeerd over de aard van de pensioentoezegging. Ook nu

staat weer de vraag centraal of sprake is van een beschikbare premieregeling,

eindloonregeling of een streefregeling. Er is in ieder geval géén sprake van een

beschikbare premieregeling, maar ook geen gegarandeerde eindloonregeling.

Beoordeeld moet nu worden wat de ‘actuele’ rekenrente is, waarmee in de streefregeling

gerekend moet worden. Ik ben benieuwd naar de argumenten van beide partijen.

Immers, 4,4% wat de werkgever stelt versus de actuele rekenrente gaat een groot

verschil in de te betalen koopsom opleveren.

 

 

 

Informatie

  • Pensioen Fiscaal, Pensioen Civiel, Pensioentoezegging
  • Dinsdag 5 februari 2019