Bv mag vordering niet afwaarderen

Een bv heeft twee leningen van in totaal € 1.300.000 verstrekt aan een derde. In 2016 waardeert de bv een van de twee leningen af op nihil. De inspecteur accepteert deze afwaardering echter niet. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat goed koopmansgebruik niet toestaat dat de bv de lening afwaardeert tot nihil.

Belanghebbende is een bv, die in 2006 een bedrag van € 700.000 (lening I) heeft uitgeleend aan mevrouw B. De rente bedraagt 4% per jaar, te voldoen uiterlijk op
31 december 2007 gelijk met de terugbetaling van de hoofdsom. Mevrouw B is niet verplicht zekerheid te stellen. Op 20 juli 2007 heeft mevrouw B tegen een rente van 6% ook nog een bedrag van € 600.000 (lening II) geleend van belanghebbende. Mevrouw B is op eerste verzoek van belanghebbende verplicht zekerheid voor deze lening te stellen.

Mevrouw B heeft lening I ultimo 2007 niet terugbetaald. Belanghebbende heeft geen invorderingsmaatregelen getroffen. De rente is jaarlijks bijgeschreven. Vanaf 2013 wordt bovendien rente berekend over de bijgeschreven rente. Lening I is hierdoor per 31 december 2015 opgelopen tot € 971.280 en lening II tot € 721.633. Belanghebbende heeft in de aangifte vennootschapsbelasting 2016 lening I afgewaardeerd tot nihil. Lening II is niet afgewaardeerd. De inspecteur accepteert de afwaardering van
lening I echter niet.

Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt, dat volgens goed koopmansgebruik een vordering moet worden afgewaardeerd wanneer er een reëel risico is, dat de vordering niet of voor een deel niet zal worden terugbetaald. De bewijslast hiervoor ligt bij belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe in hoger beroep gegevens omtrent de inkomens- en vermogenspositie van mevrouw B in 2016 ingebracht. Het hof overweegt vervolgens dat, nog los van het antwoord op de vraag of belanghebbende bij het opmaken van haar balans over 2016 al kon beschikken over de in hoger beroep ingebrachte gegevens, uit deze gegevens niet zonder meer volgt dat sprake is van een reëel risico. Het hof neemt daarbij in aanmerking, dat uit die gegevens blijkt dat mevrouw B een tweetal apotheken exploiteert. De beide apotheken hebben volgens de opstelling van belanghebbende in 2016 een dusdanige omzet gegenereerd, dat te verwachten valt, dat er sprake is van een aanzienlijke goodwill (volgens belanghebbende bedraagt die 50% van de omzet), ook al is dat wellicht - door marktontwikkelingen - veel lager dan voorheen gebruikelijk was in de branche.

Daarnaast blijkt uit het overzicht van belanghebbende dat mevrouw B in 2016, zowel in privé (box 3) als in haar onderneming(en), beschikt over onroerend goed. Onduidelijk is of en in hoeverre hierin stille reserves schuilgaan, die gebruikt zouden kunnen worden voor aflossing van lening I. De door belanghebbende ingebrachte gegevens bieden daarmee onvoldoende inzicht in de werkelijke inkomens- en vermogenspositie van mevrouw B en daarmee in haar terugbetalingspotentieel.

Belanghebbende is er volgens het hof dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat op 31 december 2016 sprake was van een reëel risico dat lening I niet (volledig) zou worden terugbetaald. Het hof oordeelt derhalve dat goed koopmansgebruik niet toestaat, dat belanghebbende lening I afwaardeert.

Meer weten?
Wil je meer weten over de problematiek van leningen in de BV schrijf je dan in voor onze e-learning opleiding Certified Life Event Advisor (CLEA) Dé opleiding op het gebied van Life Event georiënteerde advisering! Ook specifiek gericht op de BV en de DGA. Diepgaand, kwalitatief hoogstaand én praktijkgericht!  Na afloop van de opleiding ben je Certified life event advisor!

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB, Fiscaal: Wet Vpb
  • Woensdag 24 februari 2021