Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Conclusie A-G inzake lijfrente-aftrek bij ´kasrondje´

Dit bericht betreft een samenvatting van een conclusie die door de A-G van de Hoge Raad is genomen.

Op 13 november 2020 heeft A-G Niessen conclusie genomen (zaaknummer 20/01619) over de vraag of een belanghebbende recht heeft op aftrek van premies voor lijfrenten in geval van een ‘kasrondje’. Met andere woorden, het is de vraag of de lijfrentepremie in casu is betaald in de zin van artikel 3.130, lid 1 Wet IB 2001. Het ging in de zaak om het volgende.

Één van de vennoten van een CV, belanghebbende X, heeft in 2012 een BV opgericht en ingebracht de voorheen door hem binnen de CV gedreven onderneming, met uitzondering van de tot die onderneming behorende onroerende zaken. Voor de daarmee behaalde stakingswinst en afname van de FOR heeft X een lijfrente bedongen bij de BV. Tot volstorting van de lijfrente zijn bedragen overgemaakt van de rekening van X naar die van de BV. Deze bedragen zijn geleend door X bij een bank. Tot verstrekking van een lening aan X is kort na elke overmaking hetzelfde bedrag overgemaakt van de rekening van de BV naar die van X. Hiermee heeft hij de lening aan de bank afgelost. Door partijen zijn de stortingen over en weer geduid als een ‘kasrondje’. In geschil is of artikel 3.130, lid 1 Wet IB 2001 aftrek van de door X overgemaakte bedragen belet.

Anders dan de Rechtbank Noord-Holland (kenmerk HAA 18/1983), is Hof Amsterdam (kenmerk 19/00204) van oordeel dat het storten van de premie en het verstrekken van de lening niet neerkomen op schijnhandelingen. Volgens het hof zijn de overeenkomsten van lijfrente en geldlening rechtsgeldig tot stand gekomen naar burgerlijk recht, is de voor de lijfrente verschuldigde premie daadwerkelijk gestort en is het geleende bedrag daadwerkelijk verstrekt.

Niettemin bestaat naar het oordeel van het hof geen recht op aftrek van de premie. Met verwijzing naar HR BNB 2000/126 (‘zelfstandige fiscale kwalificatie’) oordeelt het Hof dat het, gelet op de strekking van art. 3.130, lid 1, Wet IB 2001 en het economische resultaat van de (terug)overmakingen, onaanvaardbaar is de gekozen civielrechtelijke weg te volgen voor de toepassing van de belastingwet.

Het eerste middel aangedragen door X in cassatie komt erop neer dat de toepassing van het leerstuk van ‘zelfstandige fiscale kwalificatie’ door het hof een verrassingsbeslissing is. X klaagt dat bij de toepassing van dit leerstuk buiten de grenzen van het geschil is getreden en hierbij ten onrechte niet gelegenheid heeft gegeven voor hoor en wederhoor. Het eerste middel faalt volgens de A-G. Het hof heeft op de voet van de stellingen van partijen een oordeel gegeven over de vraag die hen verdeeld houdt, en dus de grenzen van de rechtsstrijd niet overschreden (zie artikel 8:69, lid 1 Awb), aldus de A-G. Het stond het hof daarbij vrij om de rechtsgronden aan te vullen (artikel 8:69, lid 2 Awb). Van een verrassingsbeslissing is geen sprake.

In het tweede middel verwijt X het hof dat het de eisen die gelden voor toepassing van het leerstuk van de ‘zelfstandige fiscale kwalificatie’, verkeerd heeft toegepast. X betoogt dat het hof bij de vaststelling van wat het economisch resultaat van het ‘kasrondje’ is, ten onrechte niet alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw heeft genomen.

Het hof heeft in zijn oordeel de voorwaarden uit HR BNB 2000/126 betrokken, te weten:

  1. De aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen zijn niet aanvaardbaar gezien het economische resultaat ervan en
  2. De aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen zijn niet aanvaardbaar gelet op de strekking van de belastingwet

Het hof heeft vastgesteld dat het economisch resultaat is dat X vóór en na het ‘kasrondje’ het bedrag van de premie aan de BV verschuldigd was. X betoogt dat het schuldig blijven van de premie niet hetzelfde is als het opnemen van de geldlening. Dat verschil ontstaat volgens de A-G niet door het heen en weer overmaken van de betreffende som, en het formaliseren van de schuld in een leenovereenkomst is zonder die handelingen eveneens mogelijk.

Verder heeft het hof volgens de A-G terecht onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 3.130 Wet IB 2001 en zijn voorgangers geoordeeld dat met de tekst van de wet is bedoeld dat de premie daadwerkelijk moet worden voldaan om voor aftrek in aanmerking te komen, en dat een schuldig gebleven premie daarvoor niet in aanmerking komt. Het hof heeft daaruit eveneens terecht de conclusie getrokken dat het resultaat van een ‘kasrondje’ niet aan het wettelijke vereiste voldoet.

Dat de lening, zoals X aanvoert, geen schijnlening is, doet niet eraan af dat de overboekingen van de meergenoemde som gelds niet ertoe hebben geleid dat de premie het vermogen van X daadwerkelijk heeft verlaten. Evenmin leidt de uitspraak van het hof tot economische dubbele heffing.

Tot slot beroept X zich erop dat in zijn geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden, aangezien het hof niet heeft geoordeeld dat van misbruik door X sprake is. Een dergelijke eis wordt immers in de rechtspraak van de Hoge Raad niet gesteld voor de toepassing van de ‘zelfstandige fiscale kwalificatie’. Het tweede middel faalt eveneens.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van X ongegrond dient te worden verklaard.

N.B.: Er zijn drie gelijkluidende conclusies genomen in zaken met de nummers 20/01621, 20/01622 en 20/01623.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscale Aspecten, Toekomstvoorzieningen, Estate Planning, Flexiblisering werk & pensioen, Financieel Gezond & Pensioenplanning, Vermogen, Inkomen, Pensioen, Fiscaal: Wet IB, Pensioen Algemeen, Flexibilisering, Pensioen Varia, Fexibilisering
  • Zaterdag 21 november 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships