Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

De ondernemer en de wettelijke gemeenschap van goederen

Voor ondernemers en directeur-grootaandeelhouders is het huwelijksvermogensrecht een belangrijk planningsinstrument, omdat met behulp van de juiste huwelijksvoorwaarden, de aansprakelijkheid van de ondernemingsschulden voor zijn/haar echtgenoot kan worden beperkt en bij zijn/haar overlijden vermogen kan overgaan naar de langstlevende echtgenoot, zonder heffing van erfbelasting.

In de situatie van de wettelijke gemeenschap van goederen kan een echtscheiding een bedreiging vormen voor de bedrijfscontinuïteit, aangezien hierbij het ondernemingsvermogen of de aandelen moeten worden verdeeld. Huwelijksvoorwaarden, waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten, is echter bij overlijden veelal niet optimaal. Ongeveer 75% van de echtelieden trouwen in de wettelijke gemeenschap van goederen.

In dit PE Online artikel worden de belangrijkste aspecten van de wettelijke gemeenschap behandeld.

1.0 Het huwelijksvermogensrecht

Het huwelijksvermogensrecht regelt de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk. Volgens de wet ontstaat bij het sluiten van een huwelijk de wettelijke gemeenschap, tenzij voorafgaand aan het huwelijk, huwelijksvoorwaarden zijn gemaakt.

Voor de wet zijn de bepalingen die zien op de gemeenschap van goederen en huwelijkse voorwaarden van overeenkomstige toepassing op geregistreerde partners en partnerschapsvoorwaarden. Waar hierna wordt gesproken van huwelijk of echtgenoot wordt dus ook bedoeld het geregistreerde partnerschap en de geregistreerde partner.

Het huwelijksvermogensrecht bepaalt bij een echtscheiding, of overlijden mede de omvang van het gemeenschappelijke vermogen. Hiertoe behoren tenslotte ook het ondernemingsvermogen of de aanmerkelijkbelangaandelen. In de situatie van de wettelijke gemeenschap van goederen kan een echtscheiding een bedreiging vormen voor de bedrijfscontinuïteit, aangezien hierbij het ondernemingsvermogen of de aandelen moeten worden verdeeld.

2.0 Wettelijke gemeenschap van goederen

Indien partijen in het huwelijk treden en verder niets regelen, ontstaat de wettelijke gemeenschap. Dit is een algemene gemeenschap van goederen als de huwelijksgemeenschap is ontstaan voor 2018. Is de huwelijksgemeenschap ontstaan vanaf 1 januari 2018, dan is sprake van een beperkte gemeenschap van goederen. Voorafgaand en tijdens het huwelijk kunnen huwelijksvoorwaarden worden gemaakt. Als deze tijdens het huwelijk worden gemaakt, wordt de bestaande huwelijksgemeenschap ontbonden en verdeeld.

2.1 Algemene gemeenschap van goederen

Bij een algemene gemeenschap van goederen worden de echtgenoten in beginsel mede-eigenaar van alle in het huwelijk meegebrachte bezittingen en schulden en van die, welke tijdens het huwelijk worden verkregen. Het gevolg is dat die goederen als verhaalsobject voor ieder der echtgenoten aangegane schulden dienen. Alle onroerende zaken, roerende zaken en vermogensrechten die de echtgenoten voor dan wel tijdens het huwelijk verwerven, vallen in één gezamenlijk vermogen.

Op deze regel bestaat een aantal uitzonderingen:

  • Schenkingen en erflatingen waarbij de schenker of erflater gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde uitsluitingsclausule
  • Goederen en schulden die aan één der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn en waarbij deze verknochtheid zich verzet tegen inbreng in de gemeenschap. De waarde van een verknocht goed kan tot het gemeenschappelijke vermogen behoren
  • Pensioenrechten die vallen onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en rechten op een nabestaandenpensioen
  • De rechten die een langstlevende echtgenoot kan doen gelden op grond van artikel 4:29 en 4:30 BW (de andere wettelijke rechten)
  • Vruchten van goederen die buiten de gemeenschap vallen, blijven ook buiten de gemeenschap

Door deze uitzonderingen kan naast het gemeenschapsvermogen op grond van het huwelijksvermogensrecht, dus een privévermogen ontstaan van één of beide echtgenoten.

Het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang vallen dus in beginsel in de huwelijksgemeenschap. Dit is niet het geval als de echtgenoot vennoot is in een vennootschap onder firma, of maat is in een maatschap, aangezien de Hoge Raad heeft beslist dat het aandeel hierin niet valt in de huwelijksgemeenschap. Een vennootschap onder firma is namelijk een bijzondere gemeenschap en heeft een afgescheiden vermogen. Wel heeft de andere echtgenoot recht op de halve waarde van hetgeen de vennoot kan vorderen op grond van de vennootschapsakte respectievelijk de maat kan vorderen op grond van de maatschapsakte. Indien bijvoorbeeld de vennoot een negatief kapitaal heeft in de vennootschap onder firma, vertegenwoordigt zijn aandeel geen waarde. De vrijheid van ondernemen wordt op deze wijze gewaarborgd, terwijl de partner economisch gezien meeprofiteert.

De echtgenoten kunnen samen een vennootschap onder firma of maatschap aangaan. Ook in dat geval behoort het aandeel van iedere vennoot tot zijn privévermogen. Als de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden zonder dat dit tevens de ontbinding van de vennootschap tot gevolg heeft, dan kan slechts de vordering die de gemeenschap op de echtgenoten-vennoten heeft worden verdeeld, overeenkomstig de bepalingen uit de vennootschapsakte. Onder omstandigheden bestaat recht op een lagere waarde als hierin is bepaald dat bij het overlijden van een vennoot, de vennootschap door de andere kan worden voortgezet en dat die ander het recht heeft de activa tegen boekwaarde over te nemen. In dat geval neemt de langstlevende een hogere waarde in aanmerking.

2.2 Beperking gemeenschap van goederen

Met ingang van 1 januari 2018 is de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt en vallen het voorhuwelijkse vermogen, giften en erfenissen daarbuiten. Alleen wat de echtgenoten tijdens het huwelijk verwerven komt aan hen beiden toe. Bestaat tussen echtgenoten een discussie aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed aangemerkt als een gemeenschapsgoed.

Onder de beperkte gemeenschap van goederen zullen eveneens de goederen vallen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtelieden gezamenlijk toebehoorden. Hieronder vallen ook alle voor het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden en alle schulden betreffende goederen die al voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden die betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen.

Indien echtgenoten vóór het huwelijk voor ongelijke delen gerechtigd zijn tot een gemeenschappelijk goed, zullen zij door het huwelijk voor gelijke delen gerechtigd worden tot dit goed, zodat een vermogensverschuiving kan plaatsvinden. Een en ander geldt eveneens voor schulden, waarvoor echtelieden voor ongelijke delen draagplichtig zijn. Op de regel dat giften en erfenissen daarbuiten vallen bestaat een uitzondering als de schenker of erflater gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde insluitingsclausule.

Ook bij de wettelijke beperkte gemeenschap vallen het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang in beginsel in de huwelijksgemeenschap als dit tijdens het huwelijk wordt verkregen. Indien de echtgenoot vennoot is in een vennootschap onder firma valt het aandeel hierin niet in de huwelijksgemeenschap, maar de waarde hiervan wel. Dat laatste is uiteraard niet het geval ingeval de echtgenoot al voorafgaande het huwelijk vennoot was.

Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

3.0 Uitsluitings- en insluitingsclausule

3.1 Uitsluitingsclausule

Schenkers en testateurs kunnen bepalen dat de schenking of het te erven vermogen niet zal vallen in de gemeenschap van goederen waarin de verkrijger ten tijde van de verkrijging is gehuwd of geregistreerd of waarin hij later mocht huwen of een geregistreerd partnerschap mocht aangaan. Deze bepaling wordt de uitsluitings-clausule genoemd. Deze clausule heeft tot doel om de begunstigde die in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd als enige te laten profiteren van de verkrijging. Zonder deze clausule zou de verkrijging immers in de huwelijksgemeenschap vallen, waardoor deze bij een eventuele echtscheiding moet worden gedeeld met de partner.

Overigens zal na het overlijden van de verkrijger ook de onder een uitsluitingsclausule verkregen goederen tot zijn nalatenschap behoren. Op basis van het wettelijk erfrecht verkrijgt de langstlevende partner alle goederen uit de nalatenschap, zodat hij ook deze goederen verkrijgt. Met een dergelijke clausule is dus niet te voorkomen dat de langstlevende echtgenoot van de verkrijger uiteindelijk over het geschonken of geërfde vermogen kan beschikken. Uiteraard is het mogelijk dat de verkrijger in zijn testament afwijkt van het wettelijke erfrecht. De uitsluitingsclausule moet door de erflater in het testament of door de schenker in de schenkingsovereenkomst worden opgenomen. Door de uitsluitingsclausule ontstaat naast het gemeenschapsvermogen dus privévermogen, zodat dit bij een eventuele echtscheiding niet hoeft te worden verdeeld of verrekend als sprake is van huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding.

Indien de verkrijger buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, maar in de huwelijkse voorwaarden een verplicht wederkerig finaal verrekenbeding is opgenomen, moet op grond hiervan bij het einde van het huwelijk de vermogens van de echtelieden worden verrekend alsof er een gemeenschap van goederen was. Om te voorkomen dat in die situatie tevens de schenking of erfenis moet worden verrekend, is het raadzaam in de uitsluitingsclausule op te nemen dat de waarde van het verkregene niet zal worden betrokken in een finaal verrekenbeding, met uitzondering van een finaal verrekenbeding bij overlijden. Door deze laatste toevoeging valt slechts de helft van de waarde van de goederen bij het overlijden van de verkrijger in zijn nalatenschap en kan zodoende in beginsel erfbelasting worden bespaard.

3.2 Insluitingsclausule

Bij een schenking en in een testament kan worden bepaald dat de schenking of het te erven vermogen wel zal vallen in de (beperkte) gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of waarin hij later mocht huwen. Deze bepaling wordt de insluitingsclausule genoemd.

De insluitingsclausule moet door de erflater in het testament of de schenkingsovereenkomst worden opgenomen. Het doel van deze clausule is dat een geschonken of geërfd goed, inclusief de vruchten ervan, deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, zodat de helft van de waarde hiervan vererft bij het overlijden van de eerste echtgenoot en de andere helft van de waarde hiervan vererft bij het overlijden van de tweede echtgenoot, zodat hierdoor erfbelasting kan worden bespaard.

Op grond van de insluitingsclausule gaat een geschonken of geërfd goed, inclusief de vruchten ervan, deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, mits schenkingen en erfenissen hierin kunnen vallen. Dit laatste zal dus niet automatisch het geval zijn bij de beperkte huwelijkse gemeenschappen die na 1 januari 2018 ontstaan.

Het is mogelijk deze clausule te beperken tot de situatie dat het huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van het kind, of met een andere voorwaarde. Voor de berekening van de schenk- of erfbelasting bij de verkrijging van het goed heeft de insluitingsclausule geen effect. De verkrijging door partners voor de berekening van zowel de erfbelasting als de schenkbelasting wordt namelijk aangemerkt als verkrijging door een van hen, en hiervoor het tarief geldt voor de verkrijger die het naast verwant is aan de erflater of schenker. Valt de verkrijging in de huwelijksgemeenschap, dan is de hieraan verbonden schenk- of erfbelasting een schuld van de gemeenschap.

Uiteraard kan dit wel in de toekomst effect hebben bij het overlijden van een van de echtelieden, omdat de insluitingsclausule bewerkstelligt dat slechts de helft van een geschonken of geërfd goed in de nalatenschap van het kind zal vallen en de andere helft in die van het schoonkind.

4.0 Verknochte goederen

Verknochte goederen zijn zaken en vermogensrechten die zo nauw met één der echtgenoten zijn verbonden dat ze niet of niet geheel gemeenschappelijk kunnen zijn. Bij de sterkst mogelijke vorm van verknochtheid valt het goed in zijn geheel buiten de gemeenschap, zoals bij letselschade. Gaat het om minder sterke vorm, dan is slechts sprake van een recht op toerekening, maar valt de waarde van de verknochte goederen in de gemeenschap. Ook de arbeidsovereenkomst is verknocht. Het is moeilijk voor te stellen dat een topmanager een dag geen zin heeft om te werken en daarom maar zijn vrouw stuurt. In dit verband dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen het goed zelf (de arbeidsovereenkomst) en de vruchten van het goed (het ontvangen salaris). De geld- en goederenstromen die voortvloeien uit de verknochte goederen hebben betrekking op het gemeenschapsvermogen. Het ontvangen salaris is dus een gemeenschapsgoed, terwijl de arbeidsovereenkomst tot het privévermogen van de werknemer/echtgenoot behoort. Overigens is emotionele gebondenheid aan bepaalde zaken niet van belang voor de juridische kwalificatie van een verknocht goed.

Het aandeel van één der echtgenoten in een maatschap of een vennootschap onder firma is tevens een verknocht goed en behoort daardoor tot het privévermogen van de maat of vennoot. De maat of vennoot heeft een schuld aan het gemeenschaps-vermogen ter grootte van de waarde van zijn aandeel in de maatschap of vennootschap onder firma.

De verknochtheid kan in uitzonderlijke situaties betekenen dat het goed noch de waarde daarvan tot de gemeenschap behoren. Volgens de Hoge Raad vallen hieronder bijvoorbeeld het recht op invaliditeitspensioen zolang de ontvanger jonger is dan 65 jaar of een materiële schadevergoeding na een ongeval van een echtgenoot die in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd voor zover de vergoeding betrekking heeft op inkomensschade, kosten van huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid die zich ná de echtscheiding manifesteren.

5.0 Pensioenrechten

Pensioenrechten vallen niet in de gemeenschap van goederen. Indien het huwelijk eindigt bij de dood van de pensioengerechtigde, vervalt dit pensioenrecht en kan het eventueel worden vervangen door een nabestaandenpensioen. Ook hier geldt, dat de vruchten van het pensioenrecht in de gemeenschap vallen. Bij een normale gang van zaken profiteren beide echtgenoten dus van het opgebouwde pensioen.

Indien het huwelijk eindigt door echtscheiding ligt de zaak anders. De partner, die niet heeft gewerkt, zou geen pensioenrechten hebben opgebouwd en de vruchten van het pensioen zouden dan te zijner tijd ook niet door hem of haar genoten worden. De wetgever is van mening dat de pensioenrechten die tijdens het huwelijk worden opgebouwd niet alleen tot stand zijn gekomen door de inspanningen van de werkende echtgenoot, maar ook door de steun van de niet werkende partner. De wetgever heeft bepaald dat ingeval van scheiding in beginsel pensioenverevening van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen tussen de ex-partners moet plaatsvinden (Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding). Hiernaast heeft de ex-partner van de pensioengerechtigde recht op het gehele nabestaande pensioen op grond van de Pensioenwet. Dit betreft dus ook het deel dat is opgebouwd voorafgaand het huwelijk Wel kan van deze wettelijke regelingen bij de huwelijkse voorwaarden of het echtscheidingsconvenant worden afgeweken.

6.0 Zaaksvervanging

Een goed blijft buiten de gemeenschap als een echtgenoot deze verwerft en de tegenprestatie voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen (zaaksvervanging). Ook de schuld voor de gedeeltelijke financiering van dit goed valt dan niet in de gemeenschap.

7.0 Schulden van de huwelijksgemeenschap

Op grond van de wet vallen alle schulden van de echtgenoten in de gemeenschap. Bij de algemene gemeenschap van goederen betreft het zowel de schulden die bij het aangaan van het huwelijk (het ontstaan van de gemeenschap) bestaan, als de schulden die tijdens het huwelijk worden aangegaan. Bij de beperkte gemeenschap van goederen betreft het slechts de schulden die tijdens het huwelijk worden aangegaan, met uitzondering van de schulden die voor het huwelijk zijn aangegaan voor een gemeenschappelijk goed, zoals de lening voor de gemeenschappelijke eigen woning. Wanneer een schuld in de gemeenschap valt, betekent dit niet dat beide echtgenoten schuldenaren worden. Ook voor de gemeenschapsschulden is alleen de echtgenoot aansprakelijk die de schuld is aangegaan.

Het gemeenschappelijk zijn van een schuld betekend dat deze verhaald kan worden op de goederen van de gemeenschap. Daarnaast kan de schuld ook worden verhaald op het privévermogen van de echtgenoot die de schuld is aangegaan. Een privé-schuldeiser van één van de echtgenoten heeft dezelfde verhaalsmogelijkheden. Ook hij kan deze privéschuld zowel verhalen op het privévermogen van de echtgenoot die de schuld is aangegaan als op het gemeenschappelijke vermogen. Zijn beide echtgenoten schuldenaren, omdat zij bijvoorbeeld hoofdelijk aansprakelijk zijn, dan kan de schuldeiser zich verhalen op het gemeenschappelijke vermogen en op het privévermogen van beide echtgenoten. Voor schulden met betrekking tot de normale gang van de huishouding zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk. Volgens de Hoge Raad vallen hieronder niet de inkomstenbelastingschulden. Wat schulden voor de normale gang van de huishouding zijn, is afhankelijk van de levensstandaard van het gezin.

Na ontbinding van de gemeenschap van goederen blijft iedere echtgenoot aansprakelijk voor de gehele gemeenschapsschuld waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Dit zijn alle schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, maar daarvoor kan slechts worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap heeft verkregen.

Voorbeeld

Man en vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en de man exploiteert samen met zijn broer een vennootschap onder firma (vof). In 2017 wordt de echtscheiding uitgesproken en in 2019 vindt de verdeling van de gemeenschap plaats. De man heeft nog een inkomstenbelastingschuld en daarnaast heeft de vof een schuld aan een bank in verband met een leningsovereenkomst. De echtgenoten zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de inkomstenbelastingschuld en de man is geheel draagplichtig wat betreft de schulden van de vof, aangezien het aandeel van de vof juridisch niet in de huwelijksgemeenschap valt.

Per 1 januari 2018 beperkt artikel 1:96 lid 3 BW het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap.

Daarnaast heeft de andere echtgenoot in die situatie een overnamerecht voor dat goed van de gemeenschap. Als de andere echtgenoot gebruik maakt van zijn overnamerecht tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed, behoort het gehele goed vervolgens tot het eigen vermogen van de andere echtgenoot. Ook als die andere echtgenoot het bedrag voor de overname uit geleend geld voldoet.

In die situatie zal doorgaans de huwelijksgemeenschap bestaan, zodat geen sprake is van een verdeling. De wet heeft namelijk de overnameverklaring niet opgenomen als grond voor de (partiele) ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Wel zou de opheffing van de gemeenschap door de rechter kunnen worden gevorderd als sprake is van verspilling van gemeenschapsgoederen op grond van artikel 1:109 BW.

Als de rechter dit verzoekt toewijst, leidt dat tot de ontbinding van de gemeenschap (artikel 1:99 lid 1 letter d BW), waarna deze kan worden verdeeld. Een schuldeiser kan slechts verhaal zoeken op een gemeenschapsgoed als hij beschikt over een executoriale titel en ten blijke daarvan executoriaal beslag heeft gelegd. In die situatie kan de andere echtgenoot het overnamerecht uitoefenen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit eigen vermogen (artikel 1:96 lid 3 BW).

8.0 Vergoedingsvorderingen

Bij gebruik van vermogen van de andere echtgenoot of van de gemeenschap voor de aanschaf van een goed dat eigendom wordt van de kopende echtgenoot, ontstaat een economische medegerechtigdheid van de geldschieter in dat goed. Dit wordt de beleggingsleer genoemd. Deze regeling geldt zowel voor echtlieden die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, als voor degenen die huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt. Dit laatste is ook het geval als de echtgenoten iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. Bij huwelijksvoorwaarden kunnen de echtgenoten afwijken van de wettelijke regeling, door af te spreken dat in plaats van de beleggingsleer, de nominaliteitsleer geldt. Uiteraard kunnen de echtlieden hiervan afwijken door een geldleningovereenkomst te sluiten. Het vergoedingsrecht wordt vastgesteld na rato van de waarde van het aangeschafte goed dat gefinancierd is.

Voorbeeld

Echtgenoot X koopt een onroerende zaak voor € 100. Hiervoor verstrekt echtgenoot Y € 30. Bij aflossing is die onroerende zaak € 150 waard, zodat echtgenoot Y recht heeft op € 45 (30% van € 150).

Als het goed in waarde daalt, heeft de geldschieter ten minste recht op de nominale vergoeding, behalve als de eigenaar van het goed bewijst dat het geld met toestemming van de geldverstrekker is gebruikt. Onder het tot 1 januari 2012 geldende recht had in het voorbeeld Y in beginsel slechts recht op een vergoeding van de nominale waarde van € 30. Dit geldt onder het nieuwe recht ook voor goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, zoals een auto. Als de geldverstrekking heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2012, geldt de nominaliteitsleer op grond van het overgangsrecht. Zowel in de situatie van de beleggings-, als de nominaliteitsleer, geldt dat over een vergoedingsrecht geen rente wordt vergoed. De literatuur is verdeeld over de vraag of een vergoedingsrecht economisch eigendom oplevert voor de inkomstenbelasting.

Als het ondernemingsvermogen niet valt in de huwelijksgemeenschap moet ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding komen (artikel 1:95a BW). Dit geldt ook als een onderneming op naam en voor rekening van een personenvennootschap of een rechtspersoon wordt uitgeoefend. Dit betreft hetgeen aan de arbeidsinspanning kan worden toegerekend en voor zover dit naar maatschappelijke opvattingen aanvaardbaar is, en ziet niet op autonome waardestijgingen. Dit alleen voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van hen beiden komt of is gekomen. Het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang vallen buiten de wettelijke (beperkte) huwelijksgemeenschap als de echtgenoot deze al voorgaande het huwelijk bezat, of tijdens het huwelijk heeft verkregen krachtens erfrecht of gift. Dit laatste geldt bij de algehele huwelijksgemeenschap slechts in het geval aan de verkrijging een uitsluitingsclausule is verbonden. Overigens geldt deze bepaling eveneens voor bestaande huwelijkse gemeenschappen in geval van een aandeel in een personenvennootschap of maatschap, aangezien die verknocht is en buiten de algehele of beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap valt.

9.0 Het einde van de huwelijksgemeenschap

Het gevolg van het einde van de gemeenschap is dat alles gescheiden en gedeeld moet worden.

De gemeenschap van goederen eindigt door:

  • Het einde van het huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap door overlijden
  • Het indienen van het echtscheidingsverzoek of scheiding van tafel en bed
  • Het indienen van het verzoek tot opheffen van de gemeenschap (aan te vragen bijvoorbeeld wanneer de andere echtgenoot dan wel geregistreerde partner lichtvaardig schulden maakt)
  • Het opheffen bij huwelijkse voorwaarden dan wel partnerschapsvoorwaarden
  • Het indienen van het verzoek tot ontbinden van het geregistreerd partnerschap
  • Het afsluiten van een beëindigingovereenkomst geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden

Het moment van ontbinding van de gemeenschap van goederen is in het geval van echtscheiding, het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. De samenstelling van de gemeenschap wordt bepaald op het moment van de ontbinding ervan, maar de waarde wordt genomen op het moment van de verdeling, tenzij een andere peildatum wordt gekozen.

Informatie

  • Recht: Huwelijksvermogens- en erfrecht
  • 1 uur
  • EQF 7
  • 1 PE punt(en)
  • Dinsdag 10 september 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Premium PE Online artikelen zijn voor Members Life Event Advisor

Wil je deze PE artikelen ook lezen?
Word dan Member!

Bekijk Memberships