Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

De waardering van de latente aanmerkelijkbelangclaim

Op de waarde van aanmerkelijkbelangaandelen rust een latente aanmerkelijkbelangclaim. In het kader van een nalatenschap komt de vraag op hoe deze belastingclaim moet worden gewaardeerd, aangezien de aanmerkelijkbelangclaim pas verschuldigd is op enig toekomstig tijdstip. Er blijken voor de waardering twee verschillende benaderingen te worden gehanteerd.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 november 2020 antwoord gegeven welke benadering volgens het hof gehanteerd moet worden in de situatie waarin de (klein)kinderen van de erflater een onderbedelingsvordering op hun (groot)moeder hebben verkregen.

Twee benaderingen voor het waarderen van de latente aanmerkelijkbelangclaim

Het tarief over het inkomen uit een aanmerkelijk belang (box 2) was 25% tot 2020 en bedraagt 26,25% voor 2020. In 2021 wordt het tarief verhoogd naar 26,90%. Inkomen (artikel 4.12 Wet IB 2001) uit een aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag van:

  • De reguliere voordelen (bijvoorbeeld dividend)
  • De vervreemdingsvoordelen (bijvoorbeeld de verkoopwinst, zijnde het verschil tussen de opbrengst bij vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen minus de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen)

De aanmerkelijkbelangclaim hoeft echter pas te worden afgerekend op het moment waarop de reguliere voordelen zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden (artikel 4.43 Wet IB 2001). De vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen (artikel 4.46 Wet IB 2001). De aanmerkelijkbelangclaim is dus pas verschuldigd op enig toekomstig tijdstip.

De vraag, die vervolgens kan worden gesteld, is wat dit voor gevolg heeft voor de waardering van de aanmerkelijkbelangclaim. Er blijken voor de waardering twee verschillende benaderingen te worden gehanteerd:

  1. Een waardering op basis van de contante waarde, waarbij de contante waarde van de toekomstige aanmerkelijkbelangclaim lager is dan de huidige waarde
  2. Een waardering op basis van de contante waarde, waarbij de contante waarde van de toekomstige aanmerkelijkbelangclaim gelijk is aan de huidige waarde

Hierna worden beide benaderingen kort toegelicht. Hierbij wordt uitgegaan van een situatie per 1 januari 2021 van een 100%-aandeelhouder in een bv. Deze bv heeft een eigen vermogen en een belegbaar vermogen van € 1.000.000. Voor de eenvoud bedraagt de verkrijgingsprijs van de aandelen in de bv nihil. De bv realiseert jaarlijks een brutorendement van 5% over het belegbaar vermogen. Over de winst is de bv in 2021 en latere jaren 15% vennootschapsbelasting verschuldigd.

Na 5 jaar (ultimo 2025) verkoopt de aandeelhouder de aandelen in de bv voor de op dat moment geldende intrinsieke waarde.

Toelichting benadering 1

In deze benadering wordt de (al bestaande) aanmerkelijkbelangclaim naar een lagere waarde contant gemaakt naar het moment waarop deze wordt afgerekend. Indien bijvoorbeeld de aanmerkelijkbelangclaim per 1 januari 2021 € 269.000 (26,9% van
€ 1.000.000) bedraagt, is de contante waarde hiervan bij een periode van 5 jaar en een rente van 5% ongeveer € 211.000. Dit is maar 21,1% in plaats van 26,9%.

Een variant op deze benadering is dat de lagere contante waarde wordt gebaseerd op de fictie voor de hoogte van de latente aanmerkelijkbelangclaim van artikel 20 lid 6 SW. Volgens deze fictiebepaling bedraagt de latente aanmerkelijkbelangclaim 6,25%.

Toelichting benadering 2

Benadering 2 gaat in eerste instantie uit van de verkoop per 31 december 2025:

Het eigen vermogen van de bv stijgt door het jaarlijkse rendement op het belegbaar vermogen met ongeveer 23%. De aanmerkelijkbelangclaim neemt echter ook met ongeveer 23% toe. Het percentage van 23% over een periode is gelijk aan een samengesteld rendement van 4,25% per jaar. Dit percentage is in feite het jaarlijkse nettorendement (5% -/- (5%*15% (Vpb)) = 4,25%) dat de bv realiseert.

De aanmerkelijkbelangclaim neemt dus toe met het jaarlijkse nettorendement. Hierdoor is per 31 december 2025 de aanmerkelijkbelangclaim ongeveer 33,1% ten opzichte van het eigen vermogen in de bv per 1 januari 2021.

Hieruit kan afgeleid worden, dat de huidige aanmerkelijkbelangclaim in feite de contante waarde is van de toekomstige aanmerkelijkbelangclaim, ongeacht het in de toekomst gekozen moment.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 november 2020 antwoord gegeven welke benadering volgens het hof gehanteerd moet in de situatie van een nalatenschap. 

Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden

Onderdeel van de nalatenschap van erflater zijn de aandelen in een bv. De (klein)kinderen van de erflater hebben door zijn overlijden in 2009 een onderbedelingsvordering op hun (groot)moeder verkregen.

In geschil is in hoeverre bij de waardering van de aandelen in de bv rekening mag worden gehouden met inkomstenbelasting die de (groot)moeder op enig toekomstig moment verschuldigd kan worden ter zake van de aandelen. Volgens de (klein)kinderen dient voor de waardering van de aandelen (primair) geen of (subsidiair) slechts voor 6,25% rekening te worden gehouden met een correctie wegens een latente belastingclaim.

De kantonrechter heeft het percentage echter op 25% bepaald.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden moet de contante waarde van de toekomstige belastingclaim worden bepaald. Het hof heeft in lijn met de stellingen van partijen aan een deskundige gevraagd tegen welk percentage de inkomstenbelasting moet worden berekend die in mindering kan worden gebracht op de waarde van de aandelen. Uiteindelijk gaat het om de contante waarde van de toekomstige belastingclaim uitgedrukt in een percentage van de waarde van de aandelen.

De conclusie van de deskundige is dat het percentage waartegen de inkomstenbelasting moet worden berekend, die in mindering kan worden gebracht op de waarde van de aandelen, 25% van die waarde bedraagt.

Het hof neemt de conclusie van de deskundige over. Het hof geeft hierbij aan dat het zich realiseert dat het daardoor afwijkt van de benadering die de (fiscale) wetgever heeft gekozen in artikel 20 lid 6 SW.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Successiewet, Diversen
  • EQF 7
  • Dinsdag 24 november 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships