Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

De werkkostenregeling

Indien aan werknemers vergoedingen of verstrekkingen toekomen, is de eerste vraag of sprake is van loon voor de loonbelasting.  De wettelijke definitie van het begrip loon blijkt in de praktijk niet altijd voldoende houvast te bieden. De concrete invulling hiervan heeft zich dan ook vooral ontwikkeld in de jurisprudentie. De wet op de loonbelasting 1964 kent daarnaast verschillende bepalingen op basis waarvan over een bepaald voordeel (nog) geen loonbelasting verschuldigd is. Zo kan sprake zijn van zogenoemde intermediaire kosten, vrijgesteld loon, nihilwaarderingen of gerichte vrijstellingen.

In dit PE Online artikel zal de nadruk liggen op de systematiek van de werkkostenregeling. Ook zal worden ingegaan op de wijzigingen met betrekking tot de werkkostenregeling zoals deze in het Belastingplan 2020 zijn aangekondigd.

1.0 Inhoud

Uitsluitend voordelen die de ‘poort’ van artikel 10 Wet loonbelasting 1964 passeren, worden aangemerkt als te zijn genoten uit dienstbetrekking. Indien aan werknemers vergoedingen of verstrekkingen toekomen, is de eerste vraag of sprake is van loon in de zin van artikel 10 Wet loonbelasting 1964.  

Artikel 10 lid 1 Wet loonbelasting 1964 luidt: ‘Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Tot het loon uit dienstbetrekking behoren alle voordelen die de werkgever aan de werknemer als zodanig in welke vorm of onder welke benaming ook verstrekt, zulks ongeacht of de werknemer daarop recht kon doen gelden uitspraak HR. In beginsel wordt daarom alles wat een werknemer in het kader van zijn dienstbetrekking ontvangt tot het loon gerekend. De definitie is echter niet onbegrensd. Met de bewoordingen ‘uit de dienstbetrekking’ heeft de wetgever beoogd slechts hetgeen als loon aan te merken waarbij een voldoende nauw verband bestaat tussen het voordeel en de dienstbetrekking, het zogenoemde causaliteitsvereiste.

Aangenomen wordt dat als beslissend criterium de zogeheten leer van de redelijke toerekening geldt voorbeeld. Deze leer vat loon op als alle voordelen die, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, geacht kunnen worden zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de werknemer behoort verwijzing.

Ook uit de jurisprudentie blijkt dat slechts als loon wordt aangemerkt de voordelen die ‘zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt’ HR 1983 AW9439. In een recente conclusie van de A-G merkt deze op dat ‘niet zozeer’ aangeeft dat het voordeel zijn grond overwegend in iets anders vindt dan de dienstbetrekking, maar - zo blijkt uit de gewezen jurisprudentie tot nu toe - vaak onuitgesproken blijft waarin. De grootste uitdaging zit dan in het vinden van een antwoord op de vraag: welke hoedanigheid is overheersend? HR 16-01917. In het algemeen gesproken is het draaipunt bij de vraag of een voordeel aan de dienstbetrekking wordt ontleend naar mijn mening dan ook de hoedanigheid waarin de natuurlijke persoon het voordeel geniet. Voordelen genoten in de hoedanigheid van werknemer, vormen loon HR 2000 AA7008.

Een tweede kenmerk van het begrip loon is dat het om een voordeel voor de werknemer moet gaan. De Hoge Raad spreekt in zijn definitie van wat onder loon moet worden verstaan expliciet over ‘voordelen’ HR_2010_BN7207. Het gaat er dan om dat de beschikkingsmacht van de werknemer hierbij is toegenomen. Het begrip loon in de zin van artikel 10 Wet loonbelasting 1964 bevat echter naast voordelen ook nadelen uit de dienstbetrekking artikel 29. Dat betekent dat ook al hetgeen in negatieve zin als uit een dienstbetrekking wordt genoten als loon moet worden aangemerkt. ( Wij spreken dan van negatief loon. Voor zover er in een aangiftetijdvak ook positief loon wordt genoten, wordt negatief loon daarmee gesaldeerd).

Een derde kenmerk van het begrip loon is dat het loon door de werkgever wordt ‘verstrekt’. Als ondergrens geldt hierbij dat de werkgever zich bewust moet zijn dat een voordeel is verstrekt. Als een kassamedewerker een greep uit de kassa doet zonder dat zijn werkgever dit weet, is van loon dus geen sprake indien de werkgever hiervan niet op de hoogte is. [HR 1992 BNB 1993/19] De werkgever kan immers geen loonbelasting inhouden indien hij niet met die voordelen bekend is. Aan het verstrekkingscriterum is ook voldaan indien de werkgever een voordeel aan de werknemer ‘laat’ als beloning voor uit hoofde van de dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.[HR 1995 AA1645

Indien een werknemer een voordeel geniet dat voldoende verband houdt met zijn dienstbetrekking en verkregen wordt van een ander dan de ‘eigen’ werkgever, is alleen sprake van loon indien dat voordeel wordt verstrekt in opdracht en voor rekening van de werkgever, dan wel met medeweten van zijn werkgever door een andere concernmaatschappij aan de werknemer wordt betaald.[HR 2001 AB3150 ]. Is hiervan sprake, dan wordt het loon geacht van de ‘eigen’ werkgever te zijn verkregen, zodat de ‘eigen’ werkgever hierover de verschuldigde loonheffingen dient in te houden en/of af te dragen.

2.0 Bijzondere verstrekkingen

Verstrekkingen die een werkgever vanuit een andere hoedanigheid zou doen dan als werkgever vormen geen loon. De Belastingdienst neemt aan dat sprake is van loon bij verstrekkingen en betalingen die duidelijk gerelateerd zijn aan de dienstbetrekking, zoals bloemen ter gelegenheid van secretaressedag of een ambtsjubileum. Sommige geschenken van de werkgever zijn geen loon uit dienstbetrekking. Zo wordt bijvoorbeeld de rouwkrans van de werkgever of de fruitmand aan een zieke werknemer eerder uit wellevendheid, sympathie of piëteit, op grond van een persoonlijke relatie verstrekt dan uit hoofde van het werkgeverschap. Er is dan hetzij geen op geld waardeerbaar voordeel, hetzij geen uit de dienstbetrekking genoten voordeel, zodat dergelijke verstrekkingen buiten het loon blijven. In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen in hoeverre een geschenk niet zozeer een grond vindt in de dienstbetrekking dat geen sprake is van loon.

De Belastingdienst neemt in elk geval aan dat geen sprake is van loon als een werkgever diens werknemer een persoonlijke attentie geeft in situaties waarin ook anderen dan een werkgever een dergelijke attentie plegen te geven bij de desbetreffende gelegenheid en:

  • Het geen geld of waardebonnen betreft
  • De attentie niet een factuurwaarde (inclusief omzetbelasting) heeft die hoger is dan € 25 zie Staatscourant

Daarnaast zijn van het loonbegrip uitgezonderd de vergoedingen en verstrekkingen die betrekking hebben op zogeheten intermediaire kosten.

3.0 Intermediaire kosten

Intermediaire kosten zijn uitgaven die de werknemer niet voor zichzelf doet maar namens de werkgever en voor diens rekening. Het initiatief tot het maken van de kosten ligt bij de werkgever. Het voordeelscriterium sluit dan ook uit dat vergoedingen voor intermediaire kosten als loon kunnen worden gezien. Van intermediaire kosten is sprake bij:

  • De aanschafkosten van zaken die tot het vermogen van de werkgever gaan behoren
  • De kosten die gemaakt worden voor zaken die behoren tot het vermogen van de werkgever (en die aan de werknemer ter beschikking zijn gesteld)
  • De kosten die specifiek samenhangen met de bedrijfsvoering (en dus niet specifiek met het functioneren van de werknemer) MvT TK 32 130,  blz.61

Bij intermediaire kosten kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat een werknemer met de terbeschikkinggestelde bedrijfsauto tankt, zelf afrekent en vervolgens de benzine declareert. Andere voorbeelden zijn de werknemer die viltstiften voor het beschrijven van een whiteboard bij een vergadering voorschiet, of de werknemer die namens de werkgever op een beurs staat en aldaar kosten voorschiet. Ook de kosten voor zover die betrekking hebben op de relatie bij een zakelijk etentje zijn intermediaire kosten.

Van loon kan wel sprake zijn als de werkgever de werknemer meer vergoedt dan het precieze bedrag van de uitgaven. Dit geldt ook voor zover de intermediaire kosten leiden tot een voordeel voor één of meer werknemers.

Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

4.0 Vrijgesteld loon

Het uitgangspunt zoals geformuleerd in artikel 10 Wet loonbelasting 1964 is dat al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten tot het loon wordt gerekend. Hieronder vallen in beginsel niet alleen het salaris dat een werknemer ontvangt, maar ook de vergoeding voor de kosten die een werknemer maakt in het kader van de uitoefening van zijn dienstbetrekking. In artikel 11 Wet loonbelasting 1964 wordt vervolgens een groot aantal loonbestanddelen, die volgens de hoofdregel van artikel 10 Wet loonbelasting 1964 tot het loon behoren, weer getransformeerd in niet-loon.

Artikel 11 Wet loonbelasting 1964 kent twee verschillende uitgangspunten ten aanzien van de uitwerking van artikel 10 Wet loonbelasting 1964. Aan de ene kant kent artikel 11 Wet loonbelasting 1964 de zogenoemde zuivere vrijstellingen. Deze zijn te verdelen in enerzijds vrijstellingen van elementen die van nature niet als loon zijn op te vatten, maar door de ruime uitleg van artikel 10 Wet loonbelasting 1964 wel tot het loon zouden behoren, en anderzijds vrijstellingen van elementen waarvan de wetgever vindt dat deze niet tot het loon zouden moeten behoren. (De omkeerregel behoort niet tot één van deze vormen van vrijstellingen, maar vormt een bijzondere categorie, omdat weliswaar de aanspraak niet tot het loon behoort, maar uiteindelijk de uitkering wel).

5.0 Loon in natura

De werkgever kan uit de dienstbetrekking voortvloeiende voordelen op een andere wijze dan in geld uitbetalen. Als sprake is van goederen als loon in natura spreken wij van ‘verstrekkingen’. Hierbij gaat het eigendom van het goed op de werknemer over. Voorbeelden van goederen als loon in natura kunnen zijn de door de werkgever verstrekte kleding, maaltijden en vakliteratuur.

Indien sprake is van gebruik van goederen, dan wordt dat ‘ter beschikking stellen’ genoemd. Hierbij gaat het om de situatie waarbij het eigendom van het goed bij de werkgever blijft. Een voorbeeld hiervan is een auto van de zaak.

Indien sprake is van ‘loon in natura’ moet dit voordeel worden vertaald naar een bedrag in geld. De waarderingsregels hiervoor zijn opgenomen in artikel 13 Wet loonbelasting 1964. Als hoofdregel hiervoor geldt dat de waarde van het goed wordt vastgesteld op de factuurwaarde, inclusief BTW. Ontbreekt een factuur, dan wordt de waarde van het goed gesteld op de waarde in het economisch verkeer artikel 13 lid 1 Wet LB 1964. Voor branche-eigen producten geldt een afzonderlijke regel artikel 13 lid 2 Wet LB 1964.

Voor bepaalde verstrekkingen gelden afzonderlijke waarderingsregels artikel 13 lid 3 en 5 Wet loonbelasting 1964.  Het gaat hierbij om onder andere:

In maart 2019 oordeelde Rechtbank Noord-Nederland dat deze waarderingsvoorschriften alleen gelden indien zij leiden tot een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer. Het gevolg is derhalve dat deze voorzieningen, het gaat dan om aan de werkplekgerelateerde voorzieningen, toch geheel of gedeeltelijk onbelast aan de werknemer kunnen worden gegeven rechtbank NN 19 maart 2019, nr. 16/2743, NTFR 2019/1074.

6.0 Waardering voorzieningen op de werkplek

 Artikelen 3.7 Uitv.reg. LB 2011 en Artikelen 3.8 Uitv.reg. LB 2011

De wet stelt de waarde van de volgende op de werkplek ge- of verbruikte voorzieningen op nihil:

  • Voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken
  • Werkkleding
  • Consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd
  • Huisvesting en inwoning

6.1 Personeelsfestiviteiten

Voor personeelsfestiviteiten met een gezamenlijk karakter wordt onder werkplek verstaan alle werkplekken van werknemers van de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige in concernverband opererende inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 32 Wet loonbelasting 1964 artikel 32 Wet loonbelasting 1964.

6.2 Maaltijden op de werkplek/Huisvesting en inwoning

Ter beschikking gestelde maaltijden op de werkplek, moeten worden gewaardeerd op € 3,35 (bedrag 2020) artikel 3.8 Uitv.reg. LB 2011. Huisvesting en inwoning op de werkplek wordt, inclusief energie, water en bewassing, gewaardeerd op € 5,60 (bedrag 2020).(Artikel 3.8 Uitv.reg. LB 2011 Deze bijtelling geldt alleen voor niet-zelfstandige woonruimtes en is niet van toepassing op de zelfstandige dienstwoning. Hiervoor zijn in artikel 3.11 Uitv.reg. LB 2011 afzonderlijke regels gesteld.).

Kinderopvang wordt gewaardeerd op de uurprijs volgens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

6.3 Openbaarvervoerkaarten

De waarde van OV-kaart of een voordeelurenkaart wordt op nihil gesteld, als aannemelijk is dat deze mede wordt gebruikt voor woon-werkverkeer of voor andere zakelijke reizen artikel 3.9 Uitv.reg. LB 2011. 

6.4 Rente op personeelsleningen

Een voordeel in verband met een door de werkgever aan de werknemer verstrekte laagrentende of renteloze geldlening is in beginsel belast. In dat geval wordt als loon aangemerkt de ‘normale’ rente die de werknemer voor eenzelfde lening zou moeten betalen minus de rente die hij aan de werkgever betaalt. Dit wordt ook wel het rentevoordeel genoemd.

6.5 Eigen bijdrage

Een eventuele eigen bijdrage van de werknemer aan de verstrekking van het artikel of de dienst mag in mindering worden gebracht op de belaste waarde van het loon in natura artikel 13 lid 7 Wet loonbelasting 1964.  De waarde van het loon in natura bedraagt hierbij tenminste nihil. Een eigen bijdrage kan dus nooit tot een aftrekpost leiden. ( Voor de auto van de zaak kan dat anders liggen. Als de werknemersbijdrage hoger is dan de bijtelling, leidt dat tot negatief loon in de situatie dat de werknemer zich aan het aanvaarden van de ter beschikking gestelde auto jegens de werkgever niet kan onttrekken (HR 26 maart 1997, nr. 31.548, ECLI:NL:HR:1997:AA2132).

7.0 Eindheffingsbestanddelen

In artikel 31 Wet loonbelasting 1964 is bepaald in welke limitatieve gevallen een inhoudingsplichtige de loonbelasting voor zijn eigen werknemers door middel van eindheffing mag of moet afdragen. In andere gevallen is eindheffing niet mogelijk, ook niet op verzoek van de inhoudingsplichtige.

Met ingang van 2011 hebben inhoudingsplichtigen - voor zover sprake is van tegenwoordige arbeid - de mogelijkheid gekregen vergoedingen en verstrekkingen aan te wijzen als eindheffingsloon artikel 31 lid 1 onderdeel f Wet LB 1964 . Het totaal van de (al dan niet verplicht) als eindheffingsloon aangewezen vergoedingen en verstrekkingen, voor alle werknemers samen, vormt belastbaar loon waarvan de heffing wordt bepaald aan de hand van artikel 31a Wet loonbelasting 1964. De kern hierbij is dat de inhoudingsplichtigen bepaalde vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsloon kunnen aanmerken, waarbij dit eindheffingsloon vervolgens tot een bedrag van 1,2% van de loonsom is vrijgesteld van (eind)heffing.

De mogelijkheid om vergoedingen en verstrekkingen aan te wijzen is op twee manieren beperkt. Ten eerste geldt er een gebruikelijkheidstoets. Ten tweede zijn bepaalde vergoedingen en verstrekkingen van aanwijzing uitgesloten. Dit betreffen onder andere de ter beschikking gestelde auto en de woning (tenzij huisvesting buiten de woonplaats in verband met de dienstbetrekking), geldboeten en dergelijke en de rente- en kostenvoordelen van een door de inhoudingsplichtige aan de werknemer verstrekte geldlening in verband met een eerste eigen woning artikel 31 lid 4 Wet loonbelasting 1964.

7.1 Gebruikelijkheidstoets

Voor zover sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid kunnen vergoedingen en verstrekkingen alleen als eindheffingsloon worden aangewezen voor zover de omvang van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate groter is dan de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen die in voor het overige overeenkomstige omstandigheden in de regel worden aangewezen. Dit noemen wij de zogenoemde gebruikelijkheidstoets. Deze toets moet per vergoeding of verstrekking plaatsvinden. Over de gebruikelijkheidstoets heerst veel onduidelijkheid, zo blijkt ook uit de jurisprudentie op dit punt.

In juli 2019 heeft de Hoge Raad het eerste, en zeker niet onbelangrijke, arrest gewezen met betrekking tot de werkkostenregeling HR:2019:1197. In geschil is de vraag of de in 2012 en in 2013 door belanghebbende aan haar werknemers om niet verstrekte aandelen kunnen worden aangewezen als eindheffingsbestanddelen in de zin van art. 31, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet  loonbelasting 1964. Specifiek is de vraag aan de orde of wordt voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium en daarmee of de verstrekkingen van de aandelen al dan niet ‘in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is’. De nogal cryptische omschrijving van het gebruikelijkheidscriterium in deze bepaling, blijkt bij bestudering van de parlementaire geschiedenis niet veel duidelijker te worden.

De bepaling is volgens de parlementaire geschiedenis erop gericht om ‘oneigenlijk gebruik’ te beperken en biedt de inspecteur de mogelijkheid om ‘extreme situaties’ te bestrijden. De staatssecretaris heeft bij het Belastingplan 2015 aangegeven dat het bij de toepassing van de werkkostenregeling niet gaat om de vraag of het gebruikelijk is een dergelijk loonbestanddeel in geld te ontvangen, maar dat het gaat om de vraag of het gebruikelijk is om een dergelijk loonbestanddeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel, waarbij de werkgever de eventueel verschuldigde heffingen over de vergoedingen of verstrekkingen via eindheffing voor zijn rekening neemt. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de soort vergoeding en verstrekking, de waarde hiervan, de hoogte van deze waarde en welke werknemers de vergoedingen en verstrekkingen wel of juist niet krijgen.

Of er sprake is van een gebruikelijke aangewezen vergoeding of verstrekking moet dus worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden. Ook met deze toelichting, die vóór 2015 overigens (uiteraard) niet bestond, is er niet veel duidelijkheid ontstaan over de manier waarop de (on)gebruikelijkheid moet worden vastgesteld. De hoop was dus gevestigd op het eindoordeel van de Hoge Raad.

De Hoge Raad concludeert dat een redelijke bewijslastverdeling met zich mee brengt dat de inspecteur die voor de toepassing van artikel 31, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet loonbelasting 1964 het standpunt inneemt dat, gelet op de gebruikelijkheidstoets, de door een inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen of verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel zijn aan te merken, niet alleen de stelplicht maar ook de bewijslast daarvoor draagt. De inspecteur dient feiten en omstandigheden te stellen die dat standpunt kunnen dragen, en die feiten en omstandigheden bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken. Het uitsluitend verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar, volstaat niet. De Hoge Raad maakt derhalve korte metten met de wel heel erg praktische oplossing waarmee de inspecteur aan zijn bewijslast dacht te kunnen voldoen.

7.2 Aanwijzen

Het aanwijzen van de loonbestanddelen als eindheffingsloon voor de werkkostenregeling is vormvrij. De Belastingdienst gaat er gedurende het kalenderjaar hierbij vanuit dat sprake is van aanwijzing indien de werkgever deze niet als loon bij de werknemer heeft belast. Dit zou echter anders kunnen zijn als de Belastingdienst meent dat de werkgever bij vergissing de vergoeding of verstrekking niet bij de werknemer heeft belast of als niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets besluit van 17 dec 2014_ nr.blkb2014 -1894m_ pargraaf 3.2_MvM-ID 317.

7.3 Loon uit vroegere arbeid

Voor zover sprake is van vroegere arbeid is eindheffing slechts mogelijk in het geval van enkele verplicht als eindheffingsloon aangewezen loonbestanddelen.[Artikel 31 lid 1 onderdeel g Wet loonbelasting 1964 Daarnaast keurt de Belastingdienst, aldus het Handboek Loonheffingen, ook goed dat in situaties waarin naast loon uit vroegere dienstbetrekking ook loon wordt betaald waarop de arbeidskorting van toepassing is, ook het loon uit vroegere dienstbetrekking kan worden aanwezen als eindheffingsloon. In dit laatste geval dient uiteraard wel de gebruikelijkheidstoets te zijn voldaan.

8.0 Gerichte vrijstellingen Artikel 31a Wet LB 1964. 

Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen blijven buiten de 1,2%-toets en worden daarmee in feite vrijgesteld. De vergoedingen en verstrekkingen die gericht zijn vrijgesteld zijn limitatief in artikel 31a lid 2 Wet loonbelasting 1964 opgesomd en kunnen alleen onder voorwaarden kunnen worden vrijgesteld. Het gaat hierbij om de volgende vergoedingen en verstrekkingen:

  • Reiskosten
  • (Tijdelijke) verblijfskosten
  • Onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden
  • Kosten van studie en opleiding
  • Extraterritoriale kosten
  • Verhuizingen
  • Gereedschap, computers e.d.
  • Werkplek-gerelateerde zaken (arbo-voorzieningen en hulpmiddelen)
  • Branche-eigen producten
  • VOG (per 1 januari 2020)

8.1 De 1,2%-toets

Per inhoudingsplichtige wordt het totaal van de door hem onder de eindheffing gebrachte vergoedingen en verstrekkingen bepaald. Voor zover dit totaal meer bedraagt dan 1,2% van de loonsom van de inhoudingsplichtige, is hij hierover een eindheffingstarief van 80% verschuldigd. De loonsom is hierbij het zogenoemde kolom-14 loon. Het is dan al het belastbaar loon, zonder het eindheffingsloon zelf.

Eindheffing is derhalve pas verschuldigd als de inhoudingsplichtige zijn vrije ruimte van 1,2% van de loonsom overschrijdt. Dit dient per kalenderjaar te worden vastgesteld. De verschuldigde belasting dient met ingang van 1 januari 2020 uiterlijk aangegeven en afgedragen te worden tegelijk met de aangifte, onderscheidenlijk afdracht, over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ingeval de inhoudingsplicht is geëindigd in de loop van het kalenderjaar wordt voor het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, gelezen: het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd. In principe moet de 1,2%-toets per inhoudingsplichtige worden bepaald. Als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dan mag deze ook per concern worden berekend, de zogenoemde concernregeling. In dat geval moet de eindheffing worden aangegeven en afgedragen door de werkgever met de grootste loonsom artikel 32 lid 1 Wet LB 1964.

Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

9.0 Wijzigingen per 1 januari 2020

Op 23 maart 2018 is het rapport Evaluatie van de werkkostenregeling samen met de kabinetsreactie op de evaluatie aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze kabinetsreactie werd aangegeven dat in overleg zou worden getreden met het bedrijfsleven om na te gaan voor welke aanpassingen in de werkkostenregeling draagvlak bestaat. Een belangrijke algemene notie hieruit is dat werkgevers behoefte hebben aan een bestendige regeling zonder ingrijpende wijzigingen. Zij verkiezen in zijn algemeenheid een grotere generieke vrije ruimte boven extra gerichte vrijstellingen. Met betrekking tot de werkkostenregelingen hebben daarom per 1 januari 2020 de volgende wijzigingen plaatsgevonden.  

9.1 Werkkostenregeling wordt verruimd

Per januari 2020 geldt in de berekening van de vrije ruimte een tweeschijvenstelsel.[Artikel 31a lid 3 Wet loonbelasting 1964.

De vrije ruimte wordt berekend als 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom. Deze berekening vindt plaats per inhoudingsplichtige, tenzij inhoudingsplichtigen de zogenoemde concernregeling toepassen. Indien de concernregeling wordt toegepast, wordt de vrije ruimte berekend door de loonsommen van de inhoudingsplichtigen, die deel uitmaken van het concern, bij elkaar op te tellen en op basis van het totaal de vrije ruimte te berekenen. Door de vormgeving van de verruiming is de verruiming voor kleine werkgevers met een lage fiscale loonsom relatief het grootst.

9.2 Verklaring omtrent gedrag

Per 1 januari 2020 is een gerichte vrijstelling opgenomen voor vergoedingen van een voor de dienstbetrekking aangevraagde verklaring omtrent gedrag (VOG).[Artikel 31a lid 2 onderdeel j Wet loonbelasting 1964] Onder omstandigheden kan het voorkomen dat een met de Nederlandse VOG vergelijkbare verklaring wordt aangevraagd bij een buitenlandse instantie. Dat kan zich voordoen als een werknemer zijn werkzaamheden (deels) in het buitenland verricht of als een werknemer in het verleden in het buitenland heeft gewoond of gewerkt. De vergoeding van dergelijke buitenlandse verklaringen zijn eveneens gericht vrijgesteld ingeval deze zijn aangevraagd in het kader van de dienstbetrekking. Met deze wijziging per 1 januari 2020 is aan een belangrijke discussie binnen de werkkostenregeling een einde gekomen.

9.3 Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing

Met ingang van 1 januari 2020 dient een werkgever de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar is uiterlijk aan te geven tegelijk met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Dit geeft werkgevers meer tijd om de verschuldigde eindheffing in verband met overschrijding van de vrije ruimte vast te stellen.

9.4 Waarde producten uit eigen bedrijf

Voor branche-eigen producten bestaat een gerichte vrijstelling tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer, met een maximum van € 500 per jaar.

Om de bepaling van de waarde van het product uit het eigen bedrijf in lijn te brengen met de kortingsregeling, geldt per 1 januari 2020 dat hiervoor de waarde van de producten uit eigen bedrijf dient te worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer.

Informatie

  • Fiscaal: Overig
  • 1 uur
  • EQF 7
  • 1 PE punt(en)
  • Woensdag 11 december 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Premium PE Online artikelen zijn voor Members Life Event Advisor

Wil je deze PE artikelen ook lezen?
Word dan Member!

Bekijk Memberships