Eerste Kamer akkoord met wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Op 12 januari jl. heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel ‘Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen’ met algemene stemmen aangenomen. De invoering laat echter nog een jaar op zich wachten en is pas op 1 januari 2023 voorzien.

Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het pensioenakkoord en biedt meer ruimte voor keuzevrijheid.

Versoepeling vervroegde uittreding

Werkgevers wordt de mogelijkheid geboden om met oudere werknemers afspraken te maken over eerder stoppen met werken, zonder dat in de periode 2021 t/m 2025 een RVU-heffing betaald moet worden. RVU-uitkering is beperkt tot een (gebruteerd) bedrag ter hoogte van de netto AOW. Voorwaarde is dat uittreding in de laatste drie jaar vóór het bereiken van de AOW-leeftijd moet plaatsvinden. Ogen werknemers als het ware maximaal 3 jaar eerder AOW, bekostigd door de werkgever. 

Verruiming verlofsparen

Een andere manier om eerder te stoppen met werken is verlofsparen. Het aantal weken belastingvrij verlofsparen wordt verdubbeld. Overwerk of ploegendiensten kunnen (deels) worden beloond met extra verlof. Door de verdubbeling, een verhoging van de grens van 50 naar 100 verlofweken, krijgen werknemers meer mogelijkheden om eerder te stoppen met werken of tussentijds langere periodes niet te werken.

De vrijstelling van de RVU-heffing en de verruiming van het verlofsparen treden met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2021.

Bedrag ineens

Deelnemers aan een pensioenregeling krijgen bij pensionering het recht om maximaal 10% van de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen als vrij besteedbaar bedrag ineens op te nemen. Het resterende pensioenkapitaal wordt vervolgens herrekend naar een nieuwe periodieke uitkering.

Aanvankelijk kon het ‘bedrag ineens’ uitsluitend op één moment tot uitkering komen. Uit analyse is gebleken dat hierdoor grote verschillen in belastingdruk kunnen ontstaan, vanwege het verschil in belastingtarief en heffingskortingen vóór en vanaf de AOW-leeftijd. Vandaar dat een tweede uitkeringsmoment, in februari volgend op het jaar waarin de AOW-datum wordt bereikt, is toegevoegd.

Uitvoerbaarheid

Deze laatste keuzemogelijkheid heeft voor wat betreft de uitvoering voor pensioenuitvoerders nog wel wat voeten in aarde. Vandaar dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is uitgesteld tot 1 januari 2023, zodat pensioenuitvoerders voldoende de tijd hebben de uitvoering van het uitkeren van het bedrag ineens op 2 momenten in goede banen te leiden.

Informatie

  • Toekomstvoorzieningen, Pensioen, Pensioen Algemeen, Flexibilisering
  • Woensdag 13 januari 2021