Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Eigen woning: fiscale aspecten bij echtscheiding

Bijna 40% van de huwelijken strandde de afgelopen jaren in een echtscheiding, terwijl dat percentage in de jaren 70 nog op zo’n 15% lag (CBS 2019). Landelijk gezien heeft bijna 60% van de huishoudens een eigen woning. Dat betekent dat er een zeer grote kans is dat er bij een scheiding een eigen woning is betrokken. In deze module worden de fiscale aspecten van (echt)scheiding in relatie tot de eigen woning behandeld.

1.0 Wettelijke inbedding

Er komen situaties voor waarbij een belastingplichtige de eigenaar is van meerdere woningen (artikel 3.111 Wet IB 2001). Een van die woningen is dan geen hoofdverblijf (meer). Denk hierbij aan koop van een woning, echtscheiding of uitzending naar het buitenland. Die woning zou, volgens de hoofdregel uit artikel 3.111 lid 1 Wet IB 2001 geen eigen woning meer zijn. De wetgever vindt dit onwenselijk en heeft, onder bepaalde voorwaarden, in een limitatief aantal situaties bepaald dat er toch sprake is van een eigen woning (leden 2 t/m 6, zie externe links). Het gaat om de volgende situaties:

  • Een woning staat te koop en is al verlaten (tweede lid)
  • Er is een woning gekocht, maar nog niet betrokken (derde lid)
  • Fiscale partners gaan uit elkaar (vierde lid)
  • Een van de fiscale partners wordt opgenomen in een zorginstelling (vijfde lid)
  • Belastingplichtige wordt uitgezonden en houdt zijn woning in Nederland aan (zesde lid)

In deze module wordt alleen artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 behandeld (fiscale partners gaan uit elkaar).

2.0 Het begrip eigen woning

Als er bij een scheiding een eigen woning aanwezig is, kan de vermogensrechtelijke positie met betrekking tot de echtelijke woning bij die scheiding zeer verschillend zijn. Dit is afhankelijk van de wijze van samenwonen, wie van de echtgenoten de eigenaar is van de woning en wie van hen de eigenwoningrente betaalt.

Zolang de vermogensrechtelijke positie van de ex-partners nog niet is geregeld, blijft het onduidelijk of de rente voor de aanschaf van de eigen woning aftrekbaar is en bij wie (eventueel als alimentatie). Om deze redenen is artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 geschreven. Woningen die onder het vierde lid vallen hebben als voordeel dat de financieringslasten ook aftrekbaar blijven. Er zijn wel voorwaarden aan de toepassing van dit lid verbonden.

  1. De woning blijft voor een beperkte periode als eigen woning aangemerkt. Deze situatie geldt hooguit voor twee jaar (24 maanden) nadat de woning door de belastingplichtige is verlaten
  2. De woning moet de gewezen partner (ex-partner) anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan. Onder gewezen partner valt ook de duurzaam gescheiden levende echtgenoot

De regeling geldt ook voor samenwoners die hun samenwoning verbreken.

Voorwaarde 1: voormalig gemeenschappelijk hoofdverblijf

De uitbreiding van de eigenwoningregeling geldt uitsluitend voor het voormalig gemeenschappelijk hoofdverblijf. De uitbreiding is niet van toepassing op de woning die, na de scheiding, is gekocht voor de ex-partner.

Als na de 24-maandsperiode (2 jaar) de woning nog niet is toegedeeld aan de achterblijvende partner of is verkocht, wordt, voor de vertrekkende partner(s), (het deel van) de voormalig gemeenschappelijke woning gerekend tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3). De termijn van 24 maanden kan in bijzondere situaties worden opgerekt. De vertraging moet dan wel worden veroorzaakt door de Belastingdienst.

Het is van belang wie, economisch gezien, alle kosten en lasten voor zijn rekening neemt. In de situatie dat de echtgenote met de kinderen in de woning blijft wonen en alle kosten en lasten (zie voor de verdere uitwerking van dit begrip hoofdstuk 3) voor haar rekening neemt, is erv sprake van een eigen woning. Het feit dat de woning pas later, via de boedelscheiding, aan haar wordt toegedeeld is niet relevant (Hof Amsterdam 29 maart 2012, nr. 10/00106, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW0614, zie externe links).

Huwelijkse goederenregime

Het huwelijkse goederenregime is steeds van belang om te bepalen of er sprake is van een eigen woning. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen gehuwd zijn in gemeenschap van goederen en op huwelijkse voorwaarden.

Bij gemeenschap van goederen zijn beide partners gemeenschappelijk eigenaar. Zodra een van hen de woning verlaat moeten zij elk 50% van het eigenwoningforfait aangeven. Doordat de vertrekkende partner de achterblijvende partner in het huis laat wonen, kan de vertrekkende partner het bedrag aan eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie. Dit is onderdeel van de persoonsgebonden aftrek (artikel 6.3  lid 2 Wet IB 2001).

Voor huwelijkse voorwaarden geldt vaak hetzelfde. Partners kunnen via de voorwaarden of via de wijze van aankoop (in onverdeeld eigendom) voor beiden (50%) eigenaar van de woning zijn.

Voorbeeld 1

X pakt op 1 oktober zijn biezen en verlaat de echtelijke woning. X en Y zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. X geeft 50% van het eigenwoningforfait aan. Doordat hij Y (met eventuele kinderen) in de woning laat wonen kan hij de 50% direct weer als alimentatie aftrekken.

Y geeft ook 50% van het eigenwoningforfait op en daarnaast geniet zij (belaste) alimentatie van 50% van het eigenwoningforfait. Per saldo geeft X dus niets aan en Y 100% van het eigenwoningforfait.

Voorbeeld 2

X en Y zijn nu onder huwelijkse voorwaarden getrouwd dan wel hebben de woning samen in onverdeeld eigendom gekocht.

Als X en Y elk voor 50% eigenaar zijn, is de uitwerking exact hetzelfde als in voorbeeld 1.

Een van de partners is eigenaar

In beginsel werkt hier dezelfde problematiek als bij gemeenschappelijk eigendom. Eerst moet worden bepaald wie de eigenaar is van de woning. De eigenaar dient 100% van het eigenwoningforfait aan te geven.

Voorbeeld 3

X en Y zijn nu onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Als X eigenaar is, geeft hij 100% van het forfait aan en kan hij 100% weer als alimentatie aftrekken. In dat geval geeft Y 100% van het forfait (als alimentatie) aan (artikel 3.101 lid 2 Wet IB 2001). Als Y eigenaar is, geldt voor haar gewoon de hoofdregel. Zij is immers eigenaar en de woning is haar hoofdverblijf. Y geeft dus 100% van het eigenwoningforfait aan en X geeft niets aan.

Voorwaarde 2: gewezen partner

De tweede voorwaarde voor toepassing van de ‘echtscheidingsregeling’ is dat de woning ter beschikking blijft staan aan de 'gewezen partner'. Bepalend hierbij is of de belastingplichtigen in een voorgaande periode elkaars fiscale partner waren in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001. Door het gebruik van de term 'partner' is artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 ook van toepassing op ongehuwd samenwonenden.

Voor de bepaling of sprake is van fiscale partners wordt aangesloten bij de begrippen partner uit artikel 5a AWR juncto artikel 1.2 Wet IB 2001. Op het moment dat echtelieden niet meer samenwonen en een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed hebben ingediend, vervalt vanaf dat moment ook het fiscaal partnerschap. In dat jaar kunnen zij echter nog wel kiezen om inkomensbestanddelen aan elkaar toe te delen (artikel 2.17 lid 7 Wet IB 2001).

Om de duurzaam gescheiden levende echtgenoot toch in alle gevallen onder de werkingssfeer van artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 te houden, is bepaald dat voor de toepassing van de echtscheidingsregeling onder ‘gewezen partner’ mede wordt verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

Voorbeeld 4

X en Y wonen samen sinds 5 januari 2010. Zij gaan uit elkaar op 28 november 2010. X en Y kiezen voor 2010 voor fiscaal partnerschap in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001. Omdat X en Y een deel van 2010 waren aan te merken als elkaars fiscaal partner, zijn zij vanaf 28 november 2010 aan te merken als elkaars gewezen partner in de zin van de Wet IB 2001.

Het maakt niet uit onder welke voorwaarden de ex-partner, die in de woning blijft wonen, de woning gebruikt. De echtscheidingsregeling geldt daardoor ook als de vertrekkende partner-eigenaar de voormalige eigen woning verhuurt aan de ex-partner. In dit geval geldt niet de tijdelijke verhuurregeling van artikel 3.111 lid 7 Wet IB 2001 en artikel 3.113 Wet IB 2001 [Besluit van 24 november 2009, onderdeel 4, nr. CPP2009/2342M, zie externe links]. De tijdelijke verhuurregeling is namelijk alleen van toepassing als de eigen woning het hoofdverblijf is. In dit geval heeft de vertrekkende ex-partner zijn hoofdverblijf verplaatst naar elders.

Voor de renteaftrek geldt als uitgangspunt dat de betaalde hypotheekrente niet hoeft te worden gesaldeerd met de huur. Ondanks de huurbetaling blijft de eigenwoningrente drukken op de vertrekker. Huur is in het algemeen immers geen (directe) vergoeding voor de betaalde rente, maar een vergoeding voor het gebruik van de woning.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

3.0 Bepaling eigenwoningschuld (art. 3.119a Wet IB 2001)

Wil er na een scheiding sprake zijn van een eigenwoningschuld dan moet er worden voldaan aan de eisen van art. 3.119a Wet IB 2001. Dat betekent, in het kader van scheiding, het volgende:

  1. Er moet een causaal verband zijn tussen de verwerving en de financiering van de woning
  2. Op schulden vanaf 1 januari 2013 moet minimaal annuïtair in 360 maanden worden afgelost
  3. Er moet rekening worden gehouden met een eventuele eigenwoningreserve

Eis 1: causaal verband tussen aankoop en financiering

Is er sprake van (economisch) eigendom

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de verwervende ex-partner het volledige (economische) eigendom van het aangekochte deel heeft. Dit betekent, dat de waardestijgingen en -dalingen op eigen woning voor rekening van de verwervende ex-partner zijn. Daarnaast moet de verwervende ex-partner alle overige lasten dragen. In dat geval vindt er verwerving van een deel van de woning plaats, waardoor de financieringskosten aftrekbaar kunnen zijn.

Aankoop van de ex-partner

De financiering van de overname van een deel van de eigen woning van de ex-partner zal in veel gevallen leiden tot een eigenwoningschuld. Dit geldt ook als de woning in het kader van de boedelverdeling is toegewezen aan de partner die daardoor is overbedeeld. De overbedelingsschuld kan in beginsel worden aangemerkt als een eigenwoningschuld, voor zover die overbedeling betrekking heeft op de eigen woning. De overbedelingsschuld moet wel naar evenredigheid worden toegerekend aan de verkregen activa uit de boedel.

Voorbeeld 5

X en Y bezitten een woning die op het moment van verdeling van de huwelijkse boedel een waarde heeft van € 250 000. De eigenwoningschuld bedraagt € 150 000. Naast de woning zijn er nog andere vermogensbestanddelen ter waarde van € 50 000. De waarde van de te verdelen boedel is daardoor € 150 000 (bezittingen minus schuld). Stel dat alleen de andere vermogensbestanddelen (€ 50 000) aan X worden toegewezen. Als Y het huis krijgt toegewezen, heeft zij een overbedelingsschuld van

€ 25 000. Deze schuld (aan X) is een box 1 schuld. Als Y voor dit bedrag een lening bij de bank afsluit, bedraagt haar eigenwoningschuld € 175 000. De eigenwoningreserve van X is dan € 50 000 (50% van € 250 000 -/- € 150 000).

Als iemand vooruitlopend op de definitieve boedelverdeling alvast een lening aangaat om het aandeel van de ex-partner over te nemen, is die lening (nog) geen eigenwoningschuld. Dat wordt deze pas op het moment dat de scheiding is afgewikkeld en de boedel is verdeeld. Vóór de boedelafwikkeling is de ex-partner immers nog (deels) eigenaar van de woning.

Aflossingseis

Een woning kan oorspronkelijk zijn gefinancierd met een aflossingsvrije lening. In de meeste situaties is de achterblijvende partner 50% eigenaar van de woning. Als er een aflossingsvrije lening (van voor 31 december 2012) was, kan de achterblijvende partner dat deel aflossingsvrij blijven financieren. De van de ex-partner verworven 50% van de woning is echter na 1 januari 2013 verkregen en gefinancierd. Dat betekent dat er voor dit deel aan de aflossingseisen van artikel 3.119a Wet IB 2001 moet worden voldaan: minimaal annuïtair in 360 maanden aflossen. Als dat niet gebeurt, is er voor deze 50% geen sprake is van een eigenwoningschuld, maar van een schuld in box 3.

De ex-partner die geen eigenaar is, deelt toch mee in de waardeverandering van de woning

Een ex-partner die geen eigenaar was van de woning deelt soms toch mee in de waardeverandering van de woning. Dit kan verplicht zijn, omdat het in de samenlevingsovereenkomst of in de huwelijkse voorwaarden zo is bepaald. Ook kan het onverplicht zijn. Bijvoorbeeld: de 100%-eigenaar die zijn ex-partner 50% gunt van de waardestijging van de woning over de periode dat zij daarin hebben samengewoond.

De lening om een ex-partner, die geen eigenaar is, uit te betalen is geen eigenwoningschuld. Het aandeel in de waardestijging wordt immers niet uitbetaald in verband met de verwerving van de eigen woning. De uitbetaling aan de ex-partner leidt niet tot een verwerving van (een deel van) de woning. Ook is er geen sprake van een betaling voor onderhoud of verbetering van de woning. Dit is alleen anders als de ex-partner kosten van onderhoud of verbetering heeft betaald voor de eigenaar en een regresrecht heeft voor die kosten. In de meeste gevallen zal een dergelijk regresrecht echter al zijn verwerkt. Bijvoorbeeld omdat het is gecompenseerd met andere kosten van de gezamenlijke huishouding.

Eis 2: op schulden vanaf 1 januari 2013 moet minimaal annuïtair in 360 maanden worden afgelost

Bij veel scheidingen zullen nog zogenoemde aflossingsvrije leningen een rol spelen. In die situaties zal de financiering van de aankoop va de ex-partner onder andere moeten voldoen aan de aflossingseis en de maximale looptijd van 360 maanden. In veel gevallen is de financiering voor de overnemer een nieuwe financiering, waardoor er een looptijd van 360 maanden mogelijk is. De oude aflossingsvrije financiering blijft voor de helft bij de overnemer gewoon doorlopen.

De vertrekkende partner kan zijn helft meenemen en eventueel gebruiken bij de aankoop van een nieuwe woning. Bedenk wel dat de looptijd van dertig jaar al deels is verstreken (artikel 3.119a lid 7 Wet IB 2001).

Een eenmaal gestart aflossingsschema van een eigenwoningschuld moet worden voortgezet door de belastingplichtige voor zijn eigenwoningschuld. Artikel 3.119c lid 6 Wet IB 2001 bevat daarom de regel dat de aflossingseis rust op de belastingplichtige voor zijn eigenwoningschuld.

Voorbeeld 6 (aftrekbare kosten ter zake van eigen woning)

A heeft een eigen woning waarvoor hij een schuld is aangegaan. A is in 2015 met B in gemeenschap van goederen gehuwd, waardoor B de economische eigendom van de helft van de woning en van de schuld verkrijgt onder algemene titel.

A en B dienen in 2020 een verzoek tot echtscheiding in en gaan ieder in een huurwoning wonen terwijl de oude woning leeg te koop staat, waardoor zij vanaf dat moment geen partner meer zijn van elkaar. A en B kunnen ieder de helft van de aftrekbare kosten in aanmerking nemen.

Voor de fiscale behandeling van de eigen woning moet een eenmaal gestart aflossingsschema voor een tot de eigenwoningschuld behorende schuld worden voortgezet door de belastingplichtige voor diens aandeel in die schuld (artikel 3.119aa lid 5 Wet IB 2001). Datzelfde geldt voor de eigenwoningreserve en aflossingsstand (zie verder onder de paragrafen eigenwoningreserve en aflossingsstand).

Van ex-partner overgenomen financiering voldoet niet aan de aflossingseis

Indien van de ex-partner (na 1 januari 2013) het aandeel van de eigen woning wordt overgenomen, moet de financiering aan de aflossingseis voldoen. Gebeurt dit niet, dan diskwalificeert de schuld als eigenwoningschuld en valt daarmee onder de spelregels van box 3 (Hof Den Haag van 17 december 2019 BK-19/00427, ECLI:NL:GHDHA:2019:3402, zie externe links).

Eis 3: er moet rekening worden gehouden met een eventuele eigenwoningreserve

Wanneer een eigen woning wordt verkocht met een positief verschil tussen de opbrengst en de eigenwoningschuld ontstaat er een eigenwoningreserve (hierna: ewr). De ewr kan de renteaftrek voor de eigen woning in box 1 beperken. De beperking van de renteaftrek als gevolg van een ewr staat bekend als de bijleenregeling (artikel 3.119aa Wet IB 2001).

De belastingplichtige krijgt te maken met een beperking van de renteaftrek als hij/zij:

  • De oude woning met overwaarde verkoopt en
  • Binnen drie jaar een nieuwe woning koopt

De overwaarde van de woning is het verschil tussen de verkoopwaarde en de eigenwoningschuld. Eventueel gemaakte kosten bij de verkoop komen op de verkoopwaarde in mindering. Bij een echtscheiding wordt de eigen woning vrijwel altijd (deels) verkocht. Dit kan aan een derde zijn of de achterblijvende partner koopt het aandeel van de vertrekkende partner. Op dat moment ontstaat er een ewr bij de vertrekkende partner.

Een derde mogelijkheid is de situatie dat de woning na de termijn van 24 maanden naar box 3 verhuist. Dan is er sprake van een fictieve vervreemding en daarmee ontstaat er ook een ewr.

Verdeling naar rato gerechtigheid

Als de gemeenschappelijke eigen woning wordt verkocht bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap ontstaat voor beide ex-partners een vervreemdingssaldo en daarmee een ewr naar rato van hun feitelijke gerechtigdheid.

Ingeval één van de voormalige echtgenoten in de woning blijft wonen en de andere de woning verlaat ontstaat bij de vertrekkende persoon een vervreemdingssaldo en daarmee een ewr ten bedrage van de helft van de waarde van de woning verminderd met de helft van de resterende eigenwoningschuld.

Voorbeeld 7

A en B wonen samen en hebben een samenlevingscontract. De woning en de daarop gevestigde schuld zijn van A. A en B gaan uit elkaar. A verkoopt de woning en verhuist naar een goedkopere koopwoning. B verhuist naar een huurwoning.

Bij de verkoop bedraagt het vervreemdingssaldo (bijvoorbeeld) € 50 000. A heeft door de vervreemding een ewr van € 50 000, die in mindering gebracht moet worden op de aankoopprijs van de nieuwe woning. B heeft geen ewr.

Voorbeeld 8

Een echtpaar dat in gemeenschap van goederen is getrouwd gaat scheiden. Als de vrouw in de woning blijft wonen en het deel van de man koopt ontstaat er een ewr bij de man. Indien de waarde van de woning € 300 000 bedraagt en de totale eigenwoningschuld € 200 000, zal de ewr voor de man € 50 000 bedragen (artikel 3.119aa lid 5 Wet IB 2001).

De partner die in de eigen woning achterblijft, behaalt geen vervreemdingssaldo op het deel van de eigen woning dat al in bezit was en heeft daarmee geen ewr. Voor het deel dat van de vertrekkende partner wordt gekocht, kan een eigenwoningschuld worden aangaan. De rente is geheel aftrekbaar is, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.119a Wet IB 2001 (aflossingseis).
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

4.0 Samenloop echtscheidingsregeling en verhuisregeling

Een bijzondere situatie doet zich voor als op een echtscheiding een periode van ‘te koop staan’ volgt. Denk hierbij aan de situatie dat een echtpaar gescheiden gaat leven. Stel dat de man verhuist, terwijl de woning, waar de vrouw (met kinderen) achterblijft, op zijn naam staat. De vrouw en de kinderen verhuizen na 18 maanden. De woning wordt vervolgens te koop gezet. De woning wordt 8 maanden later verkocht.

De minister van Wonen heeft toegezegd, dat de verhuisregeling geldt, zolang is voldaan aan de termijn van de te koop staande woningen. Deze termijn begint (al) te lopen op het moment dat de man de woning verlaat. Deze regeling werkt ook als de verhuizing van de achterblijvende echtgenoot pas na 24 maanden plaatsvindt. De woning is voor de vertrekkende partner dan even onderdeel van zijn box 3 vermogen, maar zodra de woning leeg is en te koop staat, ‘verhuist’ deze woning weer terug naar box 1 (verhuisregeling).

5.0 Aflossingsstand

Een van de uitgangspunten in de wetgeving (sinds 1 januari 2013) is dat de gebruikte aflossingsperiode nimmer verloren gaat. Bij verhuizingen naar een goedkopere woning of naar een woning die geen eigen woning is (bijvoorbeeld een huurwoning) kan er een zogenoemde aflossingsstand ontstaan (artikel 3.119d Wet IB 2001). Met de aflossingsstand wordt vastgelegd welk deel van de nieuwe eigenwoningschuld, met het aflossingsschema uit de oude woning moet worden voortgezet. Zodra vanuit de goedkopere woning of de huurwoning weer een duurdere woning wordt gekocht, moet rekening worden gehouden met deze aflossingsstand.

Voorbeeld 9

Xander en Bea hebben een annuïtaire hypotheek en een gemeenschappelijke woning van € 200.000. Na exact 5 jaar (60 maanden) besluiten zij uit elkaar te gaan en verkopen zij de woning voor € 220.000. De eigen woningschuld (ews) bedraagt

€ 180.000. De eigenwoningreserve (ewr) bedraagt € 220.000 -/- € 180.000 = € 40.000. Vervolgens gaan beiden huren. De aflossingsstand voor beiden wordt dan vastgesteld op € 90.000 met een looptijd van 25 jaar. Met ander woorden elk kan bij de volgende eigen woning over de eerste € 90.000 van de financiering nog 25 jaar rente aftrekken.

Daarnaast hebben zij beiden een ewr van € 20.000. Deze vervalt na drie jaar.

Bij scheiding komt de aflossingsstand aan elk van de partners toe naar het percentage van hun eigendom van de betreffende eigen woning. Een aflossingsstand gaat nooit verloren. Dit in tegenstelling tot de ewr.

6.0 Eigenwoningforfait

Voor de bepaling van het eigenwoningforfait is het van belang wie er eigenaar is van de woning. In veel gevallen zijn beide partners dat. In die situatie geeft de achterblijvende partner 50% van het eigenwoningforfait aan. De vertrekkende partner doet dat ook, maar kan dit forfait vaak weer aftrekken als persoonsgebonden aftrek (artikel 6.3 lid 2 Wet IB 2001).

7.0 Kapitaalverzekeringen

Er zijn verschillende typen kapitaalverzekeringen die allemaal de bedoeling hebben om een eigenwoningschuld af te lossen. De belangrijkste onderverdeling is die tussen verzekeringen die voor 2001 zijn afgesloten en die tussen 2001 en 31 december 2012 zijn afgesloten. Sinds 1 januari 2013 zijn er geen fiscale voordelen meer, zodat kapitaalverzekeringen sinds die datum nog zelden worden afgesloten.

Naast de kapitaalverzekering eigen woning (kew) bestond er ook (tot en met 31 december 2012) een spaarrekening eigenwoning (sew) en een beleggingsrecht eigenwoning (bew). Voor al deze producten geldt overgangsrecht, wat betekent dat de fiscale spelregels voor deze producten zijn blijven gelden. Alles wat hierna over de kew wordt geschreven geldt ook voor de sew en de bew.

Er wordt een aantal voorwaarden gesteld om een kapitaalverzekering aan te merken als kew (of sew of bew). De voorwaarden zijn gericht op een direct verband tussen de verzekering en de eigen woning die hoofdverblijf is en worden in deze module niet verder besproken.

De kew kan op elk willekeurig moment worden afgekocht. De uitkering moet wel worden aangewend om de eigenwoningschuld af te lossen. Is er geen of onvoldoende eigenwoningschuld, dan wordt het rentebestanddeel in het meerdere in box 1 belast.

Het is bij echtscheiding of bij het verbreken van fiscaal partnerschap mogelijk deze verzekeringen tussentijds af te kopen. Dat geldt ook voor de verzekeringen van voor 2001.

Instandhouding polis

Indien bij echtscheiding het gewenst is een bestaande kew te behouden, is het mogelijk één kew in twee kew’s om te zetten. Bij een verdeling van de kew dient de toerekening van de in het verleden voldane premies plaats te vinden naar rato van de waarden van de twee nieuwe kew’s op het tijdstip van het ontstaan daarvan (de omzettingswaarden). De twee nieuwe kew’s worden geacht een voortzetting te zijn van de eerste.

Naast het splitsen van de kew in twee nieuwe kew-polissen kan ook een van beide partners de kew-polis houden en de andere partner uitkopen. Het is immers toegestaan dat de verzekerde en de verzekeringnemer de belastingplichtige zelf of diens (ex-)partner is.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • 1 uur
  • EQF 7
  • 1 PE punt(en)
  • Dinsdag 18 februari 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Premium PE Online artikelen zijn voor Members Life Event Advisor

Wil je deze PE artikelen ook lezen?
Word dan Member!

Bekijk Memberships