Geen bewijs voor buitenlands vermogen erflaatster

Hof Den Bosch heeft op 9 januari 2020 uitspraak gedaan of de inspecteur terecht een navorderingsaanslag successierecht heeft opgelegd in verband met vermoedelijk buitenlands vermogen bij erflaatster.

In 2002 is een zus van belanghebbende overleden. Zij heeft belanghebbende en zijn drie andere zussen als erfgenamen benoemd. Belanghebbende is gerechtigd tot 1/5de gedeelte van de nalatenschap. Een zus van belanghebbende is aangewezen als executeur-testamentair. Aan belanghebbende is in 2003 een aanslag successierecht opgelegd. 

 

In 2014 heeft de executeur-testamentair verklaard dat zij gerechtigd is (geweest) tot niet eerder aangegeven buitenlandse inkomens- en/of vermogensbestanddelen. Het betreft hier buitenlands vermogen, dat in de jaren ‘90 is verkregen uit een erfenis van haar moeder.

 

Aan belanghebbende is vervolgens een navorderingsaanslag successierecht opgelegd voor zijn aandeel in de nalatenschap van zijn overleden zus, omdat het door haar van haar moeder geërfde buitenlandse vermogen vererft onder belanghebbende en zijn zussen. Volgens belanghebbende heeft zijn overleden zus echter al voor haar overlijden het saldo op de buitenlandse rekening geschonken aan haar zusters met uitsluiting van belanghebbende.

 

Hof Den Bosch overweegt dat op de inspecteur de bewijslast rust voor de juistheid van de navorderingsaanslag. Het hof oordeelt dat de inspecteur, in het licht bezien van wat belanghebbende heeft gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat tot het vermogen van de overleden zus ten tijde van haar overlijden, buitenlands vermogen behoorde. Daarmee vervalt de grond voor de navorderingsaanslag.

Informatie

  • Internationaal, Fiscaal: Successiewet
  • Dinsdag 14 januari 2020