Geen ondernemerschap AWBZ-zorgverleenster

Een belastingplichtige verricht voor drie zorginstellingen zorgtaken. De AWBZ financiert de kosten van de verleende zorg alleen als die wordt verleend door een daartoe aangewezen zorginstelling. Niet de zorgvragende personen, maar de zorgaanbieders zijn daarom opdrachtgever geweest. De eindverantwoordeljikheid voor die zorg is bij de instellingen gebleven. Die heeft een vakinhoudelijke en organisatorische instructiebevoegdheid. Dat daarbij sprake is van een grote autonomie bij belastingplichtige doet daar niet aan af. Belastingplichtige kan zich niet zomaar laten vervangen door een ander. De werkzaamheden zijn daarom via bemiddeling verricht en niet voor eigen rekening en risico.

De redenatie van het Hof is best te volgen, maar lijkt onvoldoende rekening er mee te houden dat belastingplichtige de zorgaanbieders als opdrachtgevers tegen elkaar uit kan spelen voor de inzet van haar diensten. De instructiebevoegdheid sec is ook een onvoldoende onderbouwing nu deze ook gebaseerd is op medische en hygiënische uitgangpunten. Die zijn al universeel en behoeven nu eenmaal altijd wat standaardisatie. Iedere inlener houdt verder de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van opdrachten richting eigen afnemers bij de inhuur van 'onderaannemers'. De financieringsstroom is voor de beoordeling van het ondernemerschap ook niet relevant. Als eenmaal werk is verricht dan had belastingplichtige immers recht op een honorarium ook als de zorginstelling geen AWBZ-financiering had gekregen. Deze problematiek verdient dus nadere aandacht hopelijk in een vergelijkbare casus die nog eens wordt voorgelegd.

 

 

 

Informatie

  • Algemeen, De zelfstandig ondernemer
  • Maandag 28 augustus 2017