Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Geen redenen voor vestiging verzorgingsvruchtgebruik

Ongeacht wat een erflater heeft bepaald, komen aan de langstlevende echtgenoot een aantal wettelijke rechten toe die betrekking hebben op het verzorgd achterlaten (afdeling 4.3.2 BW). Een van deze rechten is het zogenoemde verzorgingsvruchtgebruik (artikel 4:29 en 4:30 BW).

Voor het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW is nodig dat de langstlevende aannemelijk maakt dat er een verzorgingsbehoefte bestaat.

Hof Den Haag heeft op 29 januari 2020 in een zaak geoordeeld of een langstlevende de verzorgingsbehoefte heeft aangetoond.

De werking en toepassing van artikel 4:29 en 4:30 BW

Artikel 4:29 en 4:30 BW bieden de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om van de erfgenamen (of legatarissen) te verlangen dat zij bepaalde nalatenschapsgoederen aan de langstlevende echtgenoot in vruchtgebruik geven.

Artikel 4:29 BW betreft het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel waarin de langstlevende echtgenoot heeft gewoond tot het overlijden van erflater. De erfgenamen zijn verplicht hier aan mee te werken.

De erfgenamen zijn verder verplicht mee te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot op andere goederen van de nalatenschap van de erflater dan de woning en inboedel (artikel 4:30 BW).

Voor beide artikelen is de verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot maatgevend.

De verzorgingsbehoefte van de echtgenoot hoeft bij het vestigen van een vruchtgebruik op de woning en inboedel niet aan de orde te komen, omdat ervan wordt uitgegaan dat de echtgenoot voor zijn of haar verzorging aan dit vruchtgebruik in de meerderheid van de gevallen wel behoefte zal hebben. Willen de erfgenamen deze verzorgingsbehoefte toch aan de orde stellen, dan kunnen zij een beroep doen op artikel 4:33 lid 2 BW. In lid 5 van artikel 4:33 BW staan criteria waarmee de kantonrechter bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening houdt:

 

  • De leeftijd van de echtgenoot
  • De samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort
  • De mogelijkheid van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen
  • Hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd

Voor de omvang van de verzorgingsbehoefte kan er van uit worden gegaan dat de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken op een passende voorziening. Dit is niet hetzelfde als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen voort te zetten. Het gaat hier om een vangnet voor het geval, door een erflater of anderszins, onvoldoende in de verzorging van diens echtgenoot is voorzien. De omvang kan in elk concreet geval verschillen, waarbij de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt kunnen vormen.

Uitspraak Hof Den Haag van 29 januari 2020

Casus

Erflater is op 4 september 2018 overleden. Hij was bij zijn overlijden getrouwd op huwelijkse voorwaarden, waarin de gemeenschap van goederen was uitgesloten. In zijn testament van 2 juni 2018 heeft erflater zijn broer tot enig erfgenaam benoemd. In het testament heeft hij het recht van gebruik van de eigen woning en de inboedel gelegateerd aan zijn echtgenoot.

De broer van erflater heeft de kantonrechter gevraagd om opheffing van zijn verplichting tot het meewerken aan het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4:29 en 4:30 BW op de in het testament genoemde woning. De kantonrechter heeft de verplichting van de broer tot medewerking aan het vestigen van het vruchtgebruik opgeheven.

Volgens de echtgenoot heeft de kantonrechter echter ten onrechte geoordeeld, dat hij voor zijn verzorging geen behoefte heeft aan het vestigen van vruchtgebruik. De echtgenoot betwist verder het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van zijn verdiencapaciteit.

Overwegingen en oordeel Hof Den Haag

Evenals de kantonrechter oordeelt Hof Den Haag dat de echtgenoot voor zijn verzorging geen behoefte heeft aan het vestigen van een vruchtgebruik. Voor de bepaling van de behoefte van de echtgenoot aan een verzorgingsvruchtgebruik is het (gezamenlijke) inkomen ten tijde van het huwelijk niet zonder meer beslissend. Hij kan geen aanspraak maken op voortzetting van het leefpatroon dat hij voorheen met erflater had.

Wel kan aansluiting worden gezocht bij de regels voor het bepalen van levensonderhoud na een huwelijk, waarbij het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk bij het bepalen van de behoefte een rol speelt. Het hof gaat hierbij uit van een bij het vaststellen van partneralimentatie veelal gehanteerde vuistregel (de zogenaamde hof-norm). Dit betekent dat de behoefte wordt gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen.

Volgens het hof blijkt uit de (belasting)stukken en het verhandelde ter zitting dat het netto gezinsinkomen bij leven van erflater tussen de € 2.100 en € 2.500 per maand bedroeg. Vast staat dat de echtgenoot levenslang een partnerpensioen ontvangt van   € 1.678,22 bruto per maand. Dit betekent, dat wanneer wordt uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 2.500 per maand x 60 % van het gezamenlijk gezinsinkomen =  € 1.500 minus een nettopensioen van ongeveer € 1.200, er een aanvullende behoefte resteert van € 300 netto per maand.

Het hof oordeelt dat de echtgenoot zelf in deze aanvullende behoefte moet kunnen voorzien. Het hof baseert zich hierbij op de verklaring van de echtgenoot dat hij af en toe gedurende twee of drie dagen per week als keukenhulp bij een restaurant werkt op basis van een nulurencontract. Verder is het hof gebleken dat de echtgenoot gezond van lijf en leden is, dat hij 46 jaar is, dat hij geen kinderen heeft om voor te zorgen en dat hij al sinds 2005 in Nederland woont. Dat hij ervoor heeft gekozen om niet te solliciteren voor een andere baan moet voor zijn rekening en risico blijven. 

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de echtgenoot onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor zijn verzorging behoefte heeft aan de vestiging van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW en artikel 4:30 BW.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Recht: Huwelijksvermogens- en erfrecht
  • EQF 7
  • Maandag 2 maart 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships