Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Geërfd ODV-recht omzetten in (nabestaanden)lijfrente door erfgenaam

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft op 23 november jl. een nieuwe versie van V&A 20-008 gepubliceerd. Hiermee verduidelijkt het CAP dat een erfgenaam van een overleden ODV-gerechtigde het verkregen recht op ODV-termijnen NIET kan aanwenden voor een direct ingaande tijdelijke nabestaandenlijfrente ten behoeve van zichzelf.

Artikel 38p Wet LB 1964 bepaalt hoe een in het kader van de wet uitfasering pensioen in eigen beheer in een Oudedagsverplichting (ODV) omgezette pensioenverplichting moet worden behandeld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de fiscale behandeling van de ODV zolang de gerechtigde nog in leven is en bij overlijden van de gerechtigde. In het tweede geval zijn er 2 smaken:

  • Als het overlijden van de gerechtigde plaatsvindt voordat de ODV-termijnen zijn ingegaan, gaat het recht op de ODV-termijnen over op de erfgenamen (natuurlijke personen). De ODV-termijnen moeten binnen 12 maanden na het overlijden worden uitgekeerd gedurende een periode van 20 jaar (artikel 38p, lid 2 onderdeel b Wet LB 1964)
  • Als het overlijden van de gerechtigde plaatsvindt terwijl de ODV-uitkeringen van de gerechtigde al zijn ingegaan, gaat het recht op de nog uit te keren ODV-termijnen over op de erfgenamen, natuurlijke personen (artikel 38p, lid 3 Wet LB 1964)

In de handreiking ODV-aanspraken en overlijden en de handreiking oudedagsverplichting en vererving van de termijnen van het CAP wordt aangegeven hoe dit moet plaatsvinden en waarmee rekening gehouden moet worden.

Als een erfgenaam eenmaal het recht op de ODV-termijnen heeft verkregen, rijst de vraag of die erfgenaam het recht op de geërfde ODV-termijnen kan gebruiken voor het verkrijgen van een direct ingaande tijdelijke nabestaandenlijfrente ten behoeve van zichzelf.

Het CAP geeft aan dat de erfgenaam het geërfde ODV-recht niet kan aanwenden voor het bedingen van een direct ingaande tijdelijke nabestaandenlijfrente ten behoeve van zichzelf bij een toegelaten uitvoerder. De ODV kan volgens artikel 38p, lid 1 Wet LB 1964 weliswaar worden aangewend voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct, in overeenstemming met artikel 3.125 of 3.126a Wet IB 2001, maar niet voor het verkrijgen van een direct ingaande tijdelijke nabestaandenlijfrente die aan de erfgenaam zelf uitkeert. Een dergelijke nabestaandenlijfrente voldoet niet aan deze wettelijke bepalingen van een nabestaandenlijfrente.

Voor een nabestaandenlijfrente is immers van belang dat deze ingaat na het overlijden van de verzekerde belastingplichtige of de verzekerde (gewezen) partner van de belastingplichtige die de lijfrente heeft afgesloten. Daarvan is echter in deze situatie geen sprake.

Dit betekent echter geenszins dat het aanwenden van een geërfd ODV-recht voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct niet mogelijk zou zijn. Integendeel. Als de lijfrente maar voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 of 3.126a Wet IB 2001 kan het geërfde ODV-recht zonder meer worden aangewend voor een verzekerde of bancaire lijfrenrente.

Als de lijfrente-uitkering moet toekomen aan de erfgenaam, komen in feite alleen de ‘levenslange’ en tijdelijke bancaire of verzekerde lijfrente in aanmerking.

Voor een verzekerde levenslange oudedagslijfrente geldt dat deze:

  • Op elk moment mag in gaan, maar
  • Uiterlijk 5 jaar na het jaar waarin de erfgenaam in kwestie zijn AOW-leeftijd heeft bereikt en
  • Eindigt bij overlijden van de erfgenaam

Voor een bancaire ‘levenslange’ oudedagslijfrente geldt dat deze:

  • Op elk moment mag in gaan, maar
  • Uiterlijk 5 jaar na het jaar waarin de erfgenaam in kwestie zijn AOW-leeftijd heeft bereikt 
  • Bij ingang op of na de AOW-leeftijd moet gedurende ten minste 20 jaar worden uitgekeerd
  • Bij ingang vóór de AOW-leeftijd moet gedurende 20 jaar plus het aantal jaar dat de uitkeringen eerder zijn ingegaan dan de AOW-leeftijd worden uitgekeerd.

Voor een tijdelijke verzekerde of bancaire oudedagslijfrente geldt dat deze:

  • Niet eerder ingaat dan het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt en  
  • Uiterlijk moet ingaan 5 jaar na het jaar waarin de AOW-leeftijd is bereikt
  • Tijdelijk, maar tenminste gedurende 5 jaar wordt uitgekeerd
  • Maximaal € 22.089 (2020) op jaarbasis

Tot slot zij opgemerkt dat bij overlijden van de DGA, terwijl de ODV-uitkeringen nog niet zijn ingegaan, de erfgenamen 12 maanden de tijd hebben om te beslissen wat ze met hun deel van de ODV doen. In dat geval is het toegestaan om een deel van de ODV om te zetten in een lijfrente en een deel als ODV-uitkering te genieten. Zijn de ODV-uitkeringen wel al ingegaan, dan bepaalt onderdeel 5.4 van het Verzamelbesluit Pensioenen van 11 december 2018 dat de volledige waarde van de ODV-aanspraken moet worden aangewend ter verkrijging van een bancaire of verzekerde lijfrente. Er wordt echter niet aangegeven of dit per erfgenaam geldt of voor alle erfgenamen tezamen. Bovendien moet de belanghebbende, hetgeen duidt op een afzonderlijke erfgenaam, voorafgaand aan de aanwending van de ODV ter verkrijging van een bancaire of verzekerde lijfrente hiervoor een verzoek indienen bij de inspecteur.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Toekomstvoorzieningen, Pensioen, ODV Fiscaal
  • Dinsdag 1 december 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships