Had OR instemmingsrecht bij wijziging pensioenuitvoerder omstreeks 1 oktober 2016?

Op 23 december 2015 is het wetsvoorstel voor het wijzigen van de bevoegdheden van de Ondernemingsraad (OR) inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen ingediend. Het wetsvoorstel was bedoeld om de OR duidelijkere bevoegdheden te geven, vastgelegd in artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Het wetsvoorstel heeft geregeld dat inzake het aangaan, wijzigen of intrekken van een pensioenovereenkomst de OR in principe altijd instemmingsrecht heeft, tenzij sprake is van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Inzake de uitvoeringsovereenkomst krijgt de OR in principe géén instemmingsrecht, tenzij hierin zaken geregeld worden die de pensioenovereenkomst raken. Dat is in ieder geval zo voor de toeslagenregeling en de wijze van vaststelling van de premie. Het gewijzigde wetsvoorstel is per 1 oktober 2016 in de WOR doorgevoerd.

Wat is dan de positie van de OR bij een wijziging van pensioenuitvoerder, waarvan de besluitvorming rond 1 oktober 2016 heeft plaatsgevonden? Rechtbank Den Haag heeft zich over deze vraag uitgelaten. Wat was er aan de hand?

Holland Casino heeft een pensioenregeling voor haar werknemers. Deze is ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Holland Casino (STHC). De pensioenverplichting is ook opgenomen in de cao. Holland Casino heeft besloten de uitvoering van de pensioenregeling per 1 juli 2017 over te dragen naar Stichting Algemeen Pensioenfonds (STAP). Holland Casino is van mening dat dit besluit is genomen vóór 1 oktober 2016, waardoor de OR géén instemmingsrecht had. De OR heeft echter de nietigheid van het besluit ingeroepen, omdat zij van mening is dat onterecht niet om haar instemming is verzocht én dat niet alleen sprake is van een wijziging van uitvoerder, maar ook van wijzigingen in de pensioenregeling. Holland Casino vordert een verklaring dat de OR geen instemmingsrecht heeft, dan wel een vervangende instemming door de kantonrechter. Naast de procedure tussen de OR en Holland Casino was ook nog een procedure aanhangig tussen Holland Casino en de FNV over de vraag of de cao er aan in de weg staat dat Holland Casino eenzijdig kan beslissen de uitvoering van de pensioenregeling voor de (ex-)werknemers van Holland Casino onder te brengen bij STAP in plaats van bij STHC. Als uit die procedure voortvloeit dat FNV geen rol heeft in deze beslissing, ligt de onderhavige vraag voor.

Is de medezeggenschap van de OR rondom de betreffende besluitvorming op een juiste manier afgehecht.

Allereerst gaat de kantonrechter in op de vraag of sprake is van meer dan alleen een wijziging van uitvoerder. De argumenten die de OR hiervoor heeft aangehaald overtuigen de kantonrechter niet. Uit de aangehaalde wijzigingen blijkt geen inhoudelijke wijziging van de toezegging.

Dan rest nog de vraag of de OR instemmingsrecht heeft met betrekking tot de wijziging van uitvoerder. Bepalend voor de beantwoording van deze vraag is of het betreffende besluit door Holland Casino is genomen voor of na 1 oktober 2016. Is het besluit genomen vóór 1 oktober dan had de OR geen instemmingsrecht en is het besluit genomen na 1 oktober dan had de OR wel instemmingsrecht op grond van artikel 27 WOR. Uitzondering hierop zou zijn, als de aangelegenheid inhoudelijk in de cao zou zijn geregeld. De kantonrechter is in ieder geval van mening dat zij geen vervangende instemming kan geven, omdat artikel 27 lid 4 WOR niet van toepassing is, nu Holland Casino géén verzoek tot instemming heeft ingediend.

Vaststaat dat Holland Casino bij brief d.d. 27 juni 2016 de uitvoeringsovereenkomst met SPHC heeft opgezegd. Uit diezelfde brief blijkt ook het voornemen om de regeling bij STAP onder te brengen. Het tijdstip van de keuze voor STAP blijkt niet uit de stukken. Volgens Holland Casino is die keuze ook in juni 2016 gemaakt. In december 2016 was er overeenstemming op hoofdlijnen, maar de overeenkomst is nog niet getekend (pas op 31 maart 2017).

Naast de verklaring van Holland Casino bevinden zich in het dossier een presentatie van Montae en een memo van Pensioen Perspectief van 1 september 2016. Uit deze informatie tezamen blijkt volgens de kantonrechter dat in ieder geval eind augustus 2016 de keuze voor STAP was gemaakt. Om die reden had de OR géén instemmingsrecht en stond het Holland Casino vrij om te beslissen. De OR kan de nietigheid van het besluit niet inroepen.

Rechtbank Den Haag, 22 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2018:16492, gepubliceerd op 26 april 2018

Informatie

  • Pensioentoezegging, Waardeoverdracht, Ondernemingsraad
  • Donderdag 3 mei 2018