Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Handreiking vaststellen compensatie ter voorkoming van een belaste schenking bij uitfasering pensioen in eigen beheer (versie 30 april 2021)

Tot aan 1 januari 2020 had de DGA de tijd om zijn pensioen in eigen beheer (PEB) uit te faseren. Hij kon ervoor kiezen om zijn pensioen ‘af te stempelen’ tot aan de fiscale waarde om vervolgens het pensioen af te kopen dan wel om te zetten in een Oudedagsverplichting (ODV). Dit afstempelen of prijsgeven van een deel van het pensioen kon zonder fiscale sancties plaatsvinden. Gevolg van dit prijsgeven kon wel zijn dat er sprake was van een vermogensverschuiving tussen aandeelhouder(s) en de pensioengerechtigde en/of tussen (ex-)partners onderling. Deze vermogensverschuiving vormt in beginsel een schenking.

Een dergelijke schenking kan echter voorkomen worden door een passende compensatie te bieden. De hoogte van deze passende compensatie is (uiteraard) gelijk aan de waarde van de schenking die plaats zou vinden, wanneer er niet gecompenseerd zou worden. In een aangepaste handreiking geeft de belastingdienst aan hoe om te gaan met deze passende compensatie.

Moment van berekenen

De passende compensatie dient ter voorkoming van een schenking. Een dergelijke schenking vindt plaats op moment van PEB-uitfasering. De omvang van de passende compensatie moet dan ook worden vastgesteld naar het moment van de PEB-uitfasering. Dit betekent niet dat in alle gevallen direct bij PEB-uitfasering een berekening gemaakt hoefde te worden. Maar op het moment dat een berekening gemaakt wordt, is de berekeningsdatum gelijk aan de datum van PEB-uitfasering.

Als het per datum van de PEB-uitfasering berekende bedrag van de passende compensatie niet direct wordt uitgekeerd moet het berekende bedrag wel opgerent (met U-rendement plus 0,5%) worden tot aan het moment waarop de feitelijke betaling plaatsvindt, aldus de belastingdienst.

Voor de omvang van de passende compensatie is de commerciële waarde van de pensioenaanspraak benodigd, berekend conform de gangbare uitgangspunten van de Benaderde Marktwaarde Methode (Vraag & Antwoord 13-006).

De handreiking beschrijft vervolgens in een aantal gevallen waarin sprake is van een belaste schenking, hoe deze voorkomen kan worden door middel van een passende compensatie. Let wel: de handreiking zegt dus niets over of er in de specifieke situaties wel of niet sprake is van een schenking. Dat dienst beoordeeld te worden aan de hand van artikel 7:175 BW. Hierin wordt een schenking gedefinieerd als: ‘de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.’

Uit deze definitie blijkt dat een schenking aan vijf elementen dient te voldoen, te weten:

  • Het moet gaan om een overeenkomst
  • Om niet
  • Waarbij de schenker verarmt
  • De begiftigde wordt verrijkt
  • En deze verrijking/verarming ook is beoogd (bevoordelingsbedoeling)

Deze handreiking gaat over de situatie dat er sprake is van een schenking en dat je deze kan voorkomen door het geven van een passende compensatie.

In de handreiking wordt vervolgens ingegaan op een aantal specifieke situaties

Compensatie wanneer de pensioengerechtigde geen (enig) aandeelhouder is

De eerste situatie is die waarin de aandelen van de BV niet (in)direct (volledig) in handen zijn van de pensioengerechtigde die het pensioen uitfaseert.

Stel dat de BV volledig in handen is van een ander dan de pensioengerechtigde, dan wordt deze persoon als gevolg van het prijsgeven van het verschil tussen de commerciële en fiscale waarde van het PEB bevoordeeld in de vorm van een waardestijging van de aandelen. Het is dan ook uiteraard deze aandeelhouder die een passende compensatie moet verstrekken aan de pensioengerechtigde (om een schenking te voorkomen).

De omvang van de passende compensatie is vervolgens in beginsel gelijk aan de waardestijging van de aandelen.

De waardestijging van de aandelen wordt vastgesteld door een vergelijk te maken tussen het commerciële eigen vermogen vóór en ná het gedeeltelijk prijsgeven van de pensioenaanspraak. Hierbij moet dus alle balansposten commercieel gewaardeerd worden.

Op grond van de handreiking mag vervolgens bij de berekening van het commerciële eigen vermogen vóór prijsgeven in beginsel rekening worden gehouden met een Vpb-latentie voor het verschil tussen de fiscale en commerciële waarde van de pensioenaanspraak.

Daarnaast mag rekening worden gehouden met een AB-latentie. Deze bedraagt 6,25% van de waardestijging van de aandelen, voor zover deze waardestijging de verkrijgingsprijs van de aandelen overtreft. Als deze waardestijging onmiddellijk na de PEB-uitfasering is uitgekeerd als dividend en uitbetaald ter compensatie, dan mag de AB-latentie worden gesteld op het nominale tarief van de inkomstenbelasting in box 2.

Van een waardestijging van de aandelen kan alleen sprake zijn indien en voor zover het commercieel eigen vermogen van het eigenbeheerlichaam ná het prijsgeven (meer) positief is. Stel het eigen vermogen vóór gedeeltelijk prijsgeven was negatief € 200.000. Als gevolg van het prijsgeven stijgt het eigen vermogen naar positief € 100.000. Enkel voor die € 100.000 is sprake van een waardestijging van de aandelen en dient een passende compensatie te worden verstrekt. Als het commerciële eigen vermogen ook ná het gedeeltelijk prijsgeven negatief blijft, is er in het geheel geen sprake van een waardestijging van de aandelen. Een passende compensatie ter voorkoming van een belaste schenking is dan niet aan de orde.

Compensatie door de pensioengerechtigde aan de partner

De tweede situatie betreft de situatie dat de partner meewerkt aan de uitfasering. Omdat de partner alsdan ook bepaalde rechten prijsgeeft, kan dit leiden tot een schenking door de partner aan de pensioengerechtigde. Een dergelijke schenking kan voorkomen worden wanneer een passende compensatie door de pensioengerechtigde aan de partner wordt verstrekt. Omwille van de eenvoud wordt er in de handreiking vervolgens vanuit gegaan dat de partner geen aandelen heeft in de BV.

Van een belaste schenking is op grond van de handreiking in ieder geval geen sprake, indien:

  • De partners in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd (50:50)
  • Er een altijd werkend wederkerig finaal verrekenbeding is afgesproken, alsof er algehele gemeenschap van goederen geldt (50:50)

Voorts is er uiteraard geen sprake van een schenking, wanneer in de huwelijkse voorwaarden pensioenverevening, -conversie of –verrekening bij echtscheiding volledig zijn uitgesloten en er tevens geen partnerpensioen (op kapitaalbasis) is overeengekomen.

In alle andere gevallen kan de omvang van een passende compensatie op basis van de handreiking worden bepaald door van de prijsgegeven rechten op OP en (bijzonder) PP een fictieve commerciële conversiewaarde te berekenen, alsof op de datum van de uitfasering een echtscheiding zou hebben plaatsgevonden. Voor de berekening van deze commerciële conversiewaarde kan wederom gebruik gemaakt worden van de Benaderde Marktwaarde Methode, zoals omschreven in Vraag & Antwoord 13-006 van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen.

De commerciële conversiewaarde mag op grond van de handreiking worden verminderd met een belastinglatentie, analoog aan het bepaalde in artikel 20, vijfde lid, onderdeel b en zesde lid, onderdeel c, SW.

Deze latentie ad 30% kan enkel worden berekend over dat deel van de conversiewaarde, waarover de pensioengerechtigde ook effectief inkomstenbelasting verschuldigd is na uitfasering. Dit betreft derhalve enkel de fiscale conversiewaarde. Immers, bij uitfasering wordt de fiscale (conversie-)waarde van de pensioenaanspraken afgekocht, dan wel omgezet in een ODV. In beide gevallen is (uiteindelijk) over die fiscale (conversie-)waarde inkomstenbelasting verschuldigd.

De omvang van de passende compensatie is in beginsel gelijk aan de berekende fictieve commerciële conversiewaarde, eventueel gecorrigeerd met een AB-latentie en/of een eventueel dekkingstekort vlak ná PEB-uitfasering.

In de handreiking wordt verder nog verwezen naar de brief van 3 november 2016 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer. Hierin wordt een rekenvoorbeeld uitgewerkt inzake een passende morele compensatie tussen partners en is niet bruikbaar voor het bepalen van een passende compensatie ter voorkoming van een belaste schenking, aldus de belastingdienst.

Compensatie van de pensioengerechtigde aan de ex-partner

De derde situatie die beschreven wordt in de handreiking is die van een passende compensatie aan de ex-partner. Hiervan kan alleen sprake zijn als deze vereveningsgerechtigde is voor een deel van het ouderdomspensioen.

Compensatie wanneer de (ex-)partner (mede) aandeelhouder is in het eigenbeheerlichaam

Tot slot kan zich de situatie voordoen dat de (ex)-partner van de pensioengerechtigde (ook) aandelen heeft in het eigenbeheerlichaam. In dat geval treden er twee vermogensverschuivingen tegelijk op.

De belastingdienst geeft in een voorbeeld aan hoe in dergelijke gevallen te handelen.

Voorbeeld

De (ex-)partner is als aandeelhouder een passende compensatie van € 100.000 verschuldigd aan de pensioengerechtigde door de waardestijging van de aandelen als gevolg van de uitfasering. De pensioengerechtigde is op zijn/haar beurt echter een passende compensatie verschuldigd aan de (ex-)partner van € 80.000, omdat deze afgeleide pensioenrechten heeft prijsgegeven door in te stemmen met de uitfasering. Beide passende compensaties kunnen gesaldeerd worden.

In dit voorbeeld is de (ex-)partner per saldo een passende compensatie van € 20.000 verschuldigd aan de pensioengerechtigde.

Informatie

  • Pensioen
  • EQF 6
  • Woensdag 19 mei 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships