Heffingsrecht periodieke uitkering uit ontslagstamrecht aan inwoner van Duitsland komt toe aan Nederland

Dit bericht betreft een samenvatting van een conclusie van een A-G van de Hoge Raad.

Op 28 augustus 2020 heeft A-G Niessen conclusie genomen in een zaak over de toewijzing van heffingsrecht over een door belanghebbende ontvangen uitkering van een (levens)verzekeraar uit een ontslagstamrecht onder het Verdrag Nederland – Duitsland 1959. In geschil is of de uitkering valt onder artikel 10 van het Verdrag (niet-zelfstandige arbeid) of artikel 12 (pensioen).

Belanghebbende X is geboren in 1949 en woont sinds 2009 in Duitsland. In 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en zijn toenmalige werkgever beëindigd bij beschikking van de kantonrechter. Aan X is toen een ontslagvergoeding toegekend. De ontslagvergoeding is door de ex-werkgever gestort als lijfrentekapitaal in een lijfrentepolis, een zogenoemd gericht stamrecht. De ingangsdatum van de lijfrente is bepaald op 14 januari 2014 bij leven van X. In de polis is opgenomen dat het een ontslagstamrecht betreft als in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964 (tekst 2013).

Op 13 januari 2015 is met het opgebouwde lijfrentekapitaal een polis voor een periodieke uitkering afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij. Op die periodieke uitkering ontvangen door X in 2015 is loonheffing ingehouden. In geschil is of dat terecht is en - daarmee samenhangend - of het heffingsrecht over de uitkeringen is toegewezen aan Nederland of Duitsland onder het toen geldende Verdrag.

X stelt dat de uitkering moet worden aangemerkt als een pensioen of een andere uitkering of op geld waardeerbaar voordeel als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag, waarmee het heffingsrecht zou toekomen aan Duitsland. Niet in geschil is dat Nederland kan heffen over de uitkering indien de heffingsbevoegdheid aan Nederland toekomt. Tevens is de omvang van de alsdan ingehouden loonheffing niet in geschil.

Nu er in het Verdrag geen definitie is opgenomen van niet-zelfstandige arbeid, noch van pensioenen, volgt volgens de A-G uit artikel 2, lid 2 van het Verdrag dat nadere invulling van deze begrippen op basis van de Nederlandse wetgeving moet worden gegeven. Volledigheidshalve merkt de A-G op dat de vraag of sprake is van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of van pensioen, aansluit bij het zogenoemde ‘gesloten systeem’ ten aanzien van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. De uitkering wordt belast op de voet van artikel 10, tenzij zij kan worden ondergebracht onder een specifiekere bepaling zoals artikel 12.

Uit de gewezen rechtspraak volgt dat de uitkering moet dienen als overbrugging in de voorziening van levensonderhoud tot het bereiken van de pensioenleeftijd of tot verbetering van pensioenrechten, om te kwalificeren als uitkering soortgelijk aan pensioen. De volgende criteriaacht de Hoge Raad relevant voor het bepalen van de kwalificatie van de uitkering op basis van eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld HR BNB 2000/296, HR BNB 2000/328 en HR BNB 1986/35): de grondslagen waarnaar de uitkering is berekend, de leeftijd waarop de uitkering aan belanghebbende wordt toegekend en de kans op herintreding in het arbeidsproces. Concrete invulling van deze criteria is sterk verweven met de waardering van de feiten.

Gelet op de criteria die hierboven uiteen zijn gezet, overweegt de A-G dat naast de berekeningswijze, overige omstandigheden moeten worden meegewogen, zoals de leeftijd van X en de kans dat hij elders aan de slag kan gaan. Het gaat dan wel om de objectieve omstandigheden, de bedoeling van X is niet relevant. Het oordeel van het Hof De Bosch (18/00747) dat een en ander naar objectieve maatstaven dient te worden beoordeeld, is daarmee in overeenstemming. Volgens het Hof zijn in de correspondentie tussen X en de ex-werkgever geen aanknopingspunten te vinden waaruit blijkt dat de ontslagvergoeding erop is afgestemd en strekte tot voorziening in het levensonderhoud dan wel tot een aanvulling op zijn pensioen.


In cassatie betoogt X dat alle relevante omstandigheden moeten worden meegewogen in de beoordeling of de uitkering onder het pensioenartikel valt. X verwijst voorts naar de opgesomde relevante omstandigheden, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (16/8490). Met deze klachten geeft X niet aan op welke punten hij het oordeel van het hof onjuist acht. Met inachtneming van de criteria, geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten van X kunnen niet slagen.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van X ongegrond dient te worden verklaard. De conclusie is op 18 september 2020 gepubliceerd.

 

Informatie

  • Fiscale Aspecten, Toekomstvoorzieningen, Uit dienst/Ontslag, Flexiblisering werk & pensioen, Financieel Gezond & Pensioenplanning, Vermogen, Inkomen, Pensioen, Internationaal, Estate Planning, Fiscaal: Wet IB, Fiscaal: Overig, Pensioen Fiscaal, Einde dienstverband, Pensioen LB
  • Zaterdag 19 september 2020