Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Heruitgave Q&A Lijfrenten met uitbreiding

De belastingdienst publiceert eens in de zoveel tijd een (update van een) Vraag- en antwoorddocument omtrent lijfrenten. De meest recente versie heeft als publicatiedatum 6 mei 2021. Het is een update van een eerdere versie. In deze update zijn de bedragen aangepast naar die van 1 januari 2021. In de meest recente versie stonden nog de getallen van 2018 (hoewel uitgegeven in mei 2020). Maar er zijn ook enkele inhoudelijke vragen met antwoorden toegevoegd.

Het nieuwe Vraag- en antwoorddocument (vanaf nu: Q&A) bevat in totaal 43 vragen met antwoorden.

Die zijn verdeeld in vier categorieën:

  1. Overbruggingslijfrenten
  2. Tijdelijke oudedagslijfrenten
  3. Afkoopregeling kleine lijfrenten
  4. Lijfrenterekening en -beleggingsrecht

In dit artikel behandelen we slechts de wijzigingen in de Q&A ten opzichte van een eerdere uitgave. In zijn algemeen zijn overal de bedragen aangepast. In deze nieuwe uitgave zijn de bedragen van 2021 opgenomen.

In de onderdelen A. en C. zijn, behalve deze cijfermatige aanpassingen, slechts kleine tekstuele aanpassingen gedaan, die geen inhoudelijke wijziging beogen. Beide onderdelen bevatten 13 vragen en antwoorden en dat blijft zo.

De onderdelen B. en D. zijn wel uitgebreid. We lichten die uitbreidingen hieronder toe.

B. Tijdelijke oudedagslijfrenten

Aan de vijf bestaande vragen zijn er twee toegevoegd (B.6 en B.7). Die gaan beide over het maximale jaarbedrag van de tijdelijke oudedagslijfrente.

B.6

Wat is het maximale bedrag van de termijnen per jaar uit een tijdelijke oudedagslijfrente bij samenloop van een tijdelijke oudedagslijfrenterekening en/of -beleggingsrecht en een tijdelijke oudedagslijfrenteverzekering?

Antwoord

Het gezamenlijke bedrag mag (in 2021) niet meer bedragen dan € 22.443 per jaar. Het gaat dus om het totaal van alle tijdelijke oudedagslijfrenten, ongeacht of het bancaire of verzekerde varianten zijn.

De enige uitzondering hierop is dat tijdelijke oudedagslijfrenten waarop het pre-brede herwaarderingsregime van toepassing is (afgesloten voor 1992, dan wel 16 oktober 1990), niet meetellen in deze gemaximeerde som.

B.7

Mag het maximale bedrag per jaar van de termijnen uit een tijdelijke oudedagslijfrente overschreden worden als gevolg van beleggingsrendementen?

Antwoord

Ja, dat mag. Als de tijdelijke oudedagslijfrente wordt aangekocht wordt doorgaans getoetst of voldaan wordt aan het maximale jaarbedrag van de uitkering. Als daarna door behaalde beleggingsrendementen een hogere uitkering wordt berekend, leidt dat niet tot een ‘verboden handeling’ met als gevolg dat de uitkeringen (of hogere deel daarvan) bij het inkomen moeten worden opgeteld en er revisierente verschuldigd is. Een overschrijding van het maximale jaarbedrag is dus mogelijk als dit komt door na het tijdstip van berekenen van de lijfrentetermijnen behaalde beleggingsrendementen.

D. Lijfrenterekening (LR) en lijfrentebeleggingsrecht (LBR)

Dit onderdeel van de Q&A bevatte eerder acht vragen en antwoorden. Ook dit onderdeel is uitgebreid met twee extra vragen. Die zijn overigens niet onder de bestaande vragen geplakt. De volgorde van de oude vragen is hierdoor omgegooid. De nieuwe vragen zijn D.5 en D.9 (waardoor de oude vragen vanaf D.5 hernummerd zijn).

D.5

Wat is de minimale looptijd van een levenslange oudedagslijfrente waarvan de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt?

Antwoord

De hoofdregel (voor een bancaire lijfrente) is: het aantal jaren tot de AOW-leeftijd + 20 jaar. Maar, zo stelt de Belastingdienst, het begrip ‘jaren’ verdient nadere uitleg.
Een ‘jaar’ is een aaneengesloten periode van 12 maanden. Dat kan er toe leiden dat de totale looptijd toch iets korter is dan de exacte periode voorafgaand aan de AOW-leeftijd + 20 jaren.

Een voorbeeld: als iemand op 1 juli 2021 de levenslange oudedagslijfrente laat ingaan, terwijl hij op 15 juni 2022 de AOW-leeftijd bereikt, dan is dat minder dan 1 jaar voor de AOW-leeftijd. Dat betekent dat de duur van 20 jaren niet verlengd hoeft te worden. Kortom: in dat geval mag de levenslange bancaire oudedagslijfrente eindigen op 1 juli 2041, zonder dat dit een overtreding is van de hoofdregel.

D.9

Kan het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen van een LR, waarvan de termijnen vóór het overlijden van de rekeninghouder al zijn ingegaan, overgaan op een erfgenaam die een niet-natuurlijk persoon is, zoals een ANBI?

Antwoord

Ja, dat mag. Als de lijfrentetermijnen van een bancaire lijfrente al zijn ingegaan (dus als de uitkeringsfase al begonnen is) dan gaan die termijnen over op de erfgenamen. Als een ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling) of andere niet-natuurlijk persoon als erfgenaam is benoemd, is er geen fiscale belemmering in de wet opgenomen. Dit is dus gewoon toegestaan.

Maar let op! Als het overlijden plaatsvindt vóórdat de termijnen zijn ingegaan, dan mag dit nadrukkelijk niet. In de wet staat dat de termijnen dan direct moeten ingaan en moeten worden uitgekeerd aan een natuurlijk persoon.

Informatie

  • Vermogen
  • EQF 6
  • Woensdag 16 juni 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships