Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Het Belastingplan 2021 en de (vermogende) particulier

In het Belastingplan 2021 van 15 september 2020 is een aantal wijzigingen aangekondigd dat betrekking heeft op de (vermogende) particulier. De belangrijkste voorgestelde wijzigingen worden hier besproken. Er is een soortgelijk bericht over de voorgestelde wijzigingen voor de IB-ondernemer en de DGA.

Tarief inkomstenbelasting box 1 en heffingskortingen

Het tarief in de eerste schijf in box 1 gaat van 37,35% iets omlaag naar 37,10%. Voor AOW’ers gaat het tarief eerste schijf van 19,45% naar 19,20%. Voor hen gaat het tarief in de tweede schijf van 37,35% naar 37,10%.

In het Belastingplan 2020 is een verhoging van de arbeidskorting geregeld van € 106 in 2021 en € 73 in 2022. Om de lasten incidenteel in 2021 te verlichten, wordt voorgesteld de verhoging van de arbeidskorting uit 2022 al in 2021 in te voeren. 

Aanpassing box 3

Het tarief in box 3 wordt van 30% verhoogd naar 31% en het heffingvrije vermogen wordt verhoogd van € 30.846 naar € 50.000 per belastingplichtige (fiscaal partners: €100.000). Tevens wordt voorgesteld om de beide schijfgrenzen te verlagen naar €50.000 (2020: € 72.797) respectievelijk € 950.000 (2020: € 1.005.572). Het gehanteerde spaarrendement voor 2021 is 0,03% (2020: 0,07%) en het gehanteerde beleggingsrendement is 5,69% (2020: 5,28%).

De heffing in box 3 vindt over 2021 per belastingplichtige dan als volgt plaats:

Schijf Heffingvrij vermogenRendement per schijf (afgerond)Marginaal heffingspercentage (afgerond)
€ 0€ 50.000€ 50.0001,90%0,588%
€ 50.000€ 950.000 4,50%1,395%
€ 950.000  5,69%1,764%


Fiscale partners mogen op grond van artikel 2.17 lid 2 Wet IB 2001 het vermogen in box 3 naar eigen inzicht onder hen beiden verdelen, ongeacht van wie dit vermogen is. Hierdoor kan de progressieve heffing in box 3 worden afgezwakt.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot aanpassing van box 3 wordt opgemerkt dat het belasten van het werkelijke rendement voor het huidige kabinet het uiteindelijke doel is. Dit doel is echter niet op de korte termijn te realiseren. Om op korte termijn toch een groot deel van de spaarders tegemoet te komen zijn alleen aanpassingen binnen de kaders van het huidige stelsel mogelijk.

Overdrachtsbelasting: startersvrijstelling

Het voorstel is dat starters op de woningmarkt met ingang van 1 januari 2021 een eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting krijgen. Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen, dient de verkrijger te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Hij/zij is meerderjarig en jonger dan 35 jaar
  • Hij/zij verkrijgt een woning of een recht waaraan een woning is onderworpen
  • Hij/zij gaat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken
  • Hij/zij heeft de vrijstelling nog niet eerder gebruikt

Voor de toepassing van de startersvrijstelling wordt een vereiste dat de verkrijger onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk verklaart de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken.

Op basis van gegevens van het Kadaster woont 96% van de woningkopers die voornemens is de woning als hoofdverblijf te gaan gebruiken na 12 maanden in de woning. Na deze 12 maanden kan de inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de voorwaarden voor toepassing van de startersvrijstelling wordt voldaan. De beoordeling zal plaatsvinden door een onderzoek naar de feiten en omstandigheden.

Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen. Onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging zijn onder andere het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers en het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie.

Ook verkrijgers die aan alle voorwaarden voldoen, maar al wel voor 1 januari 2021 een woning hebben gekocht (jonge doorstromers), komen in aanmerking voor deze eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de koop van een volgende woning. Andere natuurlijke personen – niet zijnde starters/jonge doorstromers – die een woning kopen, hebben recht op de toepassing van het verlaagde tarief van 2%, mits zij de woning kopen om deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor tweede woningen en niet-woningen wordt per 2021 verhoogd naar 8%. De vrijstelling loopt in beginsel tot 2026. In het voorjaar 2025 is een evaluatie gepland, waarna wordt vastgesteld of deze wetgeving effectief is.

Levensloopregeling

Op 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Voor personen die destijds een levenslooptegoed van ten minste € 3.000 hadden, geldt overgangsrecht tot 1 januari 2022. Als het levenslooptegoed op dat moment nog niet is opgenomen, wordt het niet opgenomen bedrag in een keer in box 1 belast. De ‘loonbelasting’ moet door de werkgever worden afgedragen. In de praktijk lijkt dit niet werkbaar. Daarom is voorgesteld dat de instelling die de levensloopregeling uitvoert ook de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst afdraagt.

Bovendien wordt het fictief genietingsmoment vervroegd naar 1 november 2021. Op die manier kan de instelling de verschuldigde loonheffing op tijd op de (ex-)werknemer verhalen. En kan de werknemer voor 1 januari 2022 zijn belastingschuld betaald hebben, wat leidt tot een verlaging van het box 3-vermogen.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB
  • EQF 7
  • Vrijdag 18 september 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships