Het IB-aangifteleven 2020 van de zuivere saldolijfrente na afrekening op 31-12-2020

Sinds begin maart 2021 kan online aangifte worden gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het belastingjaar 2020. De aangifte over belastingjaar 2020 verdient dit jaar extra aandacht. Dit jaar moeten namelijk de gegevens over de afrekening op 31 december 2020 van zogenoemde ‘zuivere saldolijfrenten’ worden verantwoord in die aangifte. In deze blog passeren de specifieke aandachtspunten op dat terrein de revue.

Bij het doen van aangifte is het handig de daarvoor relevante documenten en gegevens vooraf te verzamelen en bij de hand te houden. Voor zuivere saldolijfrenten kunnen dat bijvoorbeeld zijn premiebetaalbewijzen, het waardeoverzicht op 31 december 2020 en in voorkomende gevallen een totaaloverzicht van de tot en met het jaar 2020 reeds uitgekeerde lijfrentetermijnen. In dit blog staan centraal de zuivere saldolijfrenten die uiterlijk 13 september 1999 zijn afgesloten.

Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 per 1 januari 2001 is in onderdeel O van de Invoeringswet Wet IB 2001 (IW Wet IB 2001) overgangsrecht ingeregeld voor op 31 december 2000 bestaande rechten op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen. Dat overgangsrecht bepaalt hoe de belastingheffing over de uitkeringen uit dergelijke rechten onder de werking van de Wet IB 2001 plaatsvindt en gold tot 1 januari 2021 ook voor lijfrenteverzekeringen waarvan de betaalde premies niet aftrekbaar waren, de zuivere saldolijfrenten. Op de dag voorafgaande aan de beëindiging van dit overgangsrecht, dat is 31 december 2020, moest fiscaal worden afgerekend over zo’n zuivere saldolijfrente. Dit betekent dat de fiscaal-relevante gegevens die zien op de afrekening in de aangifte 2020 moeten worden verantwoord.

Onder de werking van de Wet IB 1964 (gold tot 1 januari 2001) werden de uitkeringen uit een zuivere saldolijfrente progressief belast volgens de saldomethode. Belastingheffing over de uitkeringen vindt dan plaats vanaf het moment dat deze uitkomen boven het totaalbedrag van de ter zake van de saldolijfrente betaalde, niet afgetrokken premies. Dit ‘saldo’ staat voor het tijdens de looptijd van zo´n lijfrente behaalde rendement. De saldomethode is van belang bij de heffing over de lijfrentetermijnen én tevens uitgangspunt bij de afrekening op 31 december 2020.

Op grond van het overgangsrecht zoals dat in de IW Wet IB 2001 is vastgelegd, werd de tot en met 31 december 2000 geldende saldomethodiek onder de werking van de Wet IB 2001 voor bepaalde zuivere saldolijfrenten die vóór 2001 al bestonden – onder voorwaarden – volledig geëerbiedigd tot en met 31 december 2020. Dit was dus ook het geval als een dergelijke saldolijfrente onder de Wet IB 2001 zou kwalificeren als een vermogensbestanddeel van box 3.

Voor de toepassing van de saldomethode volgens genoemd overgangsrecht geldt dat de lijfrente vóór 14 september 1999 tot stand moet zijn gekomen. Bovendien mogen de daarbij overeengekomen jaarpremiebetalingen na 13 september 1999 in beginsel niet zijn verhoogd. 

Voor bepaalde zuivere saldolijfrenten is aan de eerbiedigende werking van de saldomethodiek per 1 januari 2021 een einde gekomen. Daaraan voorafgaand moest door de verzekeringnemer eerst fiscaal worden afgerekend over (het rentebestanddeel in) de op 31 december 2020 in de lijfrente aanwezige waarde. Het gaat om de zuivere saldolijfrenten van vóór 14 september 1999:

  1. Tegen koopsom
  2. Met een jaarpremie van niet meer dan € 2.269 en
  3. Met een jaarpremiebetaling van meer dan € 2.269

Voor categorie 1 en 2 ziet de afrekening op (het rentebestanddeel in) de volledig opgebouwde lijfrentewaarde per die datum. Voor categorie 3 geldt dat de saldolijfrente al vanaf 1 januari 2001, in zoverre deze ziet op opbouw met het jaarpremiedeel dat uitkomt boven het bedrag van € 2.269, tot de heffingsgrondslag van box 3 behoort en dat de uitkeringen uit dat deel verder onbelast blijven. De afrekening op 31 december 2020 ziet dan ook alleen op de lijfrentewaarde die is opgebouwd met alle tot 14 september 1999 betaalde premies en alle vanaf 13 september 1999 betaalde premies voor zover de jaarpremie niet meer heeft bedragen dan € 2.269.

Ingevolge onderdeel Q, lid 2 IW Wet IB 2001 wordt op 31 december 2020 een periodieke uitkering uit een inkomensvoorziening aangenomen (fictie) tot het bedrag van de waarde van dat saldolijfrenterecht op die dag, uiteraard voor zover de waarde niet ziet op box 3-opbouw (zie bij categorie 3). Op 31 december 2020 moet de verzekeringnemer van een zuivere saldolijfrente dan per saldo in beginsel afrekenen over het op dat tijdstip in de waarde van het lijfrenterecht begrepen rentebestanddeel (= waarde minus alle niet-afgetrokken premies). Op verzoek kan worden afgerekend tegen een tarief van 45%. Als het totaalbedrag van de ter zake van de saldolijfrente betaalde, niet-afgetrokken premies dan al is verbruikt, moet dus worden afgerekend over de volledige waarde van het lijfrenterecht.

Tot welke waarde c.q. tot welk bedrag een periodieke uitkering op het afrekentijdstip moet worden aangenomen, vermeldt genoemde bepaling niet. Het moet gaan om een ‘actuarieel verantwoorde’ waarde. Over de waardering per 31 december 2020 is uitgebreide informatie te vinden op de website van de rijksoverheid. Voor de box 1-waardebepaling in verband met de afrekenverplichting schrijft de Belastingdienst de zogenoemde netto contante waarde-methode voor. Meer specifieke informatie daarover is te vinden op de website van de Belastingdienst. Op de betreffende informatiepagina zijn ook enkele rekenvoorbeelden opgenomen.

Als een saldolijfrente na afrekening in stand blijft (is niet afgekocht), moet de waarde ervan jaarlijks als bezitting worden aangegeven in box 3. Dit moet voor het eerst op 1 januari 2021. Voor de waardering van een saldolijfrente in box 3 zijn waarderingsvoorschriften gegeven in lagere regelgeving, het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.

Meer weten?
Wil je meer weten over de afrekening van en het fiscale vervolgtraject voor de zuivere saldolijfrente schrijf je dan in voor onze online Masterclass - Lijfrenten in de praktijk op 29 juni aanstaande. In circa 2 uur informeren wij je over de belangrijkste ins en outs. Zodat je helemaal up-to-date bent!

Op integratieve en praktische wijze wordt een verdieping gegeven aan dit onderwerp, waardoor je een nog betere gesprekspartner en adviseur wordt. Na het volgen van deze Masterclass ben je op de hoogte van de laatste fiscale ontwikkelingen op het gebied van lijfrenten en kun je veel voorkomende praktijkdossiers op dat terrein moeiteloos, snel en op efficiënte wijze afhandelen. Zodat je jouw klant optimaal kunt bedienen.

Permanente Educatie: al onze E-learning, Masterclasses en Workshops zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Woensdag 7 april 2021