Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Hoe hoog is de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang?

In artikel 4.19 Wet Ib 2001 is bepaald dat de aanmerkelijkbelangwinst het verschil is tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs. Volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 bestaat de verkrijgingsprijs uit de tegenprestatie bij verkrijging van de aanmerkelijkbelangaandelen. Voor zover de tegenprestatie niet uit geld bestaat, moet de tegenprestatie gewaardeerd worden op de waarde in het economische verkeer.


Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 30 oktober 2019 uitspraak gedaan wat bij een inbreng de waarde in het economische verkeer is.

De casus

Verkrijging winstbewijzen en certificaten van aandelen

Op 23 januari 2008 verwerft belanghebbende voor € 812.362,66 twee winstbewijzen E NV. Op 3 maart 2008 verwerft belanghebbende 15.364 certificaten van aandelen F BV voor € 10.179,83. Op 24 september 2009 verwerft belanghebbende voor € 1.404.858 nog twee winstbewijzen E NV en nog 15.364 certificaten van aandelen F BV.

 

De winstbewijzen E NV geven recht op 2% van bepaalde deelnemingen van E NV. Hieronder valt niet de deelneming in G Ltd. Verder geven de winstbewijzen recht op 2% van de vorderingen van E NV op bedoelde deelnemingen en 2% van het resultaat van die deelnemingen. De certificaten van aandelen F BV geven recht op 2% van het resultaat van F BV.

 

Ter financiering van deze winstbewijzen en certificaten heeft E NV aan belang-hebbende aan aantal leningen verstrekt. Ultimo 2012 bedraagt de schuld € 3.422.966. 

Inbreng in H BV

Op 19 december 2012 heeft belanghebbende H BV opgericht. Deze bv heeft op dezelfde dag I BV opgericht.

 

Op 24 december 2012 heeft belanghebbende de winstbewijzen en certificaten alsmede de schuld als agio ingebracht in H BV. Vervolgens heeft H BV dit als agio ingebracht in I BV. Bij beide transacties is aan de winstbewijzen en certificaten een waarde toegekend van € 9.532.728.

Ruil tegen lidmaatschapsrecht en een winstrecht in coöperatie

Op 19 december 2012 hebben E NV en Stichting J een coöperatie opgericht. Op 24 december 2012 heeft E NV al haar belangen in actieve deelnemingen en al haar vorderingen op die deelnemingen ingebracht in de coöperatie ten titel van storting op de ledenrekening.

Op 24 december 2012 heeft I BV de door haar gehouden certificaten en winstbewijzen verkocht en geleverd aan E NV tegen uitreiking van een lidmaatschapsrecht en een winstrecht in de coöperatie. Het lidmaatschapsrecht en het winstrecht bieden dezelfde rechten als de daarvoor ingeruilde certificaten en winstbewijzen. Op dezelfde dag heeft I BV het lidmaatschapsrecht en het winstrecht verkocht en geleverd aan Stichting J tegen uitreiking van een certificaat van het lidmaatschapsrecht in de coöperatie. Het lidmaatschapscertificaat geeft recht op 2% van de door de coöperatie gehouden deelnemingen en vorderingen op die deelnemingen en 2% van de daarmee te behalen resultaten.

Participatie-overeenkomst

Op 24 december 2012 hebben E NV, de coöperatie, Stichting J, I BV en belanghebbende een participatie-overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat de initiële verkrijgingsprijs van het lidmaatschapscertificaat wordt vastgesteld op

€ 4.627.034.

In de preambule van de overeenkomst is onder meer vermeld dat belanghebbende op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is bij M B.V. Verder is onder meer bepaald dat bij beëindiging van deze arbeidsovereenkomst I BV de plicht heeft het lidmaatschapscertificaat te verkopen aan Stichting J of een door Stichting J aan te wijzen derde. Als de arbeidsovereenkomst eindigt als gevolg van een onrechtmatige daad van I BV of belanghebbende, is de te hanteren koopprijs van het lidmaatschapscertificaat gelijk aan € 4.627.034 of de marktwaarde, zo die lager is. Wordt de arbeidsovereenkomst om een andere reden ontbonden dan is de koopprijs gelijk aan de marktwaarde.

 

In verband met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van belanghebbende per 31 januari 2015 heeft I BV haar lidmaatschapsrecht, dat toen nog een belang van 1,88% van de participaties vertegenwoordigde, voor € 4.599.473 verkocht aan E NV.

Het geschil

In geschil is de verkrijgingsprijs van de aandelen H BV per 24 december 2012. De inspecteur is bij de bepaling van de verkrijgingsprijs uitgegaan van de in de participatie-overeenkomst genoemde verkrijgingsprijs van het lidmaatschaps-certificaat. Volgens belanghebbende is dat niet juist en is de marktwaarde van het lidmaatschapscertificaat ook veel hoger dan de in 2015 door I BV ontvangen koopprijs.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur gelijk heeft.

Overwegingen en oordeel Hof Arnhem-Leeuwarden

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden staat vast dat in de participatie-overeenkomst een verkrijgingsprijs van het lidmaatschapscertificaat ultimo 2012 is opgenomen van

€ 4.627.034. Verder staat vast dat belanghebbende zijn participaties E NV en F BV in zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 in box 3 heeft vermeld voor € 4.049.362 en dat I BV bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van belanghebbende € 4.599.473 heeft ontvangen voor het lidmaatschapscertificaat.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs van de aandelen H BV op 24 december 2012 heeft kunnen uitgaan van de in de participatie-overeenkomst genoemde verkrijgingsprijs, die in lijn ligt met zowel de waarde die belanghebbende per 1 januari 2012 heeft aangegeven in box 3 als met de door I BV in januari 2015 ontvangen koopprijs.

 

Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de waarde in het economische verkeer hoger is. Het hof oordeelt dat belanghebbende met wat hij heeft aangevoerd hierin niet is geslaagd.

Belanghebbende slaagt er niet in zijn stelling aannemelijk te maken dat I bv met een verkoopprijs van ongeveer de helft van de marktwaarde genoegen moest nemen omdat belanghebbende verantwoordelijk werd gehouden voor geleden verliezen.

Bovendien is het hof van oordeel dat de bv - als de marktwaarde van het lidmaatschapscertificaat tweemaal zo hoog was als de aangeboden koopprijs - aanspraak zou hebben gemaakt op het uit de participatie-overeenkomst voortvloeiende recht op een koopprijs gelijk aan de marktwaarde. De door belanghebbende gegeven verklaring dat hij met het oog op zijn reputatie in de branche waarin hij werkzaam is, namens I BV akkoord is gegaan met de aangeboden koopprijs, acht het hof, zeker nu belanghebbende als ‘good leaver’ werd beschouwd, onvoldoende om van het tegendeel uit te gaan.

Het hof oordeelt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB
  • EQF 7
  • Dinsdag 19 november 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships