Indien de man niet meer in overwegende mate zeggenschap heeft in de vennootschap, bij scheiding geen recht op afstorting.

Wat was er aan de hand?
De man heeft pensioen opgebouwd in eigen beheer. Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Partijen liggen in scheiding en de vrouw vordert in de procedure o.a. een verklaring voor recht dat partijen over moeten gaan tot verevening van het pensioen op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding. Daarnaast vordert ze dat de man moet overgaan tot het inbrengen van alle documenten die nodig zijn om te bepalen bij wie en gedurende welke periode de man pensioen heeft opgebouwd. Tot slot vordert ze voor het in eigen beheer opgebouwde pensioen dat de man veroordeeld wordt om tot afstorting van het benodigde kapitaal om het aan haar toekomende pensioen aan te kunnen kopen, over te gaan bij een professionele verzekeraar.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw niet ontvankelijk verklaard moet worden, nu de verklaring voor recht uit de wet voortvloeit en hij over zal gaan tot het overleggen van de verzochte informatie. Het verzoek om afstorting moet volgens de man pas behandeld worden nadat partijen zijn gescheiden. Dan zal een deskundige moeten onderzoeken of afstorting mogelijk is.

Rechtbank Amsterdam ziet dit echter anders.
Nu in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de Wet VPS toegepast zal worden bij het einde van het huwelijk heeft de vrouw geen belang bij de door haar verzochte verklaring voor recht. De man is echter niet overgegaan tot het overleggen van de verzochte informatie. Echter, zo oordeelt de rechter, vast staat wel dat de man momenteel geen directeur-grootaandeelhouder meer is, hij heeft dan ook geen in overwegende mate zeggenschap in de onderneming. Het verzoek tot afstorting van de vrouw wordt om die reden afgewezen. Rechtbank Amsterdam, 11 oktober 2017,ECLI:NL:RBAMS:2017:7518

Informatie

  • Civieljuridische Aspecten, Toekomstvoorzieningen, Uit elkaar gaan, Pensioen Algemeen
  • Donderdag 2 november 2017