Is de bank tekortgeschoten in de uitvoering van de vermogensbeheerovereenkomst?

Belanghebbende sluit in februari 2020 met een bank een vermogensbeheerovereenkomst. Gezien de door de coronacrisis dalende beurzen beëindigt hij deze overeenkomst echter alweer in maart 2020. Belanghebbende wil van de bank een schadevergoeding voor het geleden verlies van € 18.000. Het Kifid geeft antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding.

Op 18 februari 2020 sluit belanghebbende met een bank een vermogensbeheerovereenkomst. Belanghebbende heeft als beleggingsdoel ‘vermogensgroei’ en hij heeft een beleggingshorizon van 15 jaar. Vrijwel meteen na het sluiten van de overeenkomst is de bank begonnen met het beleggen van het vermogen. 

Op 17 maart 2020 geeft belanghebbende de bank aan, dat hij, gezien de dalende beurzen ten gevolge van de coronacrisis, de overeenkomst wil beëindigen. Nog dezelfde dag ondertekent hij de opheffingsovereenkomst. Zijn koersverlies bedraagt in een maand ongeveer € 18.000.

Belanghebbende vindt dat de bank is tekortgeschoten in de uitvoering van de vermogensbeheerovereenkomst, omdat de bank niet heeft gewacht met beleggen tijdens de neergaande beurzen. Volgens belanghebbende betekent het beheren van het vermogen niet dat de bank ook meteen moet beginnen met het beleggen van het vermogen. Op grond van haar deskundigheid en marktkennis had de bank volgens belanghebbende moeten wachten.

Belanghebbende vordert daarom van de bank een schadevergoeding van € 18.000.

Volgens het Kifid staat de vraag centraal of de bank het juiste moment had moeten afwachten met het beleggen van het vermogen van belanghebbende.

Bij de beantwoording van deze vraag is van belang wat partijen zijn overeengekomen en wat belanghebbende van de bank – als vermogensbeheerder – had mogen verwachten. Wat betreft dat laatste is de beoordelingsmaatstaf of de bank het mandaat heeft uitgevoerd, zoals dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vermogensbeheerder mag worden verwacht, en of de bank daarbij gebleven is binnen de bandbreedtes die passen bij het met belanghebbende overeengekomen beleggingsprofiel.

Het Kifid stelt vast, dat de bank en belanghebbende niet zijn overeengekomen dat de bank het juiste moment moet afwachten om effecten aan te kopen. Sterker nog, in de ‘Algemene voorwaarden effectendienstverlening’ is zelfs bepaald, dat de bank ervoor zorgt, dat binnen 10 beursdagen nadat de gelden zijn bijgeschreven deze worden belegd. Dit betekent, dat de bank in beginsel ook geen ruimte heeft om een gunstig instapmoment af te wachten.

Het Kifid overweegt vervolgens dat belanghebbende na een maand al de overeenkomst heeft beëindigd. De koersen stonden op dat moment veel lager dan op het instapmoment, waardoor het instapmoment ongunstig lijkt. De beleggingshorizon van belanghebbende is echter niet een maand, maar 15 jaar. En vanuit dat perspectief bezien is het precieze instapmoment maar beperkt relevant. Aangezien de bank uitgaat van een lange beleggingshorizon, is het niet onredelijk of ondeskundig dat zij geen rekening heeft gehouden met het meest gunstige instapmoment om tot ‘het best mogelijke resultaat’ te komen. Volgens het Kifid is de bank niet tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst.

Het Kifid oordeelt dan ook dat de klacht van belanghebbende ongegrond is en wijst de vordering van belanghebbende af.

Meer weten?
Wil je meer weten over zorgplicht en vermogen, schrijf je dan in voor de praktische  Workshop - Vermogen. In deze virtuele workshop van 90 minuten informeren wij je over privévermogen (box 3) en ook over zakelijk vermogen mede aan de hand van DIA Life Event Advisering. Wil je nog meer verdieping op het gebied van zorgplicht en vermogen, dan kun je ook schrijven voor de 2 uur durende virtuele Masterclass - Vermogensmanagement online.

Permanente Educatie: al onze E-learnings, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Beleggen
  • Maandag 29 maart 2021