Is de box 3-heffing door intering op vermogen een buitensporige zware last?

Belanghebbende stelt dat de belastingheffing in box 3 tot een buitensporige zware last leidt. Hof Den Bosch oordeelt dat hiervan geen sprake is. De Hoge Raad beoordeelt of het hof alle relevante feiten en omstandigheden in haar oordeel heeft betrokken.

Belanghebbende heeft in 2016 een belastbaar inkomen uit box 3 van € 6.522. De hierover verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt 30% ofwel € 1.956. Belanghebbende heeft € 1.761 aan opbrengsten uit vermogen ontvangen.

Over het jaar 2017 bedraagt het belastbaar inkomen uit box 3 € 6.081. Hierover is belanghebbende 30% ofwel € 1.354 aan inkomstenbelasting verschuldigd. Belanghebbende heeft € 1.244 aan opbrengsten uit vermogen ontvangen.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2016 en 2017. Zij stelt, dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP, omdat de heffing niet meer in een redelijke, proportionele verhouding tot het werkelijke rendement op spaarsaldi staat en het stelsel geen enkele vorm van tegenbewijs toestaat, dan wel dat op individueel niveau van een dergelijke schending sprake is. Volgens belanghebbende wordt zij geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

De inspecteur stelt echter dat er geen sprake is van een buitensporige zware last. Op basis van het arrest BNB 2019/161 heeft Hof Den Bosch geoordeeld, dat, zo box 3 in 2016 en 2017 al een schending van het EVRM zou zijn op stelselniveau, de rechter die schending niet kan repareren. Bovendien is op individueel niveau niet gebleken van een individuele en buitensporige last, gezien het hypotheekvrije huis van belanghebbende, de AOW-uitkering die belanghebbende ontvangt en (inkomsten uit) het vermogen.

De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, de rechter die heffing moet bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag is of de heffing leidt tot een individuele en buitensporige last, indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft, dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen, dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt, waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last.

Uit de uitspraak van Hof Den Bosch blijkt niet, dat het hof dit heeft onderzocht. De uitspraak van het hof kan daarom niet in stand blijven. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de vraag of de box 3-heffingen voor belanghebbende een individuele en buitensporige last vormen.

Meer weten?
Wil je meer weten over vermogensmanagement en rendement, schrijf je dan in voor de praktische Workshop - Vermogen. In deze virtuele workshop van 90 minuten informeren wij je over diverse wijzen van toepassen van het vermogen (ook box 3 vermogen) in het adviesdossier, mede aan de hand van DIA Life Event Advisering.

Wil je nog meer verdieping op het gebied van vermogen, dan kun je ook inschrijven voor de 2 uur durende virtuele Masterclass - Vermogensmanagement: doe méér met je geld.  

Permanente Educatie: al onze E-learnings, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Dinsdag 6 juli 2021