Is een gedurende meerdere jaren verlieslatende onderneming nog een bron van inkomen?

Belanghebbende drijft een onderneming, die vanaf 2012 verlies maakt. De inspecteur stelt, dat er op 31 december 2016 geen bron van inkomen meer is. Rechtbank Den Haag geeft antwoord op de vraag of er in 2016 objectief gezien nog sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel.

Belanghebbende is IB-ondernemer in de tapijt- en vinylsector. In 2012 koopt hij een pand, dat hij inricht als voorraadopslag, kantoor, showroom en verblijf (pand). In 2010 en 2011 maakt belanghebbende winst, maar in 2012 tot en met 2018 maakt hij jaarlijks verlies.

Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 2016 wijkt de inspecteur af van de ingediende aangifte. Hij gaat uit van staking van de onderneming en neemt een stakingsverlies in aanmerking. De inspecteur stelt, dat er op 31 december 2016 geen bron van inkomen meer is, omdat er redelijkerwijs geen voordeel te verwachten is. De inspecteur baseert zich hierbij op het feit dat er vanaf 2012 alleen maar negatieve resultaten zijn behaald.

Volgens belanghebbende heeft hij de onderneming niet per 31 december 2016 gestaakt. Hij stelt dat in 2010 tot en met 2013 sprake was van een economische crisis waardoor de branche zwaar getroffen werd, dat hij in 2012 en 2013 met een nieuwe bedrijfsformule is gestart en 2012, 2013 en 2014 in het teken hebben gestaan van het maken van kosten in verband daarmee en hij tegen allerlei aanloopperikelen aanliep, en dat 2015, 2016 en 2017 worden gekenmerkt door liquiditeitsproblemen, onder andere door de aflossing van een negatief saldo op een rekening-courant.

Als er sprake is van een staking van de onderneming, meent belanghebbende dat het stakingsresultaat te hoog is vastgesteld. Volgens belanghebbende is de gehanteerde waarde in het economische verkeer (WEV) van de balanspost ‘voorraad’ en van het pand te hoog.

Rechtbank Den Haag oordeelt, dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden stelt, waaruit blijkt dat er in 2016 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. De rechtbank wijst daarbij op de teruglopende omzet vanaf 2010 met als dieptepunt een netto-omzet in 2016 van € 552. Bovendien zijn vanaf 2012 de kosten steeds hoger dan de omzet en worden er vanaf 2015 nog maar zeer geringe omzetten behaald. Gelet daarop kan niet worden gezegd, dat met de activiteiten redelijkerwijs nog kan worden verwacht dat positieve opbrengsten behaald zullen worden. Dat de economische crisis en de andere door belanghebbende genoemde omstandigheden daar een rol in hebben gespeeld, maakt dat niet anders. Dit betekent, dat er geen sprake is van een bron van inkomen en de inspecteur daarom terecht is uitgegaan van een staking.

De rechtbank oordeelt tenslotte nog, dat de inspecteur de waarde van de voorraad te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank acht aannemelijk, gelet op het soort product, dat rekening gehouden moet worden met trendgevoeligheid en dat van de ouderdom van de voorraad in dit geval dus een waardedrukkend effect uitgaat. Belanghebbende maakt een lagere WEV van het pand echter niet aannemelijk. Uitgegaan moet worden van de WOZ-waarde die het dichtst bij het stakingsjaar ligt.

Meer weten?
Wil je meer weten over de diverse aspecten van ondernemerschap en winstbepaling, schrijf je dan in voor onze e-learning opleiding Consultant Financial Planning of zoek je meer verdieping op het gebied van diverse fiscale vraagstukken op het gebied van de ondernemer zie dan de opleiding Certified Life Event Advisor (CLEA). Dé opleiding op het gebied van Life Event georiënteerde advisering! Diepgaand, kwalitatief hoogstaand én praktijkgericht! Na afloop van de opleiding ben je Certified Life Event Advisor! Tijdens beide opleidingen krijg je kosteloos toegang tot de DIA Wealth Monitor én DIA Life Event Advisor.

Permanente Educatie: al onze E-learnings, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Dinsdag 29 juni 2021