Is er een reden om de echtelijke woning niet bij helfte te verdelen?

Partijen willen scheiden. Onderdeel van hun huwelijksgoederengemeenschap is de echtelijke woning, waar de vrouw al in woonde met haar overleden eerste echtgenoot. Rechtbank Noord-Holland oordeelt hoe de woning tussen partijen moet worden verdeeld.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij gaan echter scheiden. De vrouw was al eerder in gemeenschap van goederen gehuwd. Dat huwelijk is geëindigd doordat haar eerste echtgenoot is overleden. De vrouw was bij testament aangewezen als zijn enig erfgename. In het testament is bepaald dat op verkrijgingen uit de nalatenschap de uitsluitingsclausule van artikel 1:94 (oud) lid 1 BW van toepassing is. Via de verklaring van erfrecht is de echtelijke woning op naam van de vrouw komen te staan.

In geschil is de verdeling van deze woning. De vrouw stelt dat zij vanwege ernstige ziekte niet kan en wil verhuizen. Zij heeft de woning met haar eerste echtgenoot gekocht en bewoond en is emotioneel en sociaaleconomisch gebonden aan de woning. Zij meent dat er gezien haar ziekte en binding met de woning een zeer uitzonderlijke situatie is, op grond waarvan afgeweken kan worden van de hoofdregel dat beide echtelieden een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap hebben. Toepassing van de hoofdregel is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De man erkent dat de gezondheidssituatie van de vrouw niet goed is. Hij heeft aangegeven, dat het met de emotionele gebondenheid van de vrouw aan de woning wel meevalt. Gedurende de elf jaar dat zij in de woning wonen, heeft hij de meeste kosten gemaakt als het gaat om de vaste lasten en verbouwingen. De man kan instemmen met toedeling van de woning aan de vrouw, maar meent dat er geen aanleiding is om af te wijken van de hoofdregel dat partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Rechtbank Noord-Holland stelt vast, dat de vrouw de woning voor de ene helft heeft verkregen krachtens huwelijksvermogensrecht uit haar eerste huwelijk waarin zij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Voor de andere helft heeft zij de woning verkregen krachtens erfrecht en wel onder de uitsluitingsclausule van artikel 1:94 (oud) BW. Het aandeel van de vrouw in de woning bedraagt daarom 75% en het aandeel van de man 25%.

In dit oordeel ligt besloten dat de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van de hoofdregel dat partijen een gelijk aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap hebben. In zeer uitzonderlijke gevallen kan van de verdeling bij helfte worden afgeweken. Onverkort toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW geldende regel moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Wat de vrouw daartoe stelt, is echter onvoldoende zwaarwegend.

Omdat de vrouw heeft verzocht om toedeling van de woning aan haar en omdat de man zich daartegen niet heeft verweerd, deelt de rechtbank de woning toe aan de vrouw en stelt hierbij onder andere de voorwaarde dat de vrouw 25% van de overwaarde van de woning aan de man uitkeert, dan wel dat 25% van de onderwaarde voor rekening van de man komt.

Meer weten?
Zoek je meer informatie over de problematiek van verdeling van vermogensbestanddelen bij echtscheiding en in dit kader de eigen woning, schrijf je dan in voor onze online Masterclass - Echtscheiding. In deze masterclass informeren wij je over de belangrijkste ins en outs en na de training heb je onder meer inzicht in de fiscale- en civiele gevolgen van echtscheiding.

Wil je een bredere verdieping in het life event van de eigen woning, schrijf je dan in voor onze online Masterclass - De eigen woning in het advies: huis en haard voor geld. In 2 uur informeren wij je over de belangrijkste ins en outs. Zodat je helemaal up-to-date bent!

Permanente Educatie: al onze E-learnings, Masterclasses, Workshops en Vaardigheidstrainingen zijn geaccrediteerd voor Permanente Educatie.

Informatie

  • Recht: Huwelijksvermogens- en erfrecht
  • Maandag 19 april 2021