Kamerverhuurvrijstelling niet van toepassing bij verhuur via Airbnb

De Hoge Raad heeft op 6 november 2020 uitspraak gedaan of via Airbnb ontvangen inkomsten uit de verhuur van een gedeelte van de eigen woning vrijgesteld zijn op basis van de kamerverhuurvrijstelling.

Belanghebbende bezit een woning, die een eigen woning is in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001. Belanghebbende verhuurt in 2016 een gedeelte van deze woning gedurende verschillende periodes via Airbnb. De huurinkomsten bedragen € 1.629.

Van deze inkomsten belast de inspecteur € 1.140 (70%) op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001. Belanghebbende is het hier echter niet mee eens.

Volgens Hof Den Haag zijn de inkomsten vrijgesteld vanwege de kamerverhuurvrijstelling (artikel 3.114 Wet IB 2001), ondanks dat de huurders niet zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. Volgens het hof heeft dit vereiste van registratie voor toepassing van de vrijstelling slechts een bewijsfunctie. Voorts heeft het hof overwogen dat aan de ‘materiële eisen’ voor toepassing van de vrijstelling volledig is voldaan.

Volgens de Hoge Raad blijkt uit de door de wetgever gekozen bewoordingen dat de in artikel 3.114 lid 2 Wet IB 2001 bedoelde inschrijvingseis niet slechts een bewijsfunctie heeft, maar een voorwaarde is voor toepassing van de kamerverhuurvrijstelling.

Aangezien de Hoge Raad in het arrest van 19 september 2020 heeft geoordeeld dat artikel 3.113 Wet IB 2001 geldt bij tijdelijke verhuur van een deel van de eigen woning, is bij belanghebbende terecht 70% van de huur belast.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Maandag 9 november 2020